PAUL VAN OSTAIJEN (1896-1928)

vanostaijen3Het is vandaag de 121ste geboortedag van de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen, het jongste kind van een Nederlandse vader (afkomstig uit het Brabantse Steenbergen) en een Vlaamse moeder. Leopold Andreas van Ostaijen (Antwerpen, 22 februari 1896 – Miavoye-Anthée, 18 maart 1928) had bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit; pas op zijn tweeëntwintigste verkreeg hij de Belgische nationaliteit. Al op de middelbare school in Antwerpen stond Van Ostaijen bekend als een enfant terrible. Na eerder van het Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwecollege te zijn gestuurd wegens het bezitten en verspreiden van ‘verboden literatuur’ (het ging om boeken van Emile Zola, Honoré de Balzac, Henrik Ibsen, van Eeden, Leo Tolstoj en Camille Huysmans; tegenwoordig zou je erom geprezen worden als je dergelijke topliteratuur nog steeds zou lezen!), ging hij naar het Koninklijk Atheneum. Daar sloot hij zich aan bij de ‘Vlaamsche Bond’, een groepering Vlaamsgezinde Atheneumleerlingen. In juli 1913 werd hij ook daar van school ge­stuurd waarna hij een paar maanden later op het stadhuis van Antwerpen aan de slag ging als klerk.

Op 4 augustus 1914 begon de Eerste Wereldoorlog, op 28 september van dat jaar is er de Duitse aanval op de vestingstad Antwerpen. Op 4 oktober 1914 behoorden Paul en zijn oudere broer Constant tot de laatste groep burgers die van Hove naar Antwerpen vluchtten. Na nog een kort verblijf bij een oom in Steenbergen keerde het gezin Van Ostaijen eind oktober 1914 weer terug naar Antwerpen. Vanaf dat moment stort Van Ostaijen zich in het bruisende Antwerpse nachtleven en werd er al snel een bekendheid werd onder kunstenaars, intellectuelen en bohémiens. Maurice Gilliams beschrijft hem als ‘de dandy, de lord in het machtig grauwe Antwerpen’. Volgens zijn vriend Gaston Burssens kleedde Paul zich na het zien van een Engelse film zodanig, dat hij enige tijd ook wel ‘Meneer 1830’ werd genoemd. Van Ostaijen was een links-progressieve flamingant die tijdens de Eerste Wereldoorlog ook anoniem schreef voor de activistische ‘Vlaamsche Courant’. Hij werd daarvoor op 17 november 1920 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete van vijfhonderd frank. In januari 1918 was hij al eens veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en een geldboete wegens smaad aan kardinaal Mercier. Tijdens een betoging had Van Ostaijen samen met vijf anderen de franskiljonse kardinaal Mercier uitgefloten toen die in Antwerpen deel nam aan een grote processie. Door toedoen van het Duitse bestuur hoefde hij echter niet de cel in.

Om vervolging te voorkomen vluchtte Van Ostaijen na de Eerste Wereldoorlog samen met zijn vriendin Emma Clément naar Berlijn. Zwaar ontgoocheld door het mislukken van de communistische Spartacusopstand en gefrustreerd door de armoedige, grimmige levensomstandigheden verzeilde hij er in een diepe geestelijke crisis. In Berlijn kwam hij in contact met literatoren (Thomas Mann, Stefan Zweig, Herwarth Walden) en Bauhaus-kunstenaars die het kubisme, dadaïsme of expressionisme aanhingen. Zo raakte hij bevriend met Fritz Stuckenberg, Heinrich Campendonk en Georg Muche. Onder invloed van de filosoof Salomo Friedländer (pseudoniem Mynona) begon hij ook proza te schrijven en raakte hij in de ban van het genre van de groteske. Tijdens zijn Berlijnse ballingschap schreef hij o.a. het bekende ‘Huldegedicht aan Singer’ en een ‘In Memoriam’ voor de overleden ‘Vlaamse martelaar’ Herman Van den Reeck. Zijn filmscenario De bankroet jazz is “waarschijnlijk het eerste filmscenario dat in de Nederlandse taal is overgeleverd en tegelijkertijd het eerste volwaardig dadaïstische filmscenario ter wereld.” Het is rond 1921 geschreven maar werd pas in 1996 voor het eerst uitgegeven. In 2008 werd het door regisseur Leo van Maaren bewerkt tot een korte speelfilm.

Na zijn terugkeer uit ballingschap naar België in mei 1921 kreeg Van Ostaijen ‘bestuurlijke amnestie’ waardoor zijn gevangenisstraf werd opgeheven. Na het vervullen van zijn dienstplicht in het Duitse Krefeld in 1922 werkte hij even in een drukkerij en publiceerde hij enkele tijdschriften. In 1925 opende hij in Brussel kunstgalerie ‘A la vierge poupine’ die al na een jaar werd opgedoekt. Zijn laatste levensjaren leed hij aan tuberculose. Tijdens zijn verblijf in het privésanatorium ‘Le Vallon’ in het dorpje Miavoye-Anthée nabij Dinant werkte hij samen met Edgar du Perron en Gaston Burssens nog aan het tijdschrift ‘Avontuur’. Van Ostaijen overleed vereenzaamd op 18 maart 1928 aan de gevolgen van zijn ziekte. Hij werd aanvankelijk in Miavoye-Anthée begraven, maar werd na aandringen van Burssens herbegraven op het Antwerpse Schoonselhof. Op 8 november 1952 kreeg hij er zijn definitieve rustplaats op het erepark.

In zijn laatste levensjaren propageerde Van Ostaijen de ‘zuivere lyriek’: pure klankpoëzie zonder bijbedoelingen. Het gedicht moest ‘geontindividualiseerd’ zijn, autonoom, los van de werkelijkheid en de gevoelens van de dichter. Zijn laatste gedichten werden postuum uitgegeven onder de titel Nagelaten gedichten. De  modernistisch Vlaams dichter en prozaschrijver is bij het grote publiek vooral bekend om gedichten als ‘Huldegedicht aan Singer’, ‘Rijke Armoede van de Trekharmonica’, ‘Alpejagerslied’, ‘Boem Paukeslag’, ‘Avondgeluiden’, ‘Melopee’ en ‘Marc groet ’s morgens de dingen’. Hieronder twee fraaie voorbeelden van de klankpoëzie van Van Ostaijen.

boempaukeslag  bam-kapot

 

 

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: