OP DE BEWAARSCHOOL, DOOR WILLEM VAN OEVERE (3)

De kinderen waren dien middag erg woelig. Vóór schooltijd al klommen de ouderen op de banken en liepen mekaar na. Er was tussen den middag geen raam open geweest en de kachel had aldoor fel gebrand, zodat een klammige warmte uit de klederen der kinderen opsteeg en hun handen en gezicht begroezelde. De zuster bad weer, de kinderen baden en zongen, iets lijziger dan ’s morgens, en kregen hun leiën. Er werd een plaat aan den muur gehangen, die voorstelde: Roodkapje door den wolf verscheurd. Alleen het rode kapje van het meisje en de witte tanden van den wolf waren op een afstand te onderscheiden. De brekebenen, die déze plaat niet konden natekenen, mochten hun krachten beproeven aan een vruchtenstukje: een sinaasappel, een appel, een peer, een knol, een peen, een tros druiven, een aardappel, een hoopje aarbeien en een komkommer.
De kinderen knarsten met hun griffels. Een kwartiertje was Leentje met de grootste bezig. Ze zei: spa-a; slee-e en de anderen schreeuwden haar na. Eindelijk zei de zuster, dat het dien middag toch niet ging en dat de kinderen dus maar wat moesten gaan tekenen.
De goot op het plaatsje pitte-pette: de regen scheen opgehouden te hebben. Soms even zwiensde het water langs het zink en plits-pletste op de gele steentjes. Glimmende droppels licht zaten verspreid tegen de bewasemde ruiten en biggelden van tijd tot tijd een eindje naar beneden.
Het begon al vroeg donker te worden. Het licht schimde door het overwarme schoolvertrek, waarin een hoge kachel stond te gloeien. De hoofden van Maria en Jozef waren niet meer te zien. Als twee donkere vlekken, even naar vóór uitkomend, stonden ze daar omhoog. In het toenemende donker trokken hunne voeten op en de beelden werden twee wanstaltige, in elkaar geplompte gedaanten. De kinderen konden niet meer op hun leïen zien. In het achterlokaal was het licht aangestoken, doch in dit waren geen gaslichten aangebracht.
Er werd gebeden en gezongen en Leentje deed de ketting van de deur. Toen ze de deur opende, zwiepte de regen haar in het gezicht. Ze sloeg haar rood-wit-gestreept-katoenen schortje over het hoofd en hield het met de linkerhand onder haar kin vast. De punten zwibberden schik-schokkerend-klip-klap langs haar gezicht. In de donkere ruimte tussen de deurstijlen verschenen vrouwengezichten, onder flauw beglimplichte regenschermen. Ze noemden een naam, die door Leentje hooggillend in de school gestoten werd, tussen de duisternis. De kinderen kwamen met slapende voeten aandribbelen. Ze werden door hunne moeders in jassen en doeken gerold en groetten de zuster, die stijf rechtop naast Leentje was komen staan. Flauw-wit schemerde haar kap, als ze het hoofd boog om terug te groeten. Zwijgend stond ze daar en liet de kralen van haar rozenkrans tussen de vingers glijden.
Tegelijk, dat een man de lantaarn bij de bewaarschool opstak, werden ook de ramen van de school aan den overkant verlicht. Strak holoogden de ramen. Het licht schimmerde over de natte straat, tussen de voeten van de silhouetten der mensen door, wierp strepen schamplicht langs de natte rokken der vrouwen en glom langs het plafond der zusterschool. De doffe ruiten hadden een flauwe goudgloed.
Een woelig geluid drong uit het achterlokaal in het verlaten vertrek, waar nog slechts enkele kinderhoofdjes in het halfdonker op de bankjes verspreid stonden. Heel in de verte naderde het geratelwiel van een rijtuig, op de ongelijke stenen ophotsend. Het kwam nader en werd toen dunner en onduidelijker.
Leentje hielp de laatste kinderen aankleden. Geeuwend zei de zuster: wat een landziekig weêr, hè? en ze rekte zich uit. – Zou zuster Monica d’r kindere nog langer houwe? Ga ’t is vrage, Leen!
Leentje kwam met de boodschap, dat zuster Monica dadelijk gereed was. Terwijl ze Frans aankleedde zei ze: – Je kon het an de kindere wel zien. Ze ware zoo slaperig as de wiedeweegaai. – Ze boog plotseling het hoofd en schuinoogde naar zuster Angelica, die haar echter niet gehoord had en met haar rozenkrans spelend in de lichte hokjes stapte, tussen de schaduwlijnen die de raamsponningen op den vloer wierpen. Van tijd tot tijd geeuwde ze en eindelijk liep ze naar het plaatsje en opende de schooldeur. Ze stond zwart tegen den gouden achtergrond, die van licht en leven tintelde. De kleine, vrolijke, mollige zuster Monica verbood met haar lieve stem de lastige kinderen, die aan haar armen en haar zwart nonnenkleed hingen. Ze ging door het holle voorvertrek en het jolige troepje kinderen maakte zich van haar los en liep lachend de straat op.
Frans werd door Leentje met nog een paar kinderen op straat gebracht. – Jullie moeders komme niet opzette, zei Leentje. We kanne je van nacht niet houwe.
Koud klamden Frans de kleren aan het lijf. Hij liep door de donkere straat, tussen de overhangende gevels. De lantaarns leken dun en teer en hun treurige, bekoperrandgele vlammetjes met zwarte hartjes strakten in de regen, die grijsgestreept neersabelde in het opeengepakte kildonker tussen de huizen, welke als verschroeide, uitgebrande, holle geraamten op en tegen elkaar huiverden, blind en koud in den regen. De regendroppels plekten kringetjes in de zwart-groening van de kolk, die tegen den stenen kant opkabbelde in zachte, schommelende deining. Voor één der gele raampjes van het brugwachtershuisje, die een gezellig licht uitwierpen, zat een man te eten uit een dampend ijzeren pannetje. Frans keek naar de sluis. Tussen de sluisdeuren brabbelzwalpte het water met witte bruisjes. Uit tal van reten lekte het in fijne dunninge, dooraderd van straaltjes lantaarnlicht.
De straten waren hol en leeg en lijnden moeilijk voort in de dompige atmosfeer. De lantaarns leken met een stamp in den grond gezet en streken langwerpige lichtplassen van zich af over de natte kleibollingen.
Een buurmeisje, dat boter en kaas gehaald had en op een stukje krant in de handen droeg, zei tegen Frans, terwijl ze nu en dan van de kaas snoepte: Je moeder heeft zoo gehuild. Ik heb het zelf gehoord. Je vader is dronke thuis gebracht door drie mannen en hij heeft haar geslage. As ik jou was, ging ik gauw is kijke. – Frans liep op een drafje het steegje in. De lamp was nog niet op. De wasvrouw stond te boenen bij het licht van een petroleumlamp, die voor het raam gezet was. Het glinsterende, rokende zeepsop schuimvlokte langs haar armen. Ze had een witte doek om haar hoofd geslagen en stond in een plas licht voor de kuip, waarnaast vuilwit en rood en blauw goed op een vieze hoop lag, door den regen in elkaar geslensd.
In het donkere benedenhuis viel door de twee bezeepsopte ramen een twijfellicht, dat de enkele meubelen even liet onderscheiden. Op een stoel voor het raam zat zijne moeder. Een dof, reutelend gesnork klonk uit een hoek. Nu en dan bromde de dronkaard, die daar was neergevallen ruwe vloeken en hese uitroepen. Plotseling richtte hij zich soms op en slingerde lange verwensingen rond zich. Frans was stil bij zijn moeder gaan zitten. Ze legde zijne hand in de hare.
Een ongezellige koude kleumde in het vertrek.
Zacht vertelde de vrouw aan Frans, dat zijn vader ’s middags t’huis gebracht was. Hij had een halve dag gewerkt maar door den regen hadden ze moeten uitscheiden. Toen was hij in een herberg gaan zitten. – Eten had ze niet, kleine Leentje had straks ook al om eten geschreeuwd. Moeder was blij, dat ze sliep. Frans moest maar gauw naar bed gaan, dan lag hij warm. Misschien kwam er van nacht wel uitkomst. Of ze de lamp aanstak? Er was nog maar een beetje olie in, en dat moest ze sparen. Je kon niet weten, wat er van nacht gebeurde.
Eensklaps begon de dronkaard in den hoek benauwd te gorgelen. En de vrouw barstte plotseling in woede los: Stik maar! ellendeling!

Jan. 1888.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: