KRASSEN OP DE ZIEL – 6

MEISJES UIT VERVLOGEN DAGEN2Joep Scholten
MEISJES UIT VERVLOGEN DAGEN
uitgeverij Sylfaen / ISBN 978-94-6217-079-7 / € 22,90

Hoofdstuk 8 – Krassen op de ziel – 6e deel

Ter illustratie citeer ik een passage uit de getuigenis die de vaandrig op 24 februari 1947 aflegt. Hij vertelt over zijn tocht van de Grebbeberg via Wageningen naar Arnhem. Bij Renkum stokt het: ‘… Hier liep ik bij het eerste huis tegen de bajonet van een Duitse schildwacht. Deze voerde mij het huis in waarna ik door een volslagen dronken Duitser werd verhoord en van al mijn bezittingen werd ontdaan. Hierna werd ik naar buiten gevoerd met een pistool in mijn hals gedrukt. Plotseling besefte ik dat het bittere ernst was en geen bangmakerij. Ik draaide mij vliegensvlug om en gaf de man een slag in zijn gezicht, waarna ik zig-zag terug rende in de richting Wageningen. De schildwacht schoot tweemaal mis. Toen de achtervolging gestaakt werd trok ik verder richting Rijn en verborg mij op de tekenkamer van de papierfabriek Van Gelder. Hier heeft een arbeider mij de volgende dag aan kleding en een fiets geholpen. Ik ben naar Arnhem gegaan waar ik onderdook…’

In plaats van een tweetal bezopen Duitse soldaten doodschieten, deelt hij een klap uit met zijn blote hand en vlucht. In plaats van op een Duitse motor in Duitse militaire outfit pontificaal richting Arnhem rijden, fietst hij onopvallend in burgerkleding. Zie hier de verschillen tussen de orale geschiedenis van een vader aan zijn zoon en de getuigenverklaring van een militair aan de officieren die hem verhoren. In ieder geval weet ik wel welke versie het voor mij zou worden, mocht ik een scenario voor een film willen schijven. Mijn vader schreef echter nooit verhalen, wel vertelde hij ze graag en dat deed hij terwijl hij met zijn kleine hamer blauwkopjes in een houten romp van een nog kaal bankstel spijkerde. Blauwkopjes zijn van die kleine scherpe spijkertjes. Altijd nam die als een handvol pillen in zijn mond om ze daarna één voor één tussen de lippen beschikbaar te houden voor verwerking. Zelfs met een mond vol blauwkopjes was hij wonderwel verstaanbaar. Johan was meubelstoffeerder en wat voor één!
Als ik dat verhaal van Evertse een aantal keren herlees, denk ik: ‘Hoe dapper of misschien wel, hoe onverantwoord roekeloos vinden je superieuren je als je aangeeft dat je twee beschonken Duitsers overhoop hebt geschoten?’ Misschien is het wel verstandig om je heldendom enigszins te doseren, want je zit tegenover superieuren die zelf geen ander heldendom in de aanbieding hebben dan een krijgsgevangenschap, dat ze gewillig ergens in een kamp voor hoge officieren hebben ondergaan. Is het dan niet verstandiger om melding te maken van een vlucht in de nacht? Natuurlijk zigzaggend lopend, je bent tenslotte militair of niet! Het kan een veiliger optie zijn voor een eventuele voorspoedige militaire carrière in vredestijd wanneer je niet te nadrukkelijk de held uithangt. We zullen het nooit weten wat er in het hoofd van vaandrig Evertse omgaat als hij zijn versie van het verhaal laat optekenen door een militaire commissie. In de ogen van mijn vader maakt het allemaal niet uit. Vaandrig Evertse kan niet meer stuk, zijn leven lang niet.
De man en zijn verhaal worden nog even aangeraakt als we samen naar de Grebbeberg rijden. Het is ergens begin jaren negentig en er is een herdenking op de Grebbeberg. Ik stel voor dat het misschien een goed idee is daar eens te gaan kijken. Het wordt een teleurstelling. Hij herkent niets. Alles is zo veranderd. Dat geldt niet alleen voor de omgeving, maar ook voor de oude mannen die er rondlopen. Een paar keer is er iemand die kijkt en dan nog een keer kijkt. Even lijkt er een zweem van herkenning, maar de stap maken van die jonge man van net in de twintig tot de man van dik in de zeventig blijkt te groot. Dat geldt wederzijds. Na een uur houdt hij het voor gezien. In stilte rijden we terug. Onderweg probeer ik hier en daar nog een aanknopingspunt te vinden. De aanblik van het landschap echter correspondeert nergens met wat er in zijn hoofd nog rest aan beelden. Je kunt erop wachten tot ook hij zich bedient van de zin waarin spijt zich verschuilt achter berusting: ‘Ach, het is allemaal al zo lang geleden.’

80 - Johan en een dienstmakker op soort van statiefoto tijdens hun militairenummer in 1937

Johan en een dienstkameraad
op een soort staatsieportret.

Het heeft iets onwerkelijks, die eerste dagen in mei 1940. Zeker als je dat legt naast de kennis van nu. Hoewel verwacht, komt het toch nog onverwacht. Vroeg in de morgen op 10 mei 1940 verschijnen de eerste Duitse soldaten in Doetinchem. Kort daarvoor klinkt er een knal. De brug over de Oude IJssel is ondermijnd en wordt eruit geblazen. Nederland geeft zich niet zomaar gewonnen. Niet zelden gebeurt dat ronduit knullig. Hoewel er in die eerste dagen geen Duitse militair de oversteek via ’s Heerenberg naar Doetinchem maakt, moet toch die brug eruit. De explosie levert ook het eerste en voor zover bekend enige slachtoffer op dat in Doetinchem valt. Het betreft reservekapitein Voltelen. Een brug opblazen is niet ongevaarlijk, zeker ook niet voor degene die daar de leiding over heeft. Vijf jaar later en op nagenoeg dezelfde plek doen rondvliegende scherven en puin hetzelfde met Coba. Ondertussen trekken de Duitse troepen via Terborg en Gaanderen richting Doetinchem. Daar rijden ze door de stad en komen zo op de Keppelseweg, die leidt naar Doesburg. Daar zal de eerste confrontatie plaatsvinden. In het boek ‘Doetinchem in oorlogstijd’ beschrijft Inge Volker verschillende reacties van ooggetuigen. Die zijn vooral verbaasd over de voorbodes van het Duitse leger op de straten. De vroege vogels horen op die 10e mei op weg naar hun werk allerlei ongewone geluiden. Het blijken explosies. Tegelijkertijd zien ze hoe boeren op hun land onverstoorbaar doorgaan met hun werk. Rond zeven uur in de ochtend trekken de eerste gemechaniseerde troepen door Doetinchem. Duitse officieren zouden verbaasd zijn geweest dat er geen juichende massa’s staan die hen verwelkomen. Dat is althans de conclusie die Inge Volker trekt. Net als zij was ik er niet bij. Maar interessant is vooral dat die mensen zich zo onbeschermd aan de kant van de weg begaven. Wat je niet kent, boezemt kennelijk ook nog geen angst in. De onbekendheid met het fenomeen oorlog zal zeker meegespeeld hebben. Maar nieuwsgierigheid is sterker dan de eventuele angst. Het zorgt ervoor dat mensen van elders in Doetinchem wonen, speciaal hiernaar toe komen om te kijken naar het voorbijtrekkende circus. Alsof het een wielerkaravaan betreft. Hebben we hier te maken met een eerste variant van bermtoerisme! Staat ook Sientje daar aan de weg? Als ze die dag aan het werk is, hoeft dat niet. Het huis van de familie Van Zadelhoff aan de Keppelseweg staat al eerste rang. Na de stoottroepen volgt een onafzienbare stoet aan materieel en mensen, vaak vervoerd op paard en wagens. Het duurt tot diep in de nacht. Ook vanwege de paar uur oponthoud dat de troepen lopen bij Doesburg. Daarna trekt de meute door richting Grebbeberg.
Ik stel me voor hoe de discussie diezelfde ochtend verloopt in het huis aan de Cronjéstraat. Oom Henk Keizer hoort van de Duitse inval en pakt onmiddellijk zijn plunjezak. Hij wil zo snel mogelijk op de trein richting Den Helder. Als enige zoon van de familie Keizer zat hij ergens rond 1923 in militaire dienst. Hij was er matroos op een marineschip. Echtgenoot Hentje en zoon Henk, dan 9 jaar oud, maken hem echter duidelijk dat hij niet ver zal komen. Er zullen vast geen treinen rijden, zeggen ze en ze hebben daarmee een vooruitziende blik. De brug bij Westervoort ligt eruit en ook op verschillende andere plekken is het spoor geblokkeerd.
Heeft Coba die ochtend de reis van Arnhem naar Doetinchem gemaakt? Vrijwel zeker van niet. Waarschijnlijk zal ze onverrichter zake naar huis zijn teruggekeerd. Het kan ook zijn, daar zijn namelijk aanwijzingen voor, dat ze op dat moment op een adres in Doetinchem woonde. Gedurende verschillende periodes tijdens de oorlog woont ze zelfstandig op een kamer in de stad. Dat bespaart haar het heen en weer reizen naar Arnhem. Makkie kan zich niet herinneren of dat ook op 10 mei 1940 het geval is geweest. Wel weet ze nog steeds dat je in hun wijk Heijenoord, waarin de Hertshoornstraat ligt, niets merkte van Duitse troepenbewegingen. Die trekken om Arnhem heen. Kort daarna kom je in de stad overal Duitse soldaten tegen. Ze vieren daar hun verlof en zijn vooral uit op contact met de Nederlandse meisjes. Kennelijk ligt Arnhem ver genoeg weg van het front, want het geluid van vuurwerk en kanongebulder weet die twintig kilometer niet of nauwelijks te overbruggen. Met dank aan de bossen en het heuvelachtige landschap. Ze wekken de illusie van een geluidloze bezetting. Nee, dan ruim vier jaar daarna. Toen werd het pas echt oorlog.
In Doetinchem heerst in de zomer van 1940 een vergelijkbaar gevoel, zeker als in juni van dat jaar de eerste krijgsgevangenen terugkeren van hun verblijf uit de Duitse kampen. In de toenmalige sociëteit is het een drukte van belang. Van daaruit worden de voormalig Nederlandse soldaten in hun plotseling te ruim zittende uniform vrijgelaten in hun bezette vaderland. De thuis wachtende familie en geliefden zijn er niet minder blij om. Ze hebben het overleefd. De opluchting daarover laat hen even die paar maanden ellende die achter hen ligt vergeten. De Grebbeberg was geen pretje, kamp Neubrandenburg evenmin. Maar het leven gaat verder, met of zonder krassen op hun ziel.

– Einde hoofdstuk 8 –
(en van deze voorpublicatie)

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: