‘KAREL LOTSY VERDIENT EEN REHABILITATIE’

Frank van Kolfschootenzie eerder:
Karel Lotsy / De casus Lotsy (1) /
De casus Lotsy (2) /

De kritiek op Lotsy is meer dan terecht

Frank van Kolfschooten (Den Haag, 1959) is freelance onderzoeksjournalist. Hij schrijft over wetenschap, sport en geschiedenis. Zijn artikelen verschenen onder meer in NRC Handelsblad, Intermediair en Hard gras. Van het voetbalblad Hard gras is hij ook eindredacteur. Hij schreef eerder het boek “Valse Vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse Wetenschap”, “De Koningin van Plan Zuid. Geschiedenissen uit de Beethovenstraat” en “De bal is niet rond. Verrassende feiten over voetbal”. Begin 2009 verscheen van hem “De Dordtse Magiër. De val van volksheld Karel Lotsy”, dat recentelijk op deze site werd gerecenseerd. De recensent had op donderdag 8 juli jl. in Amsterdam naar aanleiding van het boek en de recensie een interview met de auteur.

Op 1 juni jl. verscheen op deze site een recensie van mijn hand van “Een sportman doet niet aan politiek” van de historicus André Swijtink, de dag daarop gevolgd door een interview met de auteur. Daarin betoogde hij dat naar zijn mening alle kritiek op de Nederlandse sportleider Karel Lotsy meer dan terecht was. Een stelling die in zijn boek ook al uitdrukkelijk aan de orde was geweest. Deze visie over het functioneren in de oorlogsjaren van Lotsy onttrok een beetje aan het oog dat hier voor het eerst een deugdelijke verhandeling over de sportbeoefening in de Tweede Wereldoorlog werd geschreven. De media pikten echter bijna alleen de controverse rondom de voormalige KNVB-bobo op. Bij die discussie had Swijtink gerenommeerde journalisten als Frits Barend, Adriaan Venema en Matty Verkamman aan zijn zijde. De tegenreactie kwam van Frank van Kolfschooten, die begin 2009 het boek “De Dordtse Magiër” publiceerde en eerherstel voor Lotsy bepleitte. Een discussie die tussen de beide kampen soms wat hoog oplaaide en niet altijd beperkt bleef tot wetenschappelijke argumentatie. Het was dan ook niet verrassend dat Van Kolfschooten zich al snel na de publicatie van recensie en interview zich bij me meldde om enige correcties op beweringen van Swijtink door te geven. Reden om ook zijn boek direct te lezen en met de Amsterdamse onderzoeksjournalist een gesprek aan te gaan. Uit het interview komt aan de hand van enige voorbeelden goed naar voren op welk detaillistisch niveau de discussie soms plaatsvindt en dat de uiteindelijke beoordeling over Lotsy zeker in het kamp Barend c.s. aanzienlijk minder is gebaseerd op betrouwbare feiten dan op subjectieve waardeoordelen.

FvdM: Andre Swijtink merkt op dat je boek “De Dordtse Magiër” gebukt gaat onder tunnelvisie en noemt het ook eerder een kritiekloze hagiografie dan een deugdelijke biografie over de persoon Karel Lotsy. Wat is je eerste reactie op deze kritiek en eerst, vanwaar deze fascinatie voor de persoon van Karel Lotsy?
FvK: De fascinatie komt uit mijn jeugdjaren in Den Haag, waar mijn vader me vaak meenam naar het voetbalterrein van V.U.C. en dan vertelde over de donderspeeches van Karel Lotsy in de zogenaamde “wondertent”. Lotsy was voor hele generaties Nederlandse voetballiefhebbers een held, iemand die wonderen verrichtte met een voetbalteam dat daarvoor armzalige resultaten haalde en nu ineens schitterde. Verder heb ik altijd een fascinatie gehad voor sport en voetbal in het bijzonder. In mijn boek “De bal is niet rond” ben ik uitvoerig ingegaan op de combinatie van voetbal en wetenschap, met als boodschap dat structurele analyses over een lange periode nuttig zijn voor de technische staf. Een inzicht dat steeds meer terrein wint. Ook heb ik altijd een fascinatie gehad voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Daarover gaat mijn boek over de Beethovenstraat, met allerlei levensgeschiedenissen van de toenmalige bewoners van de straat waar ik nu zelf woon. Tijdens de presentatie van een biografie over de Rotterdamse havenbaron Van Beuningen vroeg de directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds mij of ik ook niet eens een biografie wilde schrijven. Daaruit kwam het idee voort om een onderzoek te gaan doen dat een link had met zowel de Tweede Wereldoorlog als met sport. Karel Lotsy was de ideale figuur om vijftig jaar sportgeschiedenis te beschrijven zeg maar het tijdperk van de amateursport. Bovendien was hij door zijn handelen in de oorlog inmiddels een omstreden figuur geworden en ik had de discussies daarover in de Amsterdamse kranten goed gevolgd. Een omstreden figuur is voor een onderzoeker en journalist een dankbaarder onderwerp dan een braverik. Het is niet zo, zoals Swijtink wellicht denkt, dat Lotsy voor mij bij aanvang van mijn werk op een hoog voetstuk stond. Ik heb simpelweg alles wat ik over en met betrekking tot hem heb kunnen vinden op papier gezet en daarbij was feitelijk weinig fouts te melden. Als ik allerlei kwalijke zaken had gevonden, had ik die uiteraard ook gepubliceerd.

FvdM: Uit je boek komt Lotsy naar voren als een figuur die mij qua karakter erg deed denken aan David Cohen. Die was vanaf zijn jeugdjaren actief om de Joodse belangen te behartigen, zowel voor de Nederlandse Joden als de tienduizenden vluchtelingen uit Duitsland en Oost-Europa die vanaf 1933 naar Nederland kwamen. Hij onderhandelde altijd met de overheden om te komen tot voor iedereen aanvaardbare en uitvoerbare compromissen, vanuit een heilig vertrouwen in de oprechtheid en betrouwbaarheid van deze overheden. Hij besefte blijkbaar niet of anders zeker te laat, dat de Duitse overheid van een aanzienlijk ander karakter was. Hij kwam in de rol te zitten uitvoerder te worden, wat hij ook deed onder het motto dat er gered moest worden wat gered kon worden. Lotsy heeft zich er vanaf zijn prille jeugd in een eindeloze hoeveelheid van functies en bij diverse verenigingen en bonden, voor ingezet de Nederlandse sport naar een hoger plan te tillen. Ook hij werkte met de officiële gezagdragers, in wie hij een absoluut vertrouwen had en vanuit een levenslang motto dat sport en politiek niet samengaan, zoals ook sport en commercie niet te koppelen zouden (moeten) zijn. En ook hij besefte niet of pas te laat dat de Duitse overheid van een andere signatuur was, een waar in elk geval politiek en sport niet te scheiden was en hij dus uitvoerder dreigde te worden van het beleid van de bezetter.
Frank van Kolfschooten - De Dordtse MagiërFvK: Mooie vergelijking, maar er zijn toch ook wel levensgrote verschillen. Cohen werd daadwerkelijk een uitvoerder en tot het bittere eind. Hij ging als voorzitter van de Joodse Raad beslissen wie wel en wie niet op de trein naar Westerbork moest worden gezet. Hij besliste als het ware over leven en dood. Lotsy moet je vergelijken met een burgemeester in oorlogstijd, die probeerde de boel draaiende te houden zonder vuile handen te maken. Iemand moet ten slotte het vervelende werk doen. Lotsy heeft dat in het begin van de oorlog een tijdje gedaan, maar heeft snel beseft dat hij moest stoppen met de functies in samen-werking met de bezetter. Natuurlijk had hij daarna als belangrijk sportbestuurder, hij was vanaf 1942 onder meer voorzitter van de Nederlandse Voetbal Bond (NVB), contact met de Duitsers. Maar dat hadden zo vele sportbestuurders, hij week op dit punt eigenlijk niets af van anderen. Hij was wel invloedrijker, de voetbalbond was immers de grootste bond en hij had enorm veel buitenlandse contacten als sportbestuurder. In de eerste oorlogsmaanden heeft hij wel gezorgd voor de eenwording van sportbonden. Zo waren er binnen het voetbal verschillende landelijke bonden, waarbij er al voor de oorlog door velen de wens was uitgesproken dat deze verzuilde bonden moesten worden samengevoegd tot één krachtige landelijke voetbalbond. De KNVB van Lotsy was daarvan de sterkste voorstander. Deze redelijk breed gedragen wens kwam overeen met de wens van de Duitsers, om heel andere redenen weliswaar, te komen tot één bond. Binnen enkele weken na mei 1940 was de eenheid binnen de voetbalwereld een feit en daarna volgde een groot aantal andere bonden. Je moet je toch ernstig afvragen of dit nu zo vreselijk is.

FvdM: De eenwording ging natuurlijk wel met enige dwang gepaard en Lotsy was degene die de boodschap namens de Duitsers overbracht.
FvK: Inderdaad, hij bracht de boodschap over. Zo zag hij dat zelf ook, zo zagen al zijn tijdgenoten dat en zo zag ook de Zuiveringscommissie na de oorlog dat. Lotsy was geen uitvoerder, maar een boodschapper. Lotsy was een realist, hij beschouwde de Duitse bezetting als een feit en had net als bijna iedereen op dat moment de inschatting dat deze bezetting wel eens lang kon duren. De gedachte was dat de eenwording van bonden toch onvermijdelijk zou zijn en dat de bonden het dan beter zelf konden doen in plaats van dat een Duitser of een NSB’er dat deed. En ja, hij heeft er toen op gewezen dat de Duitsers het niet zouden accepteren dat in die nieuwe besturen Joden zitting zouden hebben. Dat was ook simpel zo en hij heeft die boodschap overgedragen om de nieuwe bonden te waarschuwen voor sancties die anders zouden worden genomen. Bedenk, we hebben het hier over de eerste maanden van de bezetting, de tweede helft van 1940. Op dat moment was toch bij niemand bekend welk vreselijk lot de Joodse bevolking zou treffen. Ook binnen de Joodse verenigingen werd, een enkeling daargelaten, geaccepteerd dat het beter was rustig te blijven en af te wachten wat er zou gebeuren, vanuit de overtuiging dat de soep niet zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend. Het zou heel anders zijn geweest als Lotsy’s handelingen gesitueerd moesten worden in het najaar van 1943, toen de gebeurtenissen inmiddels een radicale en rampzalige wending hadden genomen. Dan zou zeker sprake zijn geweest van verwijtbare collaboratie, in 1940 ligt de zaak nog compleet anders.

FvdM: Maar hoe zit het dan met de verwijten dat hij actief heeft meegedaan aan antisemitische beleidsmaatregelen? Swijtink heeft de stelling dat op de lijn “Verzet – Accommodatie – Collaboratie” Lotsy zeker niet aan verzet heeft gedaan en dat zijn handelswijze toch eerder als collaboratie dan als accommodatie moet worden gezien.
FvK: We zijn het er over eens dat Lotsy zeker geen verzet heeft gepleegd. Het gaat er dan vervolgens om de feiten goed op een rijtje te zetten en daar een conclusie uit te trekken. Voor mij staat het dan vast dat Lotsy’s handelswijze alleen maar als accommodatie kan worden omschreven. Want waaruit bestaat nu de onderbouwing van het verhaal van de tegenstanders? Die is grotendeels gebaseerd op valse verklaringen van oud-scheidsrechter Leo Horn en oud-international Bram Appel. Van beide figuren kan worden aangetoond dat hun beweringen onderbouwing missen en vaak door anderen worden tegengesproken en van beiden weten we dat ze erg rancuneus waren richting de KNVB en de persoon Karel Lotsy als personificatie daarvan. Het artikel van Frits Barend waarmee de aanval op Karel Lotsy wordt gelanceerd wordt klakkeloos overgenomen door anderen, zonder enige verdere controle. Sommige zaken worden vervolgens verkeerd geïnterpreteerd of, wat echt kwalijk is, selectief of ronduit verkeerd gebruikt. Een voorbeeldje: de uitsluiting van de Joden uit sportbesturen werd in september 1940 in gang gezet door Hendrik Jan Reinink, tot 27 november 1940 de secretaris-generaal op het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en één van de vier oprichters van de Nederlandse Unie. Deze politieke partij was voorstander van de eenheidsgedachte en tegenstander van politieke verdeeldheid. Ze was van mening dat het verstandig was als nieuwe landelijke politieke beweging zich aan te passen bij de gewijzigde politieke en maatschappelijke situatie. Op deze manier zou men de verdeeldheid onder de goede Nederlanders kunnen overwinnen en de opmars van de NSB kunnen verhinderen. De partij was de eerste oorlogsjaren erg populair onder de Nederlandse bevolking en werkte samen met de bezetter. Reinink besefte als snel dat het een dwaalspoor was, stapte direct na de oprichting al uit de beweging (reden waarom altijd naar de drie andere oprichters wordt verwezen, met de latere premier De Quay als belangrijkste), had toen contacten met personen in het verzet en had na de oorlog weer belangrijke functies binnen de ambtenarij. Deze Reinink dus nam tot december 1940 het initiatief tot eenwording van de sportbonden, de zuivering van leerboeken en schoolbibliotheken en de verwijdering van Joodse docenten uit onderwijsinstellingen. Vanwege de steeds verder oprukkende nazificatie van de universiteiten en groeiende Duitse invloed op de besturen van universiteiten en hogescholen nam hij echter per 1 december 1940 ontslag. Hij werd opgevolgd door prof. dr. J. van Dam, die heel erg pro-Duits was. Swijtink verzwijgt dat Lotsy in de periode dat hij actief was in de unificatie samenwerkte met de onomstreden Reinink en geeft de suggestie dat hij dat deed met de beruchte Van Dam. Er wordt niet opgemerkt dat Lotsy’s houding min of meer parallel loopt aan die van Reinink en de beginfase van de Nederlandse Unie. Waarom wordt postuum Lotsy nu wel met terugwerkende kracht tot collaborateur uitgeroepen en Reinink niet? Swijtink heeft ook een heel verhaal over de Zuiveringscommissie die min of meer door Lotsy zou zijn samengesteld en dus vol vriendjes van hem zat. Aantoonbaar onjuist. Hij creëert ook een beeld dat er op het Olympiaplein vrolijk werd doorgesport, terwijl een paar meter verderop een grote razzia op de Joden plaatsvond. In zijn proefschrift was dat nog acceptabel, hij verwees toen naar een passage uit een boek van Herzberg, waarvan hij kennelijk niet wist dat Herzberg die later had herroepen. Na het verschijnen van zijn proefschrift is Swijtink gewezen op de onjuistheid van die passage. Hij laat die nu echter in zijn nieuwe versie gewoon staan als zijnde een mooie sfeertekening over de laffe en machteloze houding van de bevolking tegenover de Jodenvervolging, maar zegt dan in een voetnoot dat dit verhaal niet klopt. Dat noem ik geen zuivere geschiedschrijving. Zo zijn er tal van voorbeelden in het boek van Swijtink, en nog erger in de passages over Lotsy bij Verkamman en Venema.

FvdM: Toch zijn het allemaal bekende en gerespecteerde auteurs. Zien die het dan allemaal verkeerd?
FvK: Goed wetenschappelijk onderzoek, en ook goede journalistiek, begint bij gedegen archiefonderzoek. Alle stukken waar anderen gebruik van hebben gemaakt nog eens lezen en kijken of het wel klopt, kijken of er nieuwe feiten boven tafel kunnen worden gebracht. Frits Barend heeft in wezen een gedegen artikel geschreven, maar zich in zijn conclusies te veel laten leiden door de onbetrouwbare verklaringen van Horn en Appel. Dat kan gebeuren, maar hij had de grootheid moeten hebben dat later te erkennen. In plaats daarvan heeft hij zich vastgegraven in zijn eigen gelijk. Hij kan blijkbaar geen kritiek dulden of toegeven dat hij zich heeft vergist. Andere auteurs als Venema en Verkamman hebben op dit punt niet of nauwelijks eigen onderzoek gedaan. Ze hebben klakkeloos het artikel van Barend overgenomen, aangevuld met latere interviews van Leo Horn. Iedereen dient toch te weten hoe voorzichtig je moet omgaan met mondelinge bronnen. Zo verwijst de Duitse Sport- und Pressereferent Hermann Harster in interviews met Swijtink zo’n veertig jaar na dato naar Lotsy als de persoon met wie hij de hele oorlog contact had. Dat wordt zonder enige verdere speurwerk of vraagtekens overgenomen als bewijslast tegen Lotsy. Er is geen enkel bewijs dat zijn stelling ondersteunt en het is goed denkbaar dat hij hier Lotsy verwart met een andere sportbestuurder, Wim Klarenbeek (FvdM: voorzitter van de Nijmeegse voetbalbond, secretaris van Quick Nijmegen, verkoopleider van zeepfabrikant Dobbelmann en assistent chef de mission van Lotsy bij de Spelen van Berlijn. Klarenbeek was sinds 1934 lid van de NSB, maar wist dat tot juli 1943 voor iedereen binnen de NVB verborgen te houden.) Dat alles overgoten met een uitgesproken moreel standpunt over goed en fout in de oorlog. Alsof het altijd zo’n makkelijke zwart-wit tegenstelling was. Swijtink heeft aanzienlijk beter onderzoek gedaan dan iemand als Verkamman, maar heeft last van datzelfde morele standpunt en laat soms feiten weg die niet goed passen in zijn zwart-witplaatje. Daarmee zondigt hij tegen de normen van serieuze wetenschap, zo behoor je niet met bronnen om te gaan. Ik heb geprobeerd heel simpel alle gegevens nauwkeurig uit te zoeken, goed te plaatsen in de tijd waarin ze plaatsvonden en ze neutraal neergeschreven. Dat mondt dan uit in de simpele conclusie dat Lotsy in wezen weinig te verwijten was en dat hem groot onrecht is aangedaan.

FvdM: Hoe reageerde de sportwereld hierop, met name de KNVB?
FvK: Teleurstellend. Michael van Praag en Erica Terpstra waren namens de KNVB en het NOC*NSF uitgenodigd voor de officiële presentatie van het boek, maar lieten verstek gaan. Je zou denken dat ze blij zouden zijn met een oproep tot eerherstel van de bestuurder die voor beide sportorganisaties zoveel heeft betekend. Blijkbaar zijn ze nog niet zo ver en tot op heden heb ik nog geen enkel teken gehad dat ze het boek hebben gelezen en de conclusies ter harte hebben genomen. Jammer, want Karel Lotsy verdient een rehabilitatie. Hopelijk komt het er alsnog van.

Dit interview van Frans van den Muijsenberg verscheen eerder op www.go2war2.nl

Frank van Kolfschooten
De Dordtse magiër
De val van Volksheld Karel Lotsy
Uitgever: Nieuw Amsterdam, 400 pagina’s
ISBN: 978-90-468-0573-2 / NUR 491

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

2 thoughts on “‘KAREL LOTSY VERDIENT EEN REHABILITATIE’

  1. Pingback: DIRK LOTSY | MUIZENEST

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: