MARCELLUS EMANTS – OP ZEE (18)

Toen was hij naar Clara gegaan, die toevallig t’huis was gebleven.
Ken je mevrouw X?
‘Van aanzien… ja; maar gesproken heb ik haar nooit.’
Wist je, dat zij haar dochters verboden had op de fancyfaire te verkopen, als jij meedeedt en kan je vermoeden welke redenen zij daarvoor heeft gehad?
In ’t eerst had Clara hem niet willen geloven. Wie vertelde die onzin? Dat had mevrouw X niet gezegd; dat kon ze niet gezegd hebben! Wat had zij die vrouw ooit in de weg gelegd?
Toen had hij haar wel moeten zeggen, dat er van zulk een in-de-weg-leggen geen sprake was geweest. Het kwaad, dat ze bedreven had, bestond waarschijnlik uit het veronachtzamen van de een of andere even willekeurige als onzinnige vormelikheidsregel, waarnaar zo’n mevrouw X gewoon was te berekenen ’t geen ze noemde: je fatsoen.
Heb je misschien een kostuum aan gehad, dat pas over een jaar mode zal worden, of een spel gespeeld, dat nog niet past voor een vrouw? Heb je soms een uitdrukking gebruikt, die zo’n edelaardige mevrouw X niet kies vindt, of in ’t openbaar je tegenover een heer een onschuldige vrijheid veroorloofd, waaruit het fatsoen van mevrouw X afleidt, dat je in ’t geheim je al heel slecht moet gedragen?
Clara kon zich niets herinneren en hoe meer zij over de zaak nadacht, hoe afschuweliker ’t haar te moede werd.
Was ’t mogelik, dat mensen, met wie zij argeloos vertrouwelik omging, die haar niets anders hadden toegevoegd dan gewoon lieve woordjes, op wier gelaat bij ’t begroeten en afscheidnemen nooit de gebruikelike beleefdheids-glimlach ontbrak, dat diezelfde mensen een onuitgesproken slechte mening van haar met zich omdroegen, anderen waarschuwden voor haar gezelschap, vijandig gezind waren achter het mom van vriendschappelikheid? Wanneer zij met hen was, schaterden ze om haar aardigheden; was ’t denkbaar, dat ze achter haar rug de koppen bij elkaar staken en haar uitmaakten voor… de hemel weet wat?
O, wat een valsheid, wat een afgrijselike valsheid! Zij wist niet, dat er zoveel valsheid bestond. Zij kon ’t ook niet aannemen! Als zij trachtte zich voor te stellen, hoe alles in zijn werk was gegaan, als zij die mensen poogde te zien en te beluisteren in hun laaghartig bedrijf, dan lukte ’t haar niet, dan hoorde zij het verwijt, dat zij zelf slecht en gemeen handelde door waarde te hechten aan dergelike praatjes en ook maar een sekonde lang zo iets leliks te geloven.
En toch waren die beschuldigende woorden uitgesproken, aangehoord en overgebracht van mond tot mond!
Aldus doorleefde ook zij het verbitterende ogenblik, waarop de naïeve, niemand-iets-kwaad-willende ziel, nog bevangen in het kinderlik geloof, dat allen zijn gelijk hij zelf is, plotseling het mensdom recht in het aangezicht kijkt en uit duizenden ogen een vreemd leven zich tegen voelt stralen met zijn wangunst, zijn kwaadwilligheid, zijn achterdocht, zijn afkeer van al, wat anders is dan hij.
Wat baat ’t dan te denken: de mensen mogen van mij verschillen, zij hebben toch ook harten en deze harten kloppen even warm als het mijne voor de weinige wezens, die aan hun behoefte om lief te hebben voldoen en voor de weinige belangen, waarmee hun denkleven zich bezig houdt? Ieder heeft zijn sfeer en binnen die sfeer is hij meestal een goedwillend, goeddadig schepsel.
Ook de grootste sfeer is klein en in de onmetelike ruimte daarbuiten lupus est homo homini.
Zij, die zich zo gaarne betitelen als broeders en zusters, hebben de vormen, de poliesie en de staande legers moeten uitvinden, om betrekkelik vreedzaam met elkander te kunnen omgaan.
Zelfs worden zij de tegenspraak niet eens gewaar! Zij hebben in de uitdrukking strijd-om-het-bestaan de sleutel gevonden voor hun onderlinge verhouding; zij weten heel goed, dat ware vriendschap en liefde weelde-artikelen voor hen zijn, waarvan zij slechts genieten kunnen, voor zover die strijd hun de gelegenheid er toe laat, de stemming er toe vergunt en toch zien zij niet in, dat algemene mensenmin niets meer is dan een eerbiedwaardige illuzie.
‘Je bent weer onrechtvaardig,’ had Passtra hem toegevoegd. ‘Je hebt geld, je hebt talenten – die je helaas ongebruikt laat – je hebt een goed voorkomen en een mooie vrouw. Moeten de mensen ’t nu maar dageliks zonder nijd aanzien, dat je met dat geld een mooi huis en rijtuig houdt, dat je vrouw gelukkig is met jou en met je bezittingen en dat jij pronkt met je vrouw? Moeten ze al dat heerliks, waarvan zij zelf niets genieten, voortdurend aanschouwen, zonder ooit een poging te mogen doen om je geluk te ondermijnen? Heus, je bent te veeleisend. Wij je absolunt ook nog van van de hooggeroemde menslievendheid profiteren, maak dan je fortuin op, verlies je verstand en zorg, dat je vrouw geschonden wordt door de pokken. Geloof me, dan word je net even hard .. en misschien even onverdiend… beklaagd als nu bepraat… zegge belasterd!’
Passtra’s woorden brachten hem niet tot kalmte. Zijn verontwaardiging was te groot, dat zijn verlangen naar een zondebok, op wie hij zijn woede kon koelen, in eens kon bedaren. Zodra hij Clara omtrent de kleinste biezonderheden van haar leven in de laatste tijd had ondervraagd, trok hij er op uit, om na te sporen, wat er waar was in het verhaal omtrent Mevrouw X en waarop die dame haar recht grondde zijn vrouw te bekladden.
Clara’s clubgenoten, haar andere vriendinnen, de deelnemers aan de afgelopen fancy-fair, allen zocht hij op en eindelik kwam hij ook tot Mevrouw X zelf.
Doch wat Passtra had voorspeld, gebeurde. De laster was als een zandkluit, die er stevig genoeg uitzag, maar toch verbrokkelde tussen zijn grijpende vingers. Een duidelik, scherp begrensd lasterlik verzinsel scheen ten slotte in ’t geheel niet te bestaan.
Wie wel eens vernomen had, dat door mevrouw X een dergelike fraze was uitgesproken, had dit nooit van haar zelf gehoord en wie ’t een of ander van haar zelf had gehoord, wist niet presies meer, wat er was gezegd.
Wie zeker wist, wat een ander had verteld, wilde niet genoemd zijn en wie genoemd wilde zijn, wist niet zeker, wat hij had gehoord.
Iedereen had er ’t een of ander van vernomen en niemand had op zijn beurt dit een of ander weer overgebriefd.
En mevrouw X? – Nu ja, die had haar dochters verboden op de fancy-fair mee te werken, als mevrouw Satis meedeed. Maar waarom? Eenvoudig, omdat zij voelde, dat de mooie en geestige mevrouw Satis – o, geheel buiten haar schuld – alle heren het hoofd op hol moest brengen en omdat zij dus vond – dit zou toch wel niemand haar kwalik nemen – dat Clara – zij verweet haar niets – voor haar meisjes evenmin een goed gezelschap als een wenselike nabuur was.
En terwijl hij dus meer en meer overtuigd werd, dat Clara op de gemeenste wijze werd beklad, zonder dat hij een slachtoffer vond, om zijn ergernis over die laaghartigheid op te luchten, bleek ’t hem tegelijkertijd, dat nog honderden andere kletspraatjes, het een al zinnelozer dan het ander, omtrent hen beiden de ronde hadden gedaan. Zo vertelde men, dat zij in hun huis een troon hadden, waarop Clara zetelde, terwijl een van haar aanbidders gedichten voordroeg van haar man en dat zij na zulk een voordracht van die troon nederdaalde, om een kus te drukken op het voorhoofd van die aanbidder. En zij, die dergelike kinderachtige nonsens, geïllustreerd met nog dwazer gevolgtrekkingen, rondstrooiden, waren volstrekt niet allen vrouwen of jonge meisjes; maar ook mannen van allerlei leeftijd, mannen van allerlei posiesie, mannen van naam en aanzien in de maatschappij. Dezelfde mensen, die hij talloze malen in de schouwburg het straffen van de lasteraar hartelik had zien toejuichen, die hij een stuk of een boek slecht had horen noemen, als het slot er van geen beloning van de deugd, of de inhoud er van niet ‘simpatiek’ was geweest, die hij met zijn eigen oren had horen zeggen: je moet al, wat er verteld wordt, niet geloven, diezelfden geloofden terstond de bespottelikste verzinsels, welke een smet wierpen op anderen, die speelden een rol, waaraan zij, in de stalles gezeten, zich zouden geërgerd hebben, die veroordeelden zonder enig bewijs en sloegen dageliks de rechtvaardigheid in het aangezicht.
En dan logen zij hem nog voor met hun ontkennen, dat zij zelf iets hadden geloofd of gezegd!
Dan riepen zij hem nog huichelend toe: hoe is ’t mogelik, dat uw goede vrienden u zo iets hebben overgebracht!
Het ergste is, – dus spreken zij – dat hij of zij tot zo iets in staat wordt geacht. En als ze dat gezegd hebben, achten zij hem of haar dadelik tot zo iets in staat, zonder andere grond, dan wijl de een of ander ’t vóór hen ook al heeft gedaan.
Je moet zelfs de schijn vermijden is hun leer en daarom menen zij de lasterpraatjes van anderen gerust te mogen nabauwen, waarvoor zij erkennen, dat geen andere grond aanwezig is dan…. de schijn.
Toen dit alles hem duidelik was geworden, meende hij in te zien, wat er was gebeurd.

– wordt vervolgd –

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: