MOOI-ANN VAN VELP

Velen hebben de geschiedenis al verteld, die smartelijk is van het begin tot het einde, van Mooi-Ann van Velp en den jonker bij kasteel Biljoen. In den zomer, als de boschbessen vol en zwart zijn, trekken de vrouwen en meisjes erop uit, om deze te plukken, en ze vergaren de rijpe vrucht in karren, waarmede ze naar de steden rijden. Dan roepen ze en ’t klinkt droefgeestig, daar zij zich niet thuis gevoelen binnen deze vijandige wereld: “Mooie boschbessén. Prachtige bosch-bessén,” heel langgerekt, in eentonigen deun. Wie het eens heeft gehoord, vergeet het niet.

Sommigen zeggen, dat mooi-Ann de dochter was van den heer van Velp, en dezen vertellen, dat het lange jaren geleden is geschied. Maar dit is niet waar. Zij hoorde tot de boschbessenpluksters, en de heer bij Biljoen zag haar voor ’t eerst, toen zij aan het werk was. Het zonlicht speelde in het bosch de vogels zongen. Haar jong figuur had zich over de struiken gebogen, en haar fijne handen plukten. Zoo moogt ge hen zien, een eenvoudig meisje uit het volk, en de trotsche, slechte heer, die lachte.

Ze keek om, en was verschrikt. Hij naderde haar. “Wie ben je?” vroeg hij. Ze durfde hem niet te antwoorden. “Ik zal je niet opeten,” lachte hij. “Wist je wel, mijn kind, dat je mooi bent?” Wat zou ze moeten zeggen? Ze bedacht, om weder aan ’t werk te gaan, maar ze moest naar hem zien, zooals hij daar stond, zelfbewust en zeker van zijn onweerstaanbaarheid. “Weet je wel, hoe ik heet?” Nauwelijks hoorbaar zeide ze: “Ja ge zijt de heer bij Biljoen.” “Goed, maar nu moet ik jouw naam ook weten.” “Men noemt me Ann van Velp.” “Mooi-Ann van Velp zal ik je noemen. Mooi-Ann! wil je met me meegaan, en op mijn kasteel wonen?” “’t Past mij niet, om met u mee te gaan. Ben ik niet maar een arm meisje?”

De heer bij Biljoen richtte zich rechtop, en schuw bezag ze hem. Heeft niet ieder meisje hare gedachten over den man, dien ze zal liefhebben? Hij stond forsch voor haar, ’t blonde haar golfde onder-uit zijn blauwe baret, zijn voorhoofd was hoog, zijn neus gekromd, zijn lippen rood. Reeds lang had zij, zonder het te weten, van zijn grijze oogen gedroomd, welke scherp waren, als zag hij in de verte een dier, dat hij dooden wilde. Hoe angstig en rustig moest het wezen, om aan zijn borst te liggen, door dien sterken, dikken bovenarm te worden omvat. Hij wist, dat hij haar bekoorde. Hij glimlachte. Door dien glimlach werd hij nog machtiger voor haar.

Er zijn er velen, die zich aan de beschrijving van haar schoonheid hebben gewaagd, en een spreekt van “biddend albast.” Ze was misschien kleiner dan hij, al scheen ze met hem schouder aan schouder te staan. Heur blond haar droeg ze los, en het schoot bandeloos neer, in wijden boog langs den ronden arm tot aan de kloeke heup. Dit was haar grootste bekoring, dat haar gelaat kinderlijk was en haar wezen een meedoogenlooze lijn van schoonheid. Haar glimlach was vertrouwend ach! waarom had ze den jonker bij Biljoen lief van het eerste oogenblik, dat ze hem ontmoette?

De dobbelsteenen worden geschud en geworpen. Geen menschenhand heeft meer macht, om het getal der oogen te bepalen. Onzichtbare krachten werken aan hun wending, hun val, hun even-kantelen, hun liggen. Tel de punten. Drie zessen of drie eenenge hebt het te wachten. “Wat doe je dan den heelen dag, mooi-Ann?” “Ik werk voor mijn moeder.” “Voor mijn moeder werk ik, in schuur en stal, in ’t huis en op den akker, overal.” En hij: “Maar arbeid geeft maar zorgen, en geeft maar angst en pijn. Wanneer gij mij wilt volgen, zult gij zonder zorgen zijn!” “Neen! neen!” riep zij in vertwijfeling, “ik wil u niet volgen, ik ben bang voor u.” “Waarom dan? Zie ik er zoo naar uit, om bang voor mij te zijn?” Hij kwam naderbij, en nam haar hand. Zij sloeg haar oogen neer. Toen begreep hij, dat zijn wil de hare was, en woest sloot hij haar in zijn armen.

Van dit oogenblik was zij hem onderdanig. Zij vergat, dat zij een moeder had. Hij gaf haar kostbare kleeren, want wreed wilde hij, dat zij schoon was. Wat bleef er over van het meisje, dat boschbessen had geplukt, om haar brood eerlijk te verdienen? Er woonde op het kasteel bij Biljoen een oude meid, die ijverzuchtig was, dat mooi-Ann een dame werd, en haar bevelen mocht. Vroeger had zij het meisje wel gekend als een arme deerne, gelijk aan de anderen in het dorp. Moest ze haar nu bedienen, als was ze van adel? Ze was een listig karonje, de oude meid. Ze wachtte ’t oogenblik af, dat de jonker minder van mooi-Ann hield dan vroeger. Mooi-Ann? Mooi-Ann? Het was niet lang geleden, dat ze mooi-Ann werd genoemd. Toch, wat was er van haar schoonheid gebleven? Als de jonker een dag uitgereden was; zat zij alleen te schreien. Er was niet even geluk geweest, sinds zij den heer had ontmoet. Had zij gemeend, dat zij rust zou kennen? Was liefde dan ongeluk? En ze had den jonker lief, die haar in mooie kleeren kleedde, doch die nooit anders dan slecht voor haar was. Hij had nog niet gezien, dat zij schreide: de eerste tranen hadden geen sporen gelaten. Hoe zou het zijn, als eindelijk de groeven scherper werden, en de jonker dan zeker de oorzaak van haar smart zou weten? Ze huiverde. Als zij van het kasteel werd gejaagd, waarheen zou ze dan moeten gaan? De schande ….

Ze wist, dat de oude meid haar haatte. Dikwijls had zij dien haat gevoeld, altijd-gezwegen, als een scherp woord. Ze moest ervoor zorgen, dat de oude meid haar geheim niet ontdekte. Mooi-Ann deed altijd vroolijk, opdat de ander niets zou merken. Ze trachtte te lachen, ze deed of ze gelukkig was, het arme, verlatene kind. Lang kon dit niet duren. Want eens, toen de jonker verveeld en moede en knorrig tehuis gekomen was, en eenzaam bij het haardvuur zat, klopte de meid zachtjes aan de deur. Ze trad binnen. Ze vertelde hem, dat mooi-Ann gehuild had, dien middag, en ze wist wel waarom. Ze fluisterde. Hij vloekte. Toornig riep hij, dat zij de deerne bij hem zou brengen.

’t Was anders dan eenige maanden geleden, nadat hij haar in het bosch had gezien, een mooi kind uit het volk, dat haar brood verdiende. Het was een schreiend wicht, dat angstig bij hem stond. Op al zijn vorschende vragen antwoordde ze “ja.” Hij vroeg: “En als ik je uit ’t kasteel jaag, zul je mijn naam te schande maken?” “Neen heer!” “Je bent leelijk geworden! Dat ik het nu eerst zie.” Ze wist geen antwoord te geven. Ze had kunnen zeggen: “door uw schuld” wat kan men echter van zoo’n meisje verwachten? Dreigend verhief hij zich. “Dat zal niet gebeuren,” zoo zwoer hij. “Wat zult ge met me doen?” wilde ze angstig vragen. Ze zweeg. Minachtend bezag hij haar.

“Het is nog tijd.” Toen sprak ze het uit, wat zij gevoelde. “Doe alles, wat ge met me wilt, dood me, dat is beter.” Nooit had hij haar liefgehad. Wie kon zoo spreken tegen een vrouw, als hij ook maar één oogwenk in zijn leven van haar had gehouden? Alles was beter dan te blijven leven. In den dood zou ze niet meer schreien. In den dood zou zij zich wreken.

Het was avond, en de vijver van het slot Biljoen was roerloos. Niet één rimpel bleef. Onbewegelijk was ook de schemer boven het water. Toen klonk er een schrei. ’t Kon van een vogel geweest zijn, die in zijn nest werd verschrikt, of van een hulpeloos dier, dat door een vos werd gegrepen. Waarom van een mensch? ’t Werd even stil, de stilte, als een levend wezen luistert, of er ergens geluid is. ’t Water van den vijver spatte hoog. Het zou wel een groote steen zijn, die in de kolk werd geworpen. Soms deden dat de jongens uit het dorp, hoewel het eigenlijk al te laat was, om dat te denken. De stilte kwam terug. Het was niets geweest. Den volgenden ochtend vond men het lijk van mooi-Ann tusschen de biezen. Zeker had zij zichzelf gedood. Wie durfde den jonker bij Biljoen te verdenken!

Twee jaren waren voorbijgegaan. Toen kwam, een avond, een jonge man uit Velp, langs het slot. In ’t bosch, waar hij doorging stond een hooge eikeboom. Terwijl hij bedaard doorstapte, zag hij eensklaps tegen den stam geleund, een hooge, witte gedaante. Eerst was hij verwonderd, en hij naderde iets. De gestalte wenkte hem. Hij deinsde terug, en sprak de aloude, goede spreuk: “Zoo gij van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij.” De nevel week. In de verte hoorde hij een milde stem, zeggend: “Ken je me dan niet weer? Ik ben mooi-Ann! Morgen wacht ik nogmaals.”

Den volgenden avond keerde hij terug. Door den dag had hij geworsteld als door een breeden stroom, welks vaart tegen hem was gewend. Ieder uur was een vijandige stortgolf, en al strijdende had hij slechts één gedachte:“Hoe zal het eindigen?” De avond was een weefsel van nevel. Hij had zijn oogen half-gesloten, en nu zag hij haar duidelijk voor zich. Ze was in het witte kleed, dat de jonker van Biljoen haar had geschonken, en in ’t goud-blonde haar, dat ze had gekapt als een dame, blonken de edelsteenen. Ze had zijden schoenen aan met zilveren gespen, of ze ten dans ging. Om haar blanken hals droeg ze een ketting van paarlen. Hoe wist hij, dat haar oogen blauw waren? Het was toch een avond schemerend en onwezenlijk, waarin geen kleuren standhielden. Wat was mooi-Ann anders dan een nevel? Hij stond stil. Zij was na zijn woorden geweken. Ze was niet van God. Van den duivel was ze. Het zou ’t beste zijn, dat hij terugkeerde. Waarom toefde hij? Aan ’t eind van het bosch wachtte hem mooi-Ann. Ze hield haar armen naar hem uitgebreid, en diep haalde hij adem, voor hij zijn weg naar haar vervolgde. Nadat hij haar dichterbij was gekomen, zweeg hij; hij vond de woorden niet, welke hij den avond te voren had gezegd: “Zoo ge van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij.” Het was, of zijn bloed hem anders drong. Hij moest tot zichzelven zeggen:“Zoo ge van God zijt, wijk. Zijt ge van den Duivel, nader dan.”

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid. Een zware bloemengeur woei uit haar kleeren. Haar oogen, die hem star aanzagen, waren de lokkende zonde. Welke man zou niet eeuwig verdoemd willen zijn, om haar blanke armen te kussen. Haar roode lippen waren het verderf der ziel. Haar voeten stonden op ’t gras, en vertrapten de madelieven. Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid, hij kon niet meer vluchten. Was dit mooi-Ann, die eens door den wreeden jonker verrast werd bij het plukken der boschbessen, en die zich angstig gevoelde, om met den heer mede te gaan? Ze trad naderbij, en sloeg haar armen om hem heen.

“’t Is goed, dat je gekomen bent,” zeide ze met matte stem, “ik heb naar je verlangd, maar ik wist, dat je komen zou, anders had ik niet gewacht.” “Hoe wist je dan, dat ik komen zou?” Ze lachte. “Ik kan tegenwoordig in de sterren lezen.” Toen werd haar stem ernstig. Ze vroeg: “Je hebt zeker een meisje lief?” “Neen,” antwoordde hij zuchtend, “sinds gisteravond niet meer. Ik was verloofd nu ken ik er maar één, en dat ben jij, mooi-Ann.” “Dat is beter dan een ander,” lachte ze. “Ben ik niet mooi?”

Ze nam een roos, die ze op haar kleed had gedragen. Die gaf ze hem. “Ruik aan deze roos, als je niet meer aan me denkt.” Hij kuste haar. De nacht sloot zich over hen beiden, en een muur was de stilte van het bosch. De tijd gleed langs heen. Hij hoorde het ruischen van den tijd niet, zóó verre was het. Vol medelijden wachtte het licht van den morgen, waarschuwend met een schemer, dat de dag moest komen. De jonge man stond haastig op. Er was niets naast hem. Hij had gedroomd …. Toch, hij hield in zijn hand een bleekroze roos. Hij rook er aan, en hij dacht aan de mooie neveling, die hij gansch den nacht had liefgehad. Met loome schreden liep hij huiswaarts: Wat zou er geschieden, wanneer hij zijn meisje weder ontmoette? Wat zou hij zeggen? Als hij haar eens moest verklaren, hoe hij aan de roos kwam. Wanneer ze hem dezen avond bij de berken wachtte, opdat ze samen zouden gaan, zooals ’t vroeger hun gewoonte was. Een hevige pijn was zijn angst, want thans zou ’t alles anders worden. Hij hoopte, dat het lang zou duren, voor hij zijn meisje weer zou zien.

Ze kwam reeds voor den middag, en, toen hij haar zag, bedacht hij schamper, hoe ze van mooi-Ann verschilde, in gelaat en kleeding. Haar stem klonk hem ruw. Had hij vroeger van haar gehouden? “Was je gisteravond ziek, dat je niet kwam?” “Nee” zeide hij somber, “ziek was ik niet. Waarom dacht je dat?” “Ik heb op je gewacht, maar ik had er nog kunnen staan. Waar was je?” “Ik ben op mijn eentje uitgeweest. Mag ik dat niet?” Ze keek hem verbaasd aan. Hij had haar nooit veel van liefde gesproken, en dat had ze ook niet verlangd. Ze mocht hem gaarne, en als ze aan de toekomst dacht, werd zijn beeld nooit vergeten. Ze zouden op een boerderij wonen, als man en vrouw. Meer behoefde ze niet te weten. Dat was haar liefde en haar geluk.

“Ik hoop, dat ik vanavond niet hoef te wachten,” sprak ze lachend. Ze meende, dat hij mede zou lachen. Zijn gelaat bleef ernstig. “Je hoeft niet op me te wachten,” zeide hij, “ik kom nooit weer.” Nog meende zij, dat hij gekscheerde. Ze nam speelsch zijn hand. “Ben je gisteravond naar de herberg geweest?” “Nee.” “Waar was je dan?” “Daar heb je niets mee te maken.” Toen eerst wist zij, dat hij haar haatte om een geluk, welk ze niet geven kon. Wanneer zij woorden voor haar leed had gekend, zou ze gezegd hebben, dat zij van hem hield. Ze wist niets te doen dan te zwijgen, maar ze nam haar schort, en legde die voor haar oogen. Weg was de toekomst, met den man, de boerderij, den bongerd en de koeien. Een donkere laan lag voor haar. Ze was bang, om erin te gaan, zóó alleen. “Je hoeft me nooit meer te wachten,” zeide hij norsch. O! de eerste schrede in de donkere laan. Er was niets van haar hoop gebleven. Haar eenvoudige ziel wist, dat er een ander meisje voor haar in de plaats was gekomen, en, haar schort stijf tegen de oogen geperst, overdacht ze gauw, wie ’t wezen kon. Martha was ’t niet en Mina niet en Aaltje niet en Geusje niet en Fine niet en Sine niet. Wie kon ’t wezen? Ze gluurde over den boezelaar. “Wie is ‘t?” vroeg ze. Hij staarde haar verwonderd aan. “Wat meen je?” De oogen kwamen nu geheel boven de schort uit.

“Met wie heb je nou verkeering?” Hij schaterde van het lachen. “Met mooi-Ann.” Ze liet den boezelaar van pure bevreemding vallen. Haar oogen werden zoo groot, of er tusschen jukbeen en wenkbrauw geen plaats meer voor ze was. Thans keerde de hoop terug. Hij hield haar voor den mal, de dwaze jongen! De boerderij bestond weder. Ze zag zichzelve met de melkemmers naar de weide gaan. Hij deed niets dan lachen. “Wat ben je d’r eentje,” zeide ze. “Kom vanavond bij den vijver en je zult het zien.”

Hij liep zijn huis binnen. Ze bleef nog even wachten. Aarzelend ging ze heen. Aldus heeft een menschenziel aanschouwd, wat er met hem dien avond geschiedde. Ze stond in ’t bosch, en zag haar jongen, die haar voorbijliep, zonder op haar te letten. Uit den vijver steeg een nevel, die naar den man toeschreed, met licht-glijdende passen. Het meisje stiet een kreet uit, maar haar verloofde hoorde ’t niet. Hij en de nevel naderden elkander. Ja, het was mooi-Ann. Hoe had ze kunnen gelooven, dat ’t een nevel was? “Mooi-Ann,” gilde ze. Mooi-Ann was nu vlak bij den jongen. Ze wenkte hem, hij volgde. Het meisje riep zijn naam. Hij zag niet om. Hij liep rustig zijn noodlot tegemoet. Aan den vijver beidde mooi-Ann hem. “Kom,” fluisterde ze, “ik heb je lief.” Thans weder werd ze een nevel, sluierend over het water. Langzaam boog hij zich voorover. “Kom.” Hij liet zich in den vijver vallen. Toen hoorde ’t meisje een schaterenden lach. Het was mooi-Ann, die zich had gewroken. Het was het eerste slachtoffer, dat ze gemaakt had. Er zouden er meerderen volgen.

Zoo was er een jong gezel, die naar Arnhem kwam, om een ambacht te leeren. De wereld was nog voor hem als een diep bosch, en hij kende nog slechts den eersten angst en het eerste verlangen, om het leven te kennen. Zijn vader had gezegd, toen hij heenging: “Kom als een man terug.” Zijn moeder had geschreid: “Blijf altijd dezelfde, die je nu bent.” Zoo was hij heengegaan. Welken raad had hij te volgen? Op een avond naderde hij Velp. Bij den vijver van’t kasteel van Biljoen bleef hij even staan, en toen gevoelde hij, dat hij moede was. Hij besloot, om te gaan rusten. Hij legde zich op den weeken grond, en spoedig sliep hij. Hij wist niet, hoelang hij had geslapen, nadat hij in een blijden, onwezenlijken droom ontwaakt was. ’t Was al nacht. Het maanlicht en ’t sterrelicht legden een witten sluier over alle dingen, een zelfden glans over grond en water. Er waren geen geheimen, dien nacht! De jonge gezel vond het een weelde, om alles te bezien. Eensklaps werd hij op zijn schouder getikt. Hij richtte zich op. Hij was verlegen, dat er een meisje stond, en zij glimlachte om zijn verwarring. “Wie ben je?” zoo vroeg zij. Hij noemde zijn naam. “Dan ben je niet uit Velp?” “Nee,” zeide hij. Even wachtte ze. Vervolgens nam zij zijn hand. “’t Is goed, dat je bij me bent gekomen, als je hier vreemd bent. Heb je nog nooit in je leven van een meisje gehouden?” “Nee nog nooit.” “Heb je nooit van me gehoord?” vroeg ze weder. “Nee nooit!” “Ik ben mooi-Ann van Velp. Er is niemand in ’t dorp, die me niet kent.” Haar liefelijke glimlach verkwikte hem. Hij gevoelde, hoelang hij gezworven had, en hoe mat hij was. Hij wilde in haar armen droomen, terwijl zij hem aanzag. Al het leed en geluk dezer wereld zouden haar kussen hem kunnen geven. Voor ’t eerst strekte hij zijn armen naar een vrouw uit. “Kom aan den vijver zitten,” noodigde hem mooi-Ann. Hij volgde haar. Was hij anders dan een dronkaard in zijn liefde? Met wankelende passen ging hij, blind-starende. Als mooi-Ann eens, toen ze den jonker van Biljoen had gezien, was hij. Den naam zijner moeder had hij vergeten. Zijn ziel was door de liefde bevlekt, ja, zoo hij was blijven leven, voor altijd besmet. Van den eersten, teederen droom, vóór ze hem gevraagd had, met haar mede te gaan, bleef zelfs de herinnering niet over. Het was gelukkig, dat hij stierf. Het maanlicht was over land en water gelijk. Hij wist het niet, dat hij met haar in den vijver schreed. Hij zonk in de diepte neder, en smetteloos, vol van glans, sloot zich het water over hem. De nacht verloor niets van den gloed. Mooi-Ann lachte niet, want ze dacht aan haar eigen ondergang terug.

Dit is de sage van mooi-Ann. Zij gaf dezelfde smart, welke zij ontvangen had, eerlijk terug, en ze was een schakel uit den ketting des verderfs.

.
De sage is in de 19e eeuw ontstaan. Mark Prager Lindo ontmoette op een muziekavond Anna Nijhof. Zij maakten een wandeling naar de bekende Chinese brug. Geïnspireerd door de romantische omgeving, de maan en de verliefdheid van de jongeman, ontstond het verhaal van Mooi-Ann van Velp. Spoken en geestverschijningen worden meestal in verband gebracht met de ziel of geest van een overleden persoon die niet tot rust kan komen. Bekende geestverschijningen in de Lage Landen zijn de Witte Wieven. Deze wonen volgens de overlevering in de neolithische hunebedden, maar ook in heuveltjes en terpen. Ze komen ’s nachts tevoorschijn en manifesteren zich als langzaam zwevende wit of vuilwit geklede vrouwenfiguren. Witte wieven worden ook wel als de geesten van heksen gezien of van andere vrouwen die kwaad gedaan hadden; in werkelijkheid waren het uiteraard niets anders dan nevelslierten.

Bron: Josef Cohen, Sagen en Legenden, 1918.
.
.
.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: