FRANS ERENS – MARCELLUS EMANTS

.
Recensie van Frans Erens bij het verschijnen van ‘Op Zee’ van Marcellus Emants (1899)
Opgenomen in ‘Literaire Wandelingen’, 1906, pagina 331-341.

Indien er een Hollandsch schrijver moest worden aangewezen, die het best de kunst en de aspiraties der laatste 25 jaren in ons vaderland uitdrukt, zoo zou men verstandig doen den naam van Emants te noemen. Uit hem spreekt het best de ziel van den huidigen dag, haar folteringen en geneugten. Niet dat hij zoo hoog boven het gescharrel en gedoe van heden staat, maar zijn geest is een zuivere spiegel der huidige onrust en zwoele ontevredenheid. Toch laat deze auteur zijn gedachten in breeden zielskring bewegen en de wereld van zijn gevoel is eene groote. Daarin worstelt de mensch met zijn verveling en wanhoop en vruchteloos zoeken naar rust en vrede. Zooals geen ander heeft hij den gecompliceerden sensatie-mensch geteekend uit de beschaafde Hollandsche kringen. Waar Couperus meer uitzonderingsnaturen heeft gecreëerd en meer subtiele sentimenten heeft tentoongesteld, daar heeft Emants den meer deftigen en zwaarwegenden Hollander gekozen tot zijn model. Ook zijn vrouwen zijn geen buitengewoon fijne zielen zooals Eline Vere of die in Parijs wonende Hollandsche uit Metamorphose, maar meer het algemeen type der Haagsche.
.
De roman of noem het novelle, geheeten ‘Op Zee’, bevat voortreffelijke gedeelten naast minder geleidelijk zich afspelende. Somtijds, ja meestal zijn bij een auteur duidelijk aan te wijzen de gronden van de voortreffelijkheid en die van de tekortkomingen en zwakkere bladzijden. Ik zeg meestal, doch het kan gebeuren dat wij bij het lezen van een twintigtal bladzijden met moeite en langzaam in de ideeënwerelden voortsukkelen en dat wij niet kunnen uitmaken of het aan onszelven of aan den schrijver ligt en wij voor onszelven het ondeelbare moment der juiste beoordeeling niet kunnen bereiken. Dit komt dan dikwijls doordat de auteur, omzweefd door een te groot aantal ideeën en voorstellingen, in de keuze van het opteekenen aan het weifelen is geraakt en dat wij zoo maar niet direct kunnen waarnemen. Want is de weifeling bij den auteur veelvuldig en sterk, zoo is hij misschien een zeer superieure geest maar een minder volmaakt kunstenaar voor dat oogenblik. ’t Is dan niet gebrek aan voorstellingen maar overvloed van ideeën. Er zijn dan gapingen of lacunes in den tekst, die wel door ’s auteurs gedachten werden gevuld, maar die hij verzuimd heeft op te teekenen. Wij moeten dan springen en soms halsbrekende geestestoeren doen en onze sensatiestroom wordt gedwongen tot noodlottige verbrijzeling. Wij
hebben bij het lezen van ‘Op Zee’ wat met dezen overvloed te kampen. De auteur lijkt vaak een veldheer die over breede scharen van troepen beschikt, maar somtijds op het beslissende moment aan het weifelen slaat. De tactiek van een cunctator is niet overal aan te wenden.

De heer Satis maakt een reis naar Indië en terwijl hij op het dek van het schip zit te peinzen en soezen ziet hij in gedachten zijn geheel verleden voorbij trekken. Zijn kindsheid en jeugd, zijn debuts als auteur, zijn huwelijk, zijn getrouwd zijn, de dood zijner vrouw, zijn leven met een maitresse en haar vleeschelijke lusten en hij voelt het weinig bevredigende van alle aardsche genoegens. Zeer gevoelig is hij in zijn ijdelheid van schrijver, maar ook die glorie bevredigt hem niet: wat beteekent het in ons land bekend te worden indien die naam de grenzen niet overschrijdt, zooals bij andere Europeesche volken? En dan, die hem kennen, wat begrepen zij van hem en toch is hij al gauw tevreden; hij neemt een meisje tot vrouw omdat zij het een en ander van hem heeft gelezen en hij is later gecharmeerd op een jonge dame uit Indië omdat zij weet dat hij een schrijver is. Zijn vriend Passtra, de ontnuchterend verstandige ironische man die in alles door zijn luchtig hart en zijn wijsgeerige opvatting van het leven wordt gedragen, troost den ongelukkigen Satis heel vaak en brengt zijne hollende fantasieën weer op het rechte pad. Zooals Faust Mephisto, en Goethe Merck noodig had, zoo  wordt de natuur en het karakter van Satis door die van Passtra gecompleteerd. De hoogere wordt gesteund door den sterkere en de sterkere door den hoogere. Het zijn twee zielen die elkander noodig hebben en die niets aan elkaar verborgen houden. Waarom Passtra hem eigenlijk had aangetrokken vraagt Satis zich af. Hij voelde het wel, maar hij voelde tevens dat hij ’t moeilijk in woorden aan een derde zou kunnen meedeelen. Die Passtra leert hem de maatschappij met andere oogen aanzien en de grondslag van Passtra’s karakter was een groote waarheidszin. Satis wilde weten en wist niet dat weten leidt tot twijfelen en dit tot vertwijfelen. Het vertwijfelen is het heen en weder worden geworpen tusschen twee meeningen of gevoelens en het niet vermogen een dier beide duurzaam te blijven aankleven. Zoo zag hij vandaag de wereld goed en mooi en morgen leelijk en wrang. Zoo verkeert hij steeds in een denkbeeldige wereld. Het was Passtra’s taak hem steeds daaruit te rukken en evenwicht te brengen tusschen de hersens van Satis en die van de hem omringende menschen. Wanneer hij zich beklaagt over het onrecht dat in de maatschappij geschiedt, vraagt Passtra hem of hij er dan iets beters voor in de plaats weet te stellen. Passtra is een van die menschen die nooit met een antwoord verlegen zijn, aan niets twijfelen, scherp denken, handig met menschen omgaan, precies niet gelukkig zijn, want geluk genieten doen zij slechts tot op zekere hoogte, precies ook nooit ongelukkig zijn, want door hun sterken geest zijn zij daarvoor behoed. Alhoewel noch met de daad artiest, noch met de gedachte, hebben zij toch op werkelijk groote mannen invloed gehad. Zoo hechtte zelfs Goethe aan het oordeel van Merck, die in geen enkel opzicht anders van eenige artistieke gave heeft blijk gegeven. Wel vreemd op den eersten oogopslag, maar toch niet ten onrechte. Deze soort menschen brengen toch het kunstwerk met de wereld en de maatschappij in harmonie of ‘Einklang’ zooals de Duitschers zeggen. Zij leiden de droomen des dichters wederom op de paden der werkelijkheid, wanneer die te ver zouden zijn afgeweken, of gevaar loopen de voeling met de aarde te verliezen. Want ook de dichter krijgt telkens weer nieuwe krachten in zijn aanraking met de aarde die hem moet sterken met het magnetisme der gemeenschap, waarna hij weer zijn vlucht kan nemen naar velden van eenzaamheid en droomen. Raakt hij de gemeenschap met de menschen voor goed kwijt zoo ontrieft hij zich van het noodige levenssap van denk- en voelvermogens. Zoo is dan Passtra voor den auteur Satis een precieuse vriend, die hem belangloos zijn feilen en fouten toont, iedere conversatie met den noodigen humor besprenkelt en ze wel gemosterd en wel gepeperd tot een smakelijk gerecht des geestes weet te maken.

Het huwelijk van Satis was maar half gelukkig. Zijn vrouw oppervlakkig, jolig en vroolijk bekoorde hem in den beginne zeer. ‘Haar dartele spot verzoende hem met het zijn, net als het sarcasme van Passtra; maar beter dan Passtra voerde zij hem tot de menschen terug, die hij niet ontberen kon en toch weer telkens ontvlood, menigeen rekende haar dat spotten juist als een fout aan, verweet haar dat zij erbarmingloos den draak stak met al, wat haar maar eenigszins lachwekkend voorkwam’.
Maar:
‘Toen de ernst van het leven hen vragen deed naar de waardeering van elkanders dieper behoeften was het begrijpen opgehouden en de vervreemding begonnen’.
De moeder van Satis had wel een voorgevoel er van gehad, dat het met het huwelijk van haar zoon niet gelukkig zou afloopen. Zij doorzag de leegte van haar schoondochter, behandelde haar goed maar schudde somtijds het hoofd. En toen zij ziek werd, merkte zij het wel dat Clara ook van ziekenverzorging niets verstond. Zij maakte haar duizelig door al d’r drukte en kwam Sherry aandragen als zij naar niets liever verlangde dan naar rust.
De beide echtgenooten bemerkten langzamerhand dat hun liefde niet berustte op een blijvende gemeenschap van zielen diep ingeworteld in beider wezen maar op dat wat zij slechts tijdelijk aan elkander hadden geschonken, een afleiding in de verveling van hun bestaan. Hij had haar vroolijkheid en lichtende scherts
aardig gevonden en ook wijl zij hem als auteur kende, was hij met haar getrouwd. Wijder en wijder gaapte de klove die beider karakter en ziel scheidde totdat het kwaadspreken van andere vrouwen haar voor goed den knak gaf. Zij dacht geliefd en bemind te zijn in de wereld waar ze mee omging en zij dacht alleen goed van de menschen, doch toen zij den laster vernam zakte haar ziel voor goed ineen en zij was niet meer bij machte zich op te richten. Zij was onschuldig, maar voelde slechts in de oppervlakte van haar wezen en toen men deze bezoedelde en vernielde mankeerde haar elke grond van levensbestaan. Zij stierf.
Toen was Satis weer alleen.
‘En toen hij in het nuchter-triestige morgeruim, op het eenzame kerkhof bij haar graf stond, omhuld door een kille damp die als een grauw gordijn neerhing tusschen de hooge kale boomen en onwillekeurig luisterend naar de droppels, die in de stilte neerhuiverden van de wenende twijgen, toen hij met een blik het leven van zijn naïef onschuldig glimwormpje overzag, dat geschapen om vrolijk te lichten, maar een oogenblik geglansd had in zijn bestaan, om terstond weg te kwijnen in de duisternis en smart, toen hij voelde dat alweer een mooi willen: zijn oprecht verlangen om haar gelukkig te maken, gelijk zoo menig vroeger streven was mislukt, geavorteerd…… toen was de vraag in hem opgerezen of het leven misschien altijd een avorteren moet zijn’.

Hij zocht nu naar wellust. ‘En toen was die dag gekomen, die zeldzame mooie, waarvan alle senzasies hem duidelijk waren bijgebleven, die dag toen hij in de eenzaamheid van het bosch met een sentimenteel verlangen zijn armen had uitgestrekt naar de vrouw, die hem zou liefhebben uit zuivere begeerte’.
Als een vonk in de olie zoo viel in zijn ziel de zwarte oogopslag van de vrouw der begeerte en des vleesches. Zonder rumoer drong dat oog door tot in de verste schuilhoeken van zijn wezen. Zonder spreken en zonder woorden, zonder afkoelend en oppervlakkig gezwets, dat de liefde verwatert, snorde de pijl van Amor met zwijgende felheid. Hoog steeg de vlam van zijn wellust voor deze vrouw van vleesch en bloed maar zooals alles wat hevig is, was de passie van korten duur. Alhoewel hij haar niets had te verwijten, want zij was hem trouw en goed, wilde hij spoedig van haar af. De gloed was hem te sterk en zijne krachten verschroeiden. Zij had hem bemind alleen om hemzelven, niet om zijn familie en alleen wegens de eigenschappen zijner persoonlijkheid was zij opgevlamd tot begeerte. Om harentwil verwaarloosde hij zijn vrienden, hij deed niets meer, schreef niet, las niet, men zag hem nergens meer en toen deze verhouding uit was, stond hij weer alléén, ja eenzamer dan ooit. Zelfs Passtra had hij verwaarloosd en al zijn kennissen had hij laten loopen. Om afleiding te zoeken gaat hij een reis doen naar Indië. Want ‘toen was voor zijn afgematten geest het verleidelijk viezioen verrezen van een stil-blauwe zee
onder een strak-blauwen hemel; toen was de behoefte in zijn ziel geweld om, achterover liggend in een rieten stoel omademd door een reine, warme lucht, zich weg te gaan mijmeren uit zijn bestaan; toen was de verlangende gedachte in zijn brein gerijpt om lang, heel lang te gaan omdwalen door het dromenland, waarin hij al zoo vaak voor weinige uren zijn ellende was ontvlucht’.
De zee! De zee! Daar verlangde hij naar, naar de koelte der frissche winden, naar den ruimen horizon, naar de vrije zon, en de vrije maan, naar de sterren, naar bruisenden golfslag, naar ruimte, naar water en lucht.
Maar ook op het schip bleef hij alléén en sloot zich niet aan een ander gezelschap aan.
Te Ceylon aangekomen ging ieder aan land om een kijkje te nemen en daar gaat hij den hoogepriester van het zuidelijk Boeddhisme bezoeken om misschien van hem lessen van wijsheid te ontvangen, die hem tot gids voor zijn onrustig leven kunnen strekken. Daar ziet hij het klooster van den Sumangala weggedoken in het groen van wuivende boomen. Hooge gestalten van peinzende monniken met dof-gele mantels en blootsvoets ziet hij uit de verte verschijnen, verdwijnen en hij waagt voort te treden en naar den hoogepriester te vragen. In het halfdonker van een streng en armoedig gemeubileerd vertrek in het bijzijn van zwijgende jongeren geeft de hooge man zijn antwoorden op de vragen van Satis.
‘Een glimlach was over Sumangala’s diepe trekken heengetrild bij de toespeling op de Europeesche geleerden; maar toch was er geen waanwijze minachting in de blik’.
Toch beantwoordden Sumangala’s woorden niet aan Satis’ verwachting. Hij had al meer hetzelfde gelezen en Sumangala zeide hem niets nieuws. Zoo zeide hij onder andere:
‘Het leven moet overwonnen worden en dat kan niet gebeuren door ’t te ontwijken. Integendeel is dit alleen mogelijk door ’t goed te doorleven’.
Oppervlakkig lijkt dit een zeer duidelijke en glasheldere spreuk maar toch hoevelen zijn er die de draagkracht van den zin begrijpen? Zullen er niet van de honderd die deze woorden lezen honderd zijn die er eene verschillende beteekenis aan hechten. Schijnt zij juist niet in tegenspraak met wat het Boeddhisme leert?
Zoo zijn slechts de woorden enkel teekens en alleen hij die werkelijk een gebod naleeft kan gezegd worden het voorschrift te hebben begrepen.
In ieder geval, onze vriend Satis verlaat het eiland, gaat weer aan boord en vindt daar heel prettig gezelschap terwijl uit niets blijkt dat hij zich de wijze lessen van den monnik bijzonder heeft aangetrokken. De heer Verbeek met zijn dochter zijn zeer aangename menschen en (men is niet geheel zeker of de heer Emants het wel satirisch bedoelt) de heer Verbeek noodigt Satis uit een reisgids voor Indië te schrijven.
In ieder geval, Satis is zeer ingenomen met zijn dochter en in haar schemert hem misschien de dageraad van een nieuw leven tegemoet.

Hier eindigt het verhaal en sluit deze roman die als geheel wel niet zoo hoog staat en niet zoo vast is gemetseld als de ‘Nagelaten Bekentenis’, maar toch voortreffelijke gedeelten bevat. Deze laatste was een werk uit één stuk en alhoewel ook loopende over een geheel menschenleven bijna, waren de ideeën hooger en algemeener, meer zielkundig en subtieler van analyse. Het mes werd dieper gezet en er werd dieper gesneden. Ook hier in ‘Op Zee’ heeft zich Emants’ talent niet verloochend. Hij is er verre van af een mooi-schrijver te zijn, een fout waarin Couperus dikwijls vervalt, maar wat de een te veel heeft, heeft de andere somtijds te min, b.v.: ‘’t Duurde niet lang of Sumangala verscheen en noodigde hem uit naar buiten te komen onder de veranda, waar een dito tafel stond met dito stoelen er om heen’.
Ik vermeen dat hier de eenvoud tot slordigheid vervalt door die leelijke ditos: een voor het gemoed haast onbeleefd woord, alhoewel het in Emants’ austèren schrijftrant minder afsteekt dan het bij een ander auteur zou doen.

De in dezen bundel voorkomende teekeningen ‘Filozoof je’ en ‘Tante Trees’ staan op gelijke hoogte als des auteurs overig werk. Zij zijn vol van merk waardig geziene karaktertrekken en in het oog springende bizonderheden, neergezet met de zekere hand van een man die zijn metier kent, hard, niet mooi maar correct en aangrijpend, en dwingen ons Emants als een onzer beste schrijvers in eere te houden.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: