DE KOE VAN DE HEILIGE LAUNOMARUS

saint-laumerSint Launomarus was eenmaal herdersjongen geweest in de weiden van het zonnige Frankrijk en had meegeleefd met de vriendelijke bewoners van de schaapskooien en stallen. Daarom kende hij hen zelf en hun doen en laten zo goed, en voelden zij op hun beurt een vriend in hem. Alleen door met hen mee te voelen komt je achter het geheim van hun wezen, omdat de dieren zelf niet kunnen spreken.
Sint Launomarus nu had een koe die hij zeer bijzonder liefhad, een mooie, glanzend zwart-en-witte koe, die graasde in de groene weiden van Chartres in de nabijheid van het klooster, en die iedere avond thuis kwam om gemolken te worden en met haar zachte neus streek ze dan langs de hand van haar meester om hem te vertellen hoeveel ze toch van hem hield.
Mignon was een zeer wijze koe. Men kon dat afmeten naar de krommingen aan haar horens en naar de rimpels in haar voorhoofd tussen de ogen. Ook nog, en wel voornamelijk, naar de wijze waarop zij met haar staart sloeg. En bovendien, een koe opgevoed door een heel klooster met geleerde mannen en die Launomarus, de wijste man uit het gehele land, tot meester en vriend had, zo’n koe moest wel wijs wezen.
Het was een donkere nacht na melktijd. Launomarus had Mignon naar haar stal gebracht met haar avondeten, uit hooi bestaande, en had haar goedenacht gewenst en aangenaam herkauwen. Hierna had hij de zware schuurdeur gesloten en was naar zijn cel gegaan om te slapen tot de morgen opnieuw zou aanbreken.Maar nauwelijks was hij met zijn lantaarn door de poort van het klooster verdwenen of er kwamen uit het bos vijf zwarte figuren te voorschijn, kruipend en sluipend langs de wal en over de binnenhof naar de zware eiken poortdeur. Zij waren allen gehuld in lange, zwarte kapmantels waarvan zij de kappen dicht over hun gelaat getrokken hadden, alsof zij bang waren herkend te zullen worden. Zij zagen er boos uit die mannen, en zij hadden grote messen zodanig tussen hun gordels gestoken, dat zij die er gemakkelijk uit konden trekken. Het was een bende rovers, naar de stal gekomen om de koe van Launomarus te stelen, die bekend stond als de mooiste uit de hele streek.
Zeer behoedzaam openden zij de grote deur en zeer behoedzaam kropen zij over de grond naar Mignons stal en bonden een stevig touw om haar nek om haar weg te voeren. Maar vooraf waren zij zo voorzichtig een prop in Mignons bek te stoppen waardoor zij niet loeien kon om het gehele klooster te waarschuwen in wat voor gevaar zij verkeerde. Mignon was daar zeer boos over, want juist had zij dit willen doen, toen zij merkte dat de mannen geen vrienden maar boze mensen waren, die met niet veel goeds in hun zin bij haar of in het klooster gekomen waren.
Maar nu bleef haar niets anders over dan stom en zwijgend met hen mee te gaan, hoewel zij voortdurend schopte en trachtte zich te verzetten en zoveel leven probeerde te maken als zij maar kon. De monniken waren evenwel vast in slaap en lagen ronkend op hun harde britsen, zonder maar enigszins te vermoeden, wat er zo dicht bij hen gebeurde. Alleen Launomarus draaide zich in zijn slaap om en prevelde : “Ho, Mignon, sta stil!”, toen hij het doffe geluid van schoppen hoorde. Maar toch werd zelfs Launomarus niet wakker, om zijn dierbare Mignon te redden uit de handen van de boosdoeners, die haar gestolen hadden.
De rovers gingen haastig met haar door de laan, over de welbekende weide naar het dichte, donkere bos, waar zij haar gemakkelijk konden verbergen voor de ogen van een ieder, die voorbij mocht komen.
Nu was het die nacht wel bijzonder donker, zodat zij slechts zeer flauw konden zien, waar zij zich bevonden, en de paden kruisten en overkruisten elkaar in zoveel richtingen, dat de rovers weldra met elkaar begonnen te twisten over het pad, dat zij eigenlijk nemen moesten. Zij kenden dit gedeelte van de streek niet zo heel goed, want zij waren afkomstig uit een andere provincie. Ze waren alleen maar naar het land van Launomarus gekomen omdat zij gehoord hadden van zijn beroemde koe en omdat zij begerig waren, die te bezitten.
Het duurde niet lang of de rovers waren verdwaald tussen het gewirwar van doornen en struiken en wisten helemaal niet meer waar zij waren of in welke richting zij verder moesten gaan. De een zei: “Laten wij deze weg nemen,” wijzend naar het Noorden en de ander zei: ” Neen, neen! wij moeten deze weg uit,” en hij wees recht naar het Zuiden heen. En de derde pruttelde tegen en zei: “Ho, jongens! niet daarheen, maar deze kant,” en hij wees naar het Oosten, terwijl de vierde Mignon naar het Westen toe keerde en uitriep: “Jullie hebben het allemaal mis, kameraden. Daar moeten we heen.” De vijfde rover evenwel bekende, dat hij het werkelijk niet wist. “Laten wij de koe volgen,” riep hij, “zij is de enige die in het donker zien kan. Ik heb altijd gehoord dat de dieren ons goed leiden, wanneer wij de zaak geheel aan hen overlaten.”
Daar nu de andere rovers niet het minste begrip hadden, welke richting zij moesten volgen, leek hun dit plan even goed aannemelijk als de andere plannen. En zij stroopten het touw over Mignons kop en zeiden: “Ziezo! vooruit koe, wijs jij ons den weg!”
Mignon zag hen door de duisternis heen met haar grote bruine ogen aan, in zichzelf lachend. Het scheen te mooi te wezen om waar te zijn! De rovers hadden haar dus vrij gelaten en vroegen haar hen de weg uit het bos te wijzen, terug naar hun eigen streek. Mignon lachte nog eens een keer in zichzelf, maar nu zo hard dat de rovers dachten dat zij stikte en namen de prop uit haar mond. Dit was juist wat zij wilde, want zij verlangde om weer te gaan herkauwen. En zij schudde de kop en zei vriendelijk: “Boe!” alsof zij zeggen wilde: “Kom maar mee, lieve mensen, ik zal je de weg wel wijzen.” Maar in werkelijkheid dacht ze bij zichzelf: “Aha! mijn brave jongens, nu zal ik je eens een aardig tochtje laten maken.”
Mignon was een zeer wijze koe; zij had niet met gesloten ogen gegraasd in de weiden buiten Chartres, maar had ze integendeel wijd open gehouden, zodat zij alle paden door het bos en de venen kende, van het Noorden naar het Zuiden, zowel als van het Oosten naar het Westen. Zelfs in donker wist zij de weg door het dichtste kreupelbos goed te vinden. Maar zij dacht: “Ik moet de weg niet te gemakkelijk maken voor die boze mannen.” Zij voerde hen in een kring rond, dwars door de modder en de braamstruiken en door moerassen heen, over beekjes en door grote modderige vijvers, al maar in een kring rond, de hele nacht door. Zij hadden graag eens willen rusten, maar ze liep zo hard door, dat zij haar niet konden inhalen om haar eens even te doen stilstaan. Zo moesten zij ook wel doorlopen, want in de duisternis wilden zij haar witte gedaante niet graag uit het oog verliezen. Gebeurde dat, dan zouden zij reddeloos verloren zijn, daar zij nooit uit deze wildernis zouden weten te komen.
Zo liet Mignon hen de hele nacht hijgend en blazend door het nat wadend achter zich aanlopen, zodat zij op het laatst helemaal uitgeput waren; koud en huiverig van het nat, met schrammen bedekt van de doornen en stijf als tien bonenstaken. Toen Mignon hen ten laatste, ongeveer een uur na zonsopgang, op een open plek bracht, straalde hun gelaat van blijdschap.
“Ik geloof dat ik mij deze plek herinner”, zei de eerste rover.”Ja, het ziet er hier zo bekend uit. We moeten zeker dicht bij huis wezen,” zei de tweede.” We moeten zo ongeveer vijfentwintig mijlen af zijn van de monniken van Chartres”, zei de derde, “en ik wilde, dat we wat te eten hadden.” “Over een uur zullen wij de koe veilig in ons eigen hol hebben”, zei de vierde, “en dan zullen we wat brood en melk krijgen.” Maar de vijfde viel hem in de rede en zei: “Kijk eens! Wie is die man daar in het grijs?” En terwijl ze in de aangewezen richting keken, begonnen de rovers opeens hevig te beven. Maar Mignon riep met luide stem, blij verrast: “Boe!” en rende naar de man toe, die achter het kreupelhout te voorschijn was gekomen. Het was Sint Launomarus in eigen persoon. Overal had hij gezocht naar zijn kostbare koe, want toen hij naar de schuur gegaan was om Mignon te melken, had hij deze leeg gevonden en haar sporen met die van de vijf rovers in de vochtige aarde hadden hem de gehele geschiedenis verteld en hem tevens gewezen welke weg het gezelschap genomen had. Maar het was niet het plan van de heiligen Launomarus om de rovers te bestraffen of angst aan te jagen. Hij ging naar hen toe, want zij waren zo geschrokken toen zij hem zagen, dat zij nog altijd bevend aan dezelfde plek vastgenageld stonden en helemaal vergeten hard weg te lopen. “Goedemorgen, vrienden,” zei Launomarus vriendelijk. “Ik zie, dat jullie mijn koe teruggebracht hebben, die vannacht voor het eerst in haar leven haar stal verlaten heeft en ver weg is gelopen. Ik dank u, goede vrienden, dat jullie mijn Mignon teruggebracht hebben, want niet alleen is zij een schat op zichzelf, maar zij is mijn beste vriendin, en ik zou heel ongelukkig geweest zijn wanneer ik haar kwijt geraakt was.”
De rovers staarden Launomarus sprakeloos van verbazing aan en konden hun oren en ogen nauwelijks geloven. Waar kwam die man vandaan? Wat bedoelde hij eigenlijk? Maar toen zij tot het besef
kwamen hoe vriendelijk zijn stem was en merkten dat hij hen niet beschuldigde, noch hen wilde straffen, waren zij zéér beschaamd. Vol schuldgevoel bogen zij het hoofd en als door een en hetzelfde gevoel gedreven, vielen zij tegelijk neer aan zijn voeten, terwijl een van hen bekende hoe alles zich had toegedragen en hem vergiffenis vroeg.
“Wij hebben de koe gestolen, Meester,” zei de eerste. “En haar zoveel mijlen ver weggebracht,” zei de tweede. “Wij zijn boze rovers en verdienen gestraft te worden,” zei de derde. “Maar wij smeken U ons te vergeven,” riep de vierde uit. “Laat ons heen mogen gaan, goede Vader, smeken wij U,” verzocht de vijfde. “En wees zo goed ons op de rechte levensweg terug te brengen, want wij zijn daar helemaal van afgedwaald”.
“Neen, neen,” antwoordde Sint Launomarus vriendelijk, “de koe heeft u een lange weg laten maken, is het niet zo en jullie zullen zeker wel erg moe en hongerig zijn. Jullie kunnen nu niet verder reizen.”
En inderdaad waren zij te deerniswaardig om aan te zien, zodat het hart van de Heilige met medelijden vervuld was. “Volgt mij,” zei hij. En zij waren te zwak en te vermoeid om ook maar aan
ongehoorzaamheid te denken. Zo vormden zij in alle ootmoed met hun zevenen een processie, Launomarus en de koe vrolijk vooruit lopend. Want deze beiden waren zeer verheugd weer bij elkaar te zijn en liefdevol had Launomarus onder het gaan zijn arm om Mignons glanzende nek geslagen. Hoe groot was de verbazing van de vijf rovers, toen zij na verloop van een paar minuten een hoek omsloegen en opeens het klooster vlak voor zich zagen, met dezelfde schuur waaruit zij Mignon in de afgelopen nacht gestolen hadden! Al die tijd dus had de verstandige koe hen in een grote kring rondom haar eigen huis geleid. Na al dat waden door de modder en dat kruipen door het struikgewas in donker, waren zij in de morgen nog niet verder gekomen op hun tocht dan zij in het begin geweest waren. Wat een wijze koe was dat geweest! En wat een heerlijk ontbijt van pap en hooi en zoete koolraap gaf Launomarus haar, omdat zij ‘s nachts zo hard gewerkt had.
De vijf rovers kregen ook een goed ontbijt, maar waarschijnlijk genoten zij er niet zo van als Mignon, want hun geweten was bezwaard. Daarbij zaten zij aan tafel in het klooster en stonden alle monniken er op een rij zwijgend en met vrome gezichten bij, wat niet geschikt was om hen op hun gemak te stellen.
Toen de rovers hun brij aten, zei Launomarus zacht: “Deze is van Mignons melk gemaakt, vrienden. Het is de beste melk uit geheel Frankrijk, die u heden voor uw ontbijt van harte gegund is, daar wij alle reden hebben om dankbaar te zijn, dat jullie die niet voor altijd buiten ons bereik hebt gebracht. O, mijn vrienden, wij zouden zo’n kostbare koe, zo’n goede vriendin, zulk een trouwe leidsvrouw moeilijk kunnen missen. Ik vertrouw dus, dat jullie haar diensten niet meer nodig zullen hebben. Bij daglicht zullen jullie zeker wel alleen je weg naar huis kunnen vinden, wanneer ik u die wijs. De straatweg is ruim en recht voor eerlijke lieden. Ik raad u, die rechte weg te gaan.”
Toen zij verfrist en uitgerust waren, deed Launomarus hen uitgeleide en wees hun de weg die zij te gaan hadden, zoals hij beloofd had. Hij en Mignon stonden op de top van een kleine heuvel en keken hen na of zij wel het goede pad hielden. Toen zij uit het gezicht verdwenen waren, keerden zij zich om en keken elkaar aan, de wijze Heilige en de wijze koe. En beiden lachten zij in zichzelf.

Bewaren

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: