MARCELLUS EMANTS – OP ZEE (25)

‘En’ zei Passtra ‘daar je achter die domienee de brede schaar ziet, die zonder illuzies niet kan leven en die het leven liefheeft, ja altijd liefhebben zal, om geen andere reden dan, omdat er levensdrang in hem huist, een schare, die zich zelf beledigd en aangevallen voelt, als jij dat leven hoont en aantast, een schare, die in de strijd voor de bevrediging van zijn dagelikse behoeften de tijd mist om de rekening-koerant van zijn levensvreugde bij te houden, een schare, die altijd de illuzie van de blinde zal verkiezen boven het niets-zien van de helderziende, een schare, voor wie het lijden zelf veel minder vreselik is dan de aanneming van de noodzakelikheid er van…. daarom voel je, dat, ondanks enige mooie resensies, je boeken aan hun schrijver maar een mager sukses kunnen bezorgen. Je hebt misschien gelijk; maar dan raad ik je nogmaals aan: schrijf, wat de mensen van je verlangen. Als mundus vult decipi…. decipiatur ergo. Eigenlik is dit bedriegen niet eens nodig. Denk een beetje minderdiep door; laat je geschiedenis wat vroeger eindigen; neem aan, dat de motieven, welke de mensen geloven te hebben, ook werkelik hun motieven zijn; zeg niet al, wat je denkt, beeld niet alles af, wat je ziet en als je eens rondzoekt onder de talrijke gevallen, waarin de natuur – al is ’t voor een korte tijd – zijn eigen noodzakelikheidsdwang door een deus ex machina schijnbaar laat opheffen, dan zal de pen heus nog stof genoeg ter behandeling vinden.
Maak me dan eerst tot een ander mens. Ik heb je immers al gezegd: elk vogeltje moet zingen zoals het gebekt is. Ten minste…. zolang het zingen kan.’
Toen hij dit zeide, had hij al gevoeld, dat de zinglust hem weer voor lang, misschien nu voor altijd was vergaan.
’t Is ook zo moeilik te volharden bij je leer om zo goed mogelik te doen, wat je ’t best meent te kunnen, wanneer je inziet daarmee voor niemand – zelfs niet voor je zelf – iets te bereiken.

O, wat waren ze weer leeg en grauw en kil geweest de toen volgende dagen!
Weg was zijn blij voldane stemming en zijn beetje trots, dat hem voor anderen met tegemoetkomende welwillendheid had doorstraald.
Opnieuw voelde hij de mensen vijandig tegenover zich; ter nauwernood had hij hen weer opgezocht, of hij ging hun ook weer uit de weg. Voor zijn lange morgens vond hij weer geen andere vulling dan lezen, lezen, lezen en dan moest hij nog worstelen tegen de insluimerende belangstelling, die zijn ogen de woorden nog liet onderscheiden, maar de zin niet meer opnam in zijn denken.
Soms werd de horror vacui hem te machtig en slaagde hij er in zijn aandacht weer op te zwepen. Dan drong hij zich op, dat hij, als ieder ander intelliegent mens, van een mooi boek moest kunnen genieten; maar al lezend voelde hij zich aan de reiziger gelijk, die in een sneltrein gezeten, een heel land doorstoomt met zijn bossen en zijn bergen, zijn stromen en zijn moerassen, zijn volle steden en zijn lege vlakten en al dat moois onverschillig vlieden ziet, wetend, dat hij toch niet in die bossen zal wandelen, toch niet op die stromen zal varen, toch niet in die steden zal verblijven. Hij had nu eenmaal zijn doel veel verder gesteld en al geloofde hij niet meer in de vreugde van het bereiken, al vroeg hij zich af: waarom blijf ik dan niet, waar ’t anderen zo best schijnt te bevallen…. toch moest hij voort, voort, altijd voort.
Was de morgen voorbij, dan kwam de namiddag, waarin hij de stille eenzaamheid niet langer dragen kon en de straat op liep, om mensen te zien en gedruis om zich henen te horen. En dan voelde hij zich ook daar vreemd; dan was ’t hem ook daar, of hij verder en verder joeg, zonder te weten waarheen en met de zekerheid nergens te zullen vinden wat hij behoefde.
Afleiding brachten hem alleen de avonden aan, wanneer hij schouwburg of konsertzaal bezocht, of genodigd was op een dienee of soiree. Maar daar pijnigden hem de onuitgesproken aanmerkingen, die hij in ieders ogen meende te lezen; daar walgden hem de alledaagse domheden en de verlakkerijen, welke hem geen stof meer leverden voor zijn werk; ook daar vervolgde hem de verveling, nu een doel er hem ontbrak.
Zijn leven was ondragelik geworden en toch had hij toen gedacht, dat ’t onmogelik meer veranderen kon. En dan nog te moeten lezen: ‘wie ’t niet beter wist, zou uit Schijn en Werkelikheid de gevolgtrekking kunnen maken, dat de schrijver van dat boek al een heel ongelukkig mens moet zijn.’ Ja, ja; ze weten ’t beter!
Of hij zich in Zwitserland geamuseerd had, dat dienden zij hem te vragen om ’t te kunnen weten; maar of het leven hem beviel, dat wisten zij beter dan hij zelf. Passtra beweerde, dat zij ’t afleidden uit zijn aanslag in de belastingen. Arm boek, dat ronddolen moest onder zulke levensdronken lui!
Was uit deze gedachte zijn lust gesproten om ook eens levensdronken te zijn, ook eens in een zwijmel, die het denken dooft, puur sensueel genot te gaan zoeken? Dieren schijnen niet ongelukkig te zijn, zolang zij geen pijn lijden of honger. Waarom dan niet als zij geleefd en alleen gestreefd naar streling van de zinnen. Wie nog iets bereiken wil, moet zich genot ontzeggen; maar wie dit nu niet meer wil?
Is er groter dwaasheid denkbaar dan te werken voor anderen, die zo onomwonden tonen, dat zij van je werk niet gediend zijn?
En toen was die dag gekomen, die zeldzame mooie, waarvan alle sensasies hem duidelik waren bijgebleven, die dag, toen hij in de eenzaamheid van het bos met een sentiementeel verlangen zijn armen had uitgestrekt naar de vrouw, die hem lief zou hebben uit zuivere begeerte.
’t Was een heldere najaarsmorgen geweest. De hemel was zo blauw, de lucht zo stil, de zonneschijn zo koesterend, dat de winter overgeslagen leek. Een bedriegelike waseming van lauw herleven doorbalsemde de atmosfeer. Heerlik verwekend sijpelde de zoelheid in hem door, tot ’t hem te moede werd, alsof hij zelf een plant was, die een lange winter van doodse dorheid had doorgedroomd en tans een nieuw-optrillend leven onder zijn koude schors voelde ontwaken.
O, nog eenmaal liefhebben, klaagde ’t in zijn ziel. Nog eenmaal de armen heenslaan om een mooi, slank lijf, de kussen drinken van een bekoorlike, frisse mond, de blik verzinken laten in ondoorgrondelik diepe ogen! En in die zaligheid vergeten, dat er iets meer op de wereld bestaat dan zij en ik en ons genieten van elkander! Maar nu geen vrouw meer, die op trouwen zint en, al is ’t ook volkomen onbaatzuchtig, zich een toegeven aan haar neiging slechts kan denken met de sanksie van een autorieteit, achter het vertoon van een offiesieel maatschappelike band. Ook geen liefhebben meer met het verstand en het hart, die willen bewonderen, en zegevieren over benijders, die begrepen wensen te worden en erkend in hun waarde, die beducht zijn voor spot en zich opwinden voor een taak.
Alleen zij, die hem niet kende en om zijn stand niet gaf, die van zijn geld geen vermoeden had en van zijn beetje schrijversnaam niet afwist, zij, aan wie hij bekoorde als man en die hem bekoorde als vrouw, alleen die kon hem geven wat hij zocht. Of ze dom en onbeschaafd was, het kleed droeg van armoe of schande…. ’t zou er niets toe doen! Zoals hij zelf begeerde, wilde hij ook begeerd worden: om de blik uit zijn ogen, de snit van zijn mond, de kleur van zijn haar, de klank van zijn stem. Hij wilde liefkozen en geliefkoosd worden. Hem te kussen moest haar leven zijn, gelijk haar te zoenen het zijne zou wezen. Genot is het enige, dat – zij ’t voor een ogenblik – werkelik gelukkig maakt.
Waar echter die vrouw te vinden? Was ’t geen dwaasheid haar te zoeken?
Telkens en telkens poogde hij zijn behoefte te smoren onder de beredeneerde overtuiging, dat zijn kans om tegen te komen wat hij zocht, zo goed was als nul; doch al lukte hem dit voor een poos, dan was toch de herinnering van die ene ochtend vol sentiementalieteit voldoende, om zijn weekhartige stemming terug te roepen, zijn warmende begeerte te doen herleven. Dagen lang kon hij aan niets anders denken en de droom, die ’s nachts het iedeaal hem in de armen voerde, verhoogde voor de volgende dag zijn wellustig verlangen. Toch was hun kennismaking nog onverwacht geweest.
Op een goochelvoorstelling had hij haar voor ’t eerst ontmoet en niet eens dadelik opgelet, want haar zuster zat tussen hen in. Pas in de pauze was zij hem in ’t oog gevallen en toen hij een gesprek met zijn buurvrouw had aangeknoopt, in de hoop, dat de andere er zich in mengen zou, had die andere zich wel schuin naar hem toegewend, maar aanvankelik niets gezegd. Al doorpratend met de zuster had hij haar ter dege opgenomen en terwijl zijn kalm onderzoekend oog de mooie lijnen volgde van haar brede buste en haar ronde schouders, de effen ivoorkleur genoot van haar Indies-bleke wangen en een klein stukje hals, onderging hij van tijd tot tijd de bekoring van haar zonderling gloeiende blik, die dadelik zijn lippen zocht en ze uit de verte scheen te kussen. Ravenzwart haar en lange glanzige wimpers versterkten het oosterse van haar voorkomen; toch heeft ze nooit erkend van oosterse af komst te zijn.
Na afloop van de voorstelling bracht hij de dames naar huis; maar ’t was de zuster, die ja zei op zijn vraag, of hij haar eens mocht bezoeken en ’t was de zuster, die zijn eerste bezoek ontving.
Een paar maanden gingen voorbij, eer hij die zuster weer te zien kreeg en op zijn vragen antwoordde zij onveranderlik: ‘Suze is uit.’
Moest ze zich eerst losmaken uit een andere band? Hield ze zich op prijs? Verlangde ze zekerheid, dat hij meer zocht dan een tijdkorting? Nooit heeft ze hem de reden van haar aanvankelike terughouding geopenbaard. Ja, in haast alle opzichten is zij hem een raadsel gebleven.

– volgende week het vervolg op deel V –

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: