JACOB DOMELA NIEUWENHUIS

19e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Een vertegenwoordiger van het geslacht Domela Nieuwenhuis, dat eind 19e en begin 20e eeuw zo dominant aanwezig was in de Nederlandse samenleving. Mr. Jacob Domela Nieuwenhuis werd op 19 februari 1836 te Monnikendam geboren, studeerde aan de Utrechtse Hogeschool in de rechten en promoveerde in 1859 op een historisch-juridisch proefschrift getiteld: De straf der afzonderlijke opsluiting historisch en kritisch beschouwd vooral in hare betrekking tot ons vaderland, Amsterdam 1859. Sinds die tijd was hij advocaat te Amsterdam, sedert 1869 leraar in de staatswetenschappen aldaar en schoolopziener. In 1884 werd hij hoogleraar in de wijsbegeerte van het recht en strafrecht aan de rijksuniversiteit te Groningen. Hij schreef artikelen in de Nieuwe Bijdragen voor Rechtsgeleerdheid en Wetgeving een stuk getiteld: De beschouwingen van den hoogleeraar Scholten over straf aan eene beschouwing onderworpen (1860),  Eene levensvraag voor de natie, eenvoudig besproken: I. Is de gemengde school goed of niet goed? II. Moet de staat zich met het onderwijs bemoeien of niet? III. Wat te kiezen, wat te doen? (1869). Hij schreef ook een preadvies over de vraag: Welk gevangenisstelsel is voor ons land het meest aanbevelenswaardig, dat werd afgedrukt in de Handelingen der Nederlandse Juristen-vereeniging, ‘s-Gravenhage,1872. Zijne professorale inwijdingsrede ging over De gevangenisstraf, overeenkomstig de eischen van het recht en het maatschappelijk belang ingericht, de beste der straffen, Groningen 1884. Ook schreef hij bijdragen in het Duitse tijdschrift Gerichtsaal. In het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1925 verscheen naar aanleiding van zijn overlijden het volgende uitgebreide artikel, waarin op allerlei belangwekkende activiteiten van Domela Nieuwenhuis werd ingegaan, maar een ding niet belangrijk werd geacht te vermelden, namelijk dat hij zo af en toe ook een bijdrage leverde aan het tijdschrift Bato van William Maarten Westerman. Dat was een tijdschrift voor de jeugd en ik kan me amper voorstellen dat daarin plaats was voor een doorwrocht juridisch artikel waar Domela Nieuwenhuis in excelleerde. Ik kan me echter ook niet voorstellen dat deze man een spannend jeugdverhaal zou kunnen schrijven. In elk geval, binnen zijn leven moet het een onbetekend deatil zijn geweest, wie weet wel een jeugdzonde.

Levensbericht van Prof. Mr. J. Domela Nieuwenhuis.
Jacob Domela Nieuwenhuis werd den negentienden Februari 1836 te Monnikendam geboren uit het huwelijk van den predikant Dr. F.J. Domela Nieuwenhuis en Henriette Frances Berry, afkomstig uit Devonshire.
Na een kort verblijf in Utrecht, zijn vader’s standplaats van 1837-1845, verhuisde het gezin in September 1845 naar Amsterdam, waar zijn vader tot hoogleeraar was benoemd. Van 1854-1857 studeerde hij aan het Athenaeum te Amsterdam en de twee volgende jaren aan de Hoogeschool te Utrecht. Den 18den Juni 1859 promoveerde hij summa cum laude tot doctor juris op een proefschrift, getiteld: ‘De straf der afzonderlijke opsluiting, historisch en critisch beschouwd vooral in hare betrekking tot ons vaderland’.
Na zijne promotie vestigde hij zich als advocaat te Amsterdam. 20 Augustus 1863 trad hij in het huwelijk met Elisabeth Rolandus Hagedoorn, dochter van den kapitein der Infanterie J.D. Rolandus Hagedoorn en Petronella de Brauw. Uit dit huwelijk werden drie kinderen, twee zoons en een dochter, geboren. Het was buitengewoon gelukkig. Gedurende drie en vijftig jaren – in 1916 stierf zijne echtgenoote – zijn beiden in zeldzame harmonie vereenigd geweest.
monnickendam2Domela Nieuwenhuis heeft zich in zijn Amsterdamsche jaren niet uitsluitend aan de praktijk gewijd. Daarnaast bewoog hij zich veel op politiek, maatschappelijk en kerkelijk terrain. Van zijne politieke werkzaamheid is vermeldenswaard, dat hij in 1866 met Mr. F.C. Zillesen e.a. de bekende liberale kiesvereeniging ‘Burgerplicht’ stichtte, waarvan hij van 1867-1869 Voorzitter was. Vermeldenswaard vooral, omdat hij op lateren leeftijd aansluiting aan de Christelijke partijen heeft gezocht. Van 1877-1884 was hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland, maar trad daar weinig op den voorgrond. Voor de politieke carrière was hij niet allereerst geschikt.
Op maatschappelijk terrein was zijn werkzaamheid velerlei. In 1863 werd hij directeur van de Nederlandsche Maatschappij voor hypotheekverzekering, van 1868-1871 was hij lid van de plaatselijke schoolcommissie, van 1871-1884 schoolopziener in het tweede district; voorts was hij als leeraar verbonden aan de Handelsschool (van 1869-1884) en vijfjarige Hoogere Burgerschool (van 1883-1884), waar hij les gaf in staatsinrichting en staathuishoudkunde; sinds 1875 was hij plaatsvervangend Kantonrechter in het vijfde Kanton (Nieuwer Amstel) enz. Zijn belangrijkste werk op maatschappelijk terrein liet ik echter nog onvermeld, n.l. zijn rusteloozen arbeid, waar het de belangen van het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke verbetering der Gevangenen betrof. In 1868 – op jeugdigen leeftijd dus – was hij reeds Voorzitter en tot aan zijn dood toe was hij één van de meest belangrijke leden van het genootschap.
Op kerkelijk gebied trad Domela Nieuwenhuis ook in Amsterdam reeds sterk op den voorgrond. Hij vervulde in de Luthersche Gemeente vele en gewichtige ambten en nooit werd tevergeefs op zijne werkkracht een beroep gedaan.

Dat Domela Nieuwenhuis naast deze veelomvattende werkzaamheden op meer practisch terrein nog tijd en gelegenheid vond voor wetenschappelijken arbeid, getuigt voor zijne respectabele arbeidskracht. Wie uit de achter dit bericht opgenomen lijst van geschriften nagaat, wat hij vóór zijn hoogleeraarschap heeft gepubliceerd – waarbij niet is vermeld, wat hij in verschillende dagbladen heeft geschreven – zal zich er niet over verwonderen, dat al spoedig van verschillende kanten bewijzen van waardeering voor zijn persoon en werk hem ten deel vielen.
Zoo werd hij in 1868 lid van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, was hij in 1872 met Mr. B.J. Baron Mackay (Lord Reay) en Mr. B.J. Ploos van Amstel regeerings-afgevaardigde op het Penitentiair Congres te Londen, werd hij in 1875 lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en van het Historisch Genootschap te Utrecht enz.
Toen dan ook in 1879 aan de Universiteit te Utrecht de leerstoel in het strafrecht vrij kwam (vacature Vreede), werd Domela Nieuwenhuis op de faculteitsvoordracht geplaatst. Vlot is het met zijne benoeming als hoogleeraar echter niet gegaan. In Utrecht werd Mr. M.S. Pols benoemd en nog ongelukkiger was hij in het volgend jaar, toen door het heengaan van Prof. Brusa de leerstoel in het strafrecht aan de Amsterdamsche Universiteit moest worden vervuld. Bij de stemming kreeg zijn tegencandidaat, Mr. G.A. van Hamel, evenveel stemmen – een gemeenteraadslid, dat zeker op Domela Nieuwenhuis zou hebben gestemd, kwam te laat – en het lot besliste ten voordeele van Van Hamel. Doch driemaal is scheepsrecht; eenige jaren later kwam in Groningen de vacature Gratama en bij Koninklijk Besluit van 21 Juli 1884 werd Domela Nieuwenhuis tot Gratama’s opvolger benoemd.
Den 15den November 1884 aanvaardde hij zijn ambt met het uitspreken van eene oratie, getiteld: ‘De gevangenisstraf overeenkomstig de eischen van het recht en het maatschappelijk belang ingericht, de beste der straffen’. Zijn Groningsche tijd is ongetwijfeld voor Domela Nieuwenhuis de mooiste en beste tijd van zijn leven geweest. Hij kwam naar Groningen op het moment dat eene generatie van uit Groningen afkomstige juristen was heengegaan en mannen als Cort van der Linden en Drucker naar het Noorden geroepen waren. Talrijk zijn de vrienden, die hij zich daar – evenals trouwens vroeger in Amsterdam – gemaakt heeft. Met hart en ziel wijdde hij zich aan zijn wetenschappelijken werkkring en respectabel is het aantal geschriften, dat hij in dien tijd heeft gepubliceerd. Het meerendeel verscheen in het Tijdschrift voor Strafrecht, dat hij in 1886 met Van Hamel, Pols en Van der Hoeven oprichtte en van welker redactie hij van de oprichting tot het jaar 1921 deel uitmaakte. Bij zijn studenten was hij zeer geliefd, wat zeker niet in het minst aan zijn humaan optreden als examinator te danken was. Dat hij ook buiten den engen kring der Groningsche Universiteit zeer gewaardeerd werd, zal niemand verwonderen. De Juristenvereeniging. die het voorrecht had hem driemaal (1872, 1880 en 1886) als praeadviseur te bezitten, benoemde hem in 1888 tot Bestuurslid. En ook de Regeering bleef in haar waardeering niet achter. Was hij in 1902 Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw geworden, het Koninklijk Besluit van 22 September 1903 benoemde hem, die toen reeds den hoogen leeftijd van 67 jaar bereikt had, tot Voorzitter van de Staats-Commissie, welke moest onderzoeken: ‘welke aanvulling en wijziging het in het strafwetboek aangenomen stelsel van bestraffing van bedelarij en landlooperij en de toepassing daarvan in de praktijk behoeven om een meer doeltreffende bestrijding van dat maatschappelijk euvel te verzekeren’. Plaatsruimte belet mij meer uitvoerig op zijn hoogleeraarschap te Groningen in te gaan. Ik volsta derhalve met de vermelding, dat hij van 1898 tot 1899 rector magnificus was en den 19den September 1899 zijn rectoraat overdroeg door het uitspreken van eene redevoering over het wezen der straf.

Evenals in Amsterdam bewoog Domela Nieuwenhuis zich in Groningen ook op maatschappelijk, kerkelijk en politiek terrein. Hij bleef dezelfde groote belangstelling voor het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen koesteren en in de zeldzame hoedanigheid van buitengewoon lid van het Hoofdbestuur (sinds 1884) had hij op de gestie van het Genootschap grooten invloed. Ook in de afdeeling Groningen deed hij veel en nuttig werk. Daarnaast was hij in het Bestuur van het Diaconessenhuis, van het Doorgangshuis, van de Gustaaf Adolf Vereeniging, bekleedde tal van belangrijke kerkelijke functies b.v. het lidmaatschap van de Evangelisch Luthersche Synode (van 1899-1922). Wij zien hem ook weer op politiek terrein verschijnen; doch met weinig succes. Eenige malen was hij candidaat van de Christelijk-Historische partij voor den Gemeenteraad en in 1897 voor de Tweede Kamer; voorts in 1907 en 1910 voor de Eerste Kamer. Gekozen werd hij echter nimmer.

Toch heeft hij in een beslissend moment een grooten invloed op ons politieke leven uitgeoefend. In 1898 kwam hij in het Hoofdbestuur van den Christelijk-Historischen Kiezersbond, waarvan hij in 1901 vice-voorzitter was. In het Hoofdbestuur bestond groote oneenigheid over de coalitie met de andere rechtsche partijen. Het betrof de candidaatstelling van Dr. Kuyper te Amsterdam, een candidatuur, welke Domela Nieuwenhuis mede ondersteunde. Het voorstel tot afkeuring daarvan bestreed hij met het oog op de belangen van het Christelijk Onderwijs, dat hij met Openbaar Onderwijs financieel wilde gelijkstellen en met het oog op de handhaving van het vergeldingsbeginsel der straf tegenover de zoogenaamde nieuwe richting in het strafrecht. De vergadering ging met zijne bestrijding mede, wat het uittreden van Prof. van Leeuwen, Dr. Bronsveld, Dr. Kramer en Prof. Dr. Mulder tengevolge had. Domela Nieuwenhuis bewerkte toen met Dr. de Visser de aansluiting bij de andere Christelijke partijen, waardoor het Ministerie Kuyper aan het bewind kwam. Toen in 1903 de fusie met de vrij-antirevolutionairen tot een Christelijk-Historische Unie tot stand kwam, werd hij met de Savornin Lohman lid van de Commissie voor het opstellen der Statuten. Later werd hij lid van het Nationaal Comité.

In 1906 dwong de onverbiddellijke wet hem tot het neerleggen van het hoogleeraarsambt. Zeer ongaarne ging hij uit Groningen weg. Met hart en ziel was hij hoogleeraar. College geven was hem een genot. Bovenal smartte het hem te moeten heengaan op een moment, dat de nieuwe richting in het Strafrecht, die hij steeds zoo onvermoeid bestreden had, aan de winnende hand was en de klassieke richting in wetenschap en wetgeving terrein verloor.

Na zijn afscheid van de Groningsche Universiteit vestigde hij zich te ’s Gravenhage. Wie de lijst zijner geschriften raadpleegt, zal er verbaasd over staan, wat hij op zulk een hoogen leeftijd aan wetenschappelijk werk qualitatief en quantitatief heeft geproduceerd. Daarnaast bleef hij in onverzwakte helderheid van geest een belangstellend en werkzaam lid van tal van sociale en Christelijke Vereenigingen. Het Genootschap had en hield zijn groote liefde en in het najaar van 1923 verscheen nog, naar aanleiding van het honderdjarig bestaan, van zijn hand in het Tijdschrift voor Strafrecht eene bijdrage, getiteld: ‘Een zees nuttg Genootschap’. Het zou echter zijn laatste publicatie zijn. In Februari 1924 werd zijn gezondheid slechter en slechter. Het heengaan van zijn vriend en ambtgenoot Van der Hoeven schokte hem zeer, het sterven van zijn geestverwant De Savornin Lohman bracht hem een slag toe, waarvan hij niet meer herstelde. 14 Augustus 1924 ging hij heen, zacht en kalm, in het vertrouwen, dat de kracht van zijn leven geweest was. Den 18den Augustus d.a.v. werd hij op het eigen familiekerkhof te Woerden begraven.

Wie zou trachten den geleerde Domela Nieuwenhuis zelfstandig te schetsen en meer speciaal zijn wetenschappelijke inzichten zou willen begrijpen, los van den mensch, zou toonen het fundamenteele van zijn gansche, wetenschappelijke, politieke an sociale uitingen niet te hebben gevat. Dat fundamenteele is zijn godsdienstige overtuiging. Bij weinigen zal de goloofsovertuiging zulk een allesdoordringenden universeelen invloed hebben uitgeoefend. Niet dat hij – wat men pleegt te noemen – zoo erg zwaar was. Integendeel, van confessionalisme hield hij niet. Hij was gematigd orthodox. Het was zijn persoonlijke aanleg, zijn hartstochtelijke gehechtheid aan eigen inzichten, zijn nimmer vermoeide wil om te getuigen en te overtuigen, die hem zijn godsdienstige beschouwingen alles liet doordringen. Hij was in alle opzichten een absolute natuur. Alle halfheid was hem vreemd. In vele opzichten aan zijn broeder, den bekenden anarchist, gelijk. Voor beiden geldt de karakteristiek, die ik in één van de brieven van den overleden hoogleeraar aantrof: ‘Op beginselen wijk ik nooit af. Een Domela Nieuwenhuis is beslist, consequent of voor of tegen, niet gematigd of tusschenbeiden’. In structuur bestaat tusschen deze twee weinig verschil; het bezielend beginsel was echter een ander. Vandaar die totaal verschillende uitingen.

Die twee, dat gematigd orthodoxisme en dat felle persoonlijke, geven aan de figuur van Domela Nieuwenhuis het groote relief. Veelal kent men de grootste beteekenis aan zijn godsdienstige richting toe. Bij nauwgezette beschouwing is toch bij mij de vraag gerezen, of het in laatste instantie niet meer het persoonlijke is, dat bij hem overweegt. Ik durf dit hierom neer te schrijven, omdat juist bij zijn wat den inhoud betreft gematigde beschouwingen, ongetwijfeld-vooral wetenschappelijk – andere inzichten mogelijk zijn. Bovendien, omdat zijn houding ten aanzien van zijn overtuiging in alle opzichten de kenmerken van zijn persoonlijken aanleg draagt. De bakens met het getij verzetten wilde hij niet, maar kon hij ook niet. Hij miste den zin voor het concrete. Compromissen, die de praktijk toch niet ontberen kan, wilde hij niet aanvaarden.

Dat absolute verklaart ook zijn groote liefde voor de historie. Tegenover de toekomst met haar concrete eischen staan dergelijke naturen veelal eenigszins vijandig. Zij zijn, wat men noemt, conservatief. De geschiedenis trekt hen onweerstaanbaar aan, omdat zij die minder gevoelen als eene serie feiten, dan wel als de lijn, waarin zich hun levensbeschouwing afgeteekend heeft. Zij houden meer van het verleden dan van de toekomst. Anders gezegd: het zijn naturen, die de oorzaak hooger stellen dan het gevolg. Die karakters – en daarom zou ik van de twee omstandigheden, die de levensuitingen van Domela Nieuwenhuis het meeste hebben bepaald, aan het persoonlijke absolute grooteren invloed willen toekennen dan aan zijn gematigd orthodoxe godsdienstige overtuiging – zijn niet ingesteld op het oogenblikkelijke, op het tijdelijke, maar op het eeuwige, op het boven- en buiten tijdelijke, dus geloovige. En dan een gaaf en vol, alles doordringend geloof.

En zoo kan het, na het bovenstaande, geen verwondering baren, dat Domela Nieuwenhuis niet was een criminalist van de moderne richting, niet een aanhanger van Von Liszt en Van Hamel, maar een der meest overtuigde en hartstochtelijke aanhangers van de klassieke strafrechtsschool. Hij was, gelijk hij zelf erkent, een ‘Vergeltungsfanatiker’. Hij baseerde het vergeldingsbeginsel op het Oude en het Nieuwe Testament en daarmede was zijn standpunt bepaald: ‘waar het intusschen ethische beginselen geldt, zijn hunne voorschriften bindend en het vergeldingsbeginsel der straf is een ethisch beginsel’. De nieuwe richting was voor hem eene verzameling van ‘tegen de Heilige Schrift ingaande louter materialistische denkbeelden’. Dit scherpe standpunt maakte hem onnoodig afkeerig van hervormingen, die weliswaar door de nieuwe richting waren gepropageerd, maar toch ook bij de meer gematigde aanhangers der klassieke richting instemming vonden, b.v. de voorwaardelijke veroordeeling. Zijn gebrek aan aanpassingsvermogen heeft hier ongetwijfeld een nadeeligen invloed uitgeoefend. Dat b.v. het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen zich tot de invoering der voorwaardelijke veroordeeling tegen dit instituut heeft verzet, is zeker voor een groot gedeelte zijn werk. Van meer radicale voorstellen als b.v. de onbepaalde vonnissen, moest hij natuurlijk in het geheel niets weten.

Bij herhaling, het meest volledig in zijn rectorale oratie, heeft hij op het karakter der straf als vergelding gewezen. Dit beteekent echter niet, dat hij voor de verbeterende functie van het strafmiddel de oogen gesloten hield. Geenszins; maar toch wist hij daar niet altijd weg mede tegenover de vergeldende functie. Vooral in zijne particuliere correspondentie komt dit uit. In een in April 1909 aan zijn zoon, den bekenden predikant te Beetsterzwaag, geschreven brief lees ik: ‘Vergelding, straf, zeker zijn vereischten, maar de redding, het geluk van den gevallene zijn hoofdzaak voor hem, voor zijn familie en voor heel de samenleving. God zelf heeft geen lust in den ondergang van den zondaar, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve. Dat is ’t Evangelie’. Wie deze zoo uiterst sympathieke – en m.i. ware – woorden leest, kan het slechts betreuren, dat meestal Domela Nieuwenhuis aan die verbetering slechts binnen het kader der vergelding en dan nog liefst niet van overheidswege uitgeoefend, beteekenis toekende.

Al heeft Domela Nieuwenhuis ook tal van opstellen gepubliceerd, waarin onderwerpen der strafrechtsdogmatiek op uitstekende wijze worden behandeld – b.v. over de ondeugdelijke poging, over de strafbaarheid van de z.g.n. lokbeambten – zijn wetenschappelijke belangstelling heeft zich toch voornamelijk gericht tot de beginselen van het gevangeniswezen. Aan de ‘afzonderlijke opsluiting’ in Nederland is zijn naam onafscheidelijk verbonden. Gedurende eene lange reeks van jaren is hij met nimmer versagende kracht een voorstander van deze wijze van opsluiting geweest. Bij herhaling – in tal van artikelen in het Tijdschrift voor Strafrecht, in de Serie Pro en Contra enz. en niet in het minst in zijn inaugureele oratie, heeft hij op de celstraf als ‘beste der straffen’ gewezen. Met nadruk wees hij erop, dat ‘afzonderlijke’ opsluiting geenszins ‘eenzame’ opsluiting beteekent en dat de gevangene door veelvuldig bezoek tot boete en schuldbesef moet worden gebracht. Zijn christelijke opvatting is ook hier weer van beslissenden invloed geweest. Tegen onze huidige eenvormige wijze van opsluiting teekende hij herhaaldelijk protest aan. De celstraf sloot naar zijne meening de mogelijkheid van classificatie en progressie geenszins uit. Integendeel; geen vorm van opsluiting opent daarvoor zoovele mogelijkheden. Zeker niet de gemeenschappelijke opsluiting, waarvan Domela Nieuwenhuis louter nadeelen zag en die hij met klem bestreed.

Ook hier zijn de tijden hem niet gunstig geweest. Ondanks zijn reeds in den eersten Jaargang van het Tijdschrift voor Strafrecht opgenomen klachten, is de huidige inrichting van de celstraf ten onzent nog even onbevredigend en wetenschappelijk is het aantal aanhangers van de gemeenschappelijke opsluiting of beter: van de tegenstanders van de celstraf, thans grooter dan ooit. De strijd tusschen beide richtingen is misschien daarom zoo fel, omdat te veel door beide partijen het beginsel op den voorgrond gesteld is en te weinig de uitwerking onder gezonde voorwaarden is getoetst. De komende ontwikkeling zal wel zijn, dat men de vragen van de behandeling der gevangenen als vragen van sociaal-paedagogischen aard beschouwt en evenals de paedagogie na haar classicaal onderricht en Montessori-methode thans tot het Daltonsysteem komt, zal de oplossing ook hier eene gemengde moeten zijn.

Plaatsgebrek verbiedt mij verdere beschouwingen. Ik wil echter – in verband met uitlatingen van Gereformeerde zijde na zijn dood – niet nalaten erop te wijzen, dat Domela Nieuwenhuis een beslist tegenstander van de doodstraf is geweest. Toen hij op lateren leeftijd nog sterker dan in zijn jonge jaren, de behoefte gevoelde zijn wetenschappelijke beschouwingen in het licht van zijn godsdienstige overtuiging te stellen, heeft hij ook de vraag, in hoeverre de doodstraf geacht kan worden door de Heilige Schrift te worden geeischt, meermalen aan een onderzoek onderworpen. Zijn standpunt was toen hetzelfde, als het reeds in Deel IV van het Tijdschrift voor Strafrecht was, waar hij tot zijn conclusie tegen de doodstraf kwam, zoowel ‘op het standpunt van hen, die de persoonlijke onsterfelijkheid in twijfel trekken, als van hen, waaronder ik mij met Mr. Modderman eerbiedig schaar, die innig en vast gelooven, dat voor den mensch het zwaartepunt ligt niet in deze maar in de toekomende wereld’. Hij aanvaardde haar slechts als ultimum remedium, wanneer de andere straffen te kort schieten, wat echter zijns inziens thans niet het geval is.

Hierboven schreef ik, dat Domela Nieuwenhuis was een conservatief man. Inderdaad modern was hij geenszins. Met den modernen zin voor het relatieve was zijn gansche geesteshouding, zijn absolute aanleg in strijd. Doch om dit conservatisme is hij ons, eenige generaties jongeren, niet minder sympathiek. Van zijn type was hij een hoogstaand vertegenwoordiger. Een man, uitmuntend in deugden van hoofd en hart, vol humaniteit en naastenliefde. In 1849 schreef zijn grootvader van het geslacht Domela Nieuwenhuis: ‘de stam, sinds eeuwen toegewijd aan godsvrucht en aan deugd, aan recht en goede zeden’. Beschouwt men het leven van Jacob Domela Nieuwenhuis, dan kan worden getuigd, dat hij een waardig lid van zijn geslacht is geweest.

P.M. Trapman.

Bewaren

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: