8 JULI – JAN BOER

Jan Boer (Rottum, 8 juli 1899 – Groningen, 4 januari 1983) was een Gronings dichter en schrijver. Zijn vader was bakker in het kleine wierdedorp Rottum, maar moest enkele jaren na Jans geboorte om gezondheidsredenen stoppen met zijn bakkerij. Hij vond werk in de landbouw waardoor Jan opgroeide als zoon van een keuterboer in het nu verdwenen Delthuizen, een gehucht in de voormalige gemeente Kantens aan de Delthe (Usquerdermaar), zeer geïsoleerd aan een doodlopende weg vanaf de weg van Rottum naar Stitswerd. Het gehucht bestond uit een in 1875 gesticht e stoomsteenfabriek en zegge en schrijven twee huizen, waarvan er een ook dienstdeed als café. Bij het gehucht bevond zich ook een overzet naar Warffum, wellicht via Zuiderhorn. Er werkten ook Duitse seizoenarbeiders). In 1915 werd de steenfabriek gesloten en vervolgens afgebroken. De schoorsteen bleef nog een aantal jaren staan, maar na enkele jaren was die zo instabiel geworden dat de stoorsteen instortte. In 1941 werd het Delthuizervoetpad onttrokken aan het openbare verkeer en in de jaren 1950 werden ook de beide huizen afgebroken. In een van deze huizen (een keuterijtje) woonde Jan Boer tijdens zijn jeugd. Het fabrieksterrein werd geëgaliseerd en de weg naar de plek werd weggehaald, zodat er nu niets meer herinnert aan de plek. Jan Boer schreef later naar aanleiding van een bezoek aan deze plek: Roar, as ie noa laange joaren ’t ol stee zuiken, doar ie joen kienertied deurbrocht hemmen, en doar staait niks meer. ’t Haile gehucht is verswonnen, schoon oetleefd en oproemd, zoas dat ook mit minsken gaait’.

Een maand na zijn vijftiende verjaardag werd hij kwekeling aan de Rijkskweekschool in de stad Groningen. Jan Boer was zijn gehele loopbaan werkzaam in het onderwijs. Hij begon als onderwijzer aan de lagere school te Ekamp, werd in 1946 directeur van de kweekschool in Meppel en werd in 1949 benoemd tot inspecteur van het onderwijs in de gemeente Groningen.

Boer schreef zijn eerste gepubliceerde gedicht Jong Wicht op de boerderij bij Rottum. Het kwam in 1917 in het tijdschrift Groningen van Jacob Tilbusscher te staan. Dit gedicht sloot goed aan bij de dichtstijl van die tijd, waarin de poëzie over het algemeen verhalend en ‘licht-verteerbaar’ was. Al snel ging hij over op het schrijven van stemmingsgedichten. Toen hij die voor publicatie opstuurde naar de redactie van een tijdschrift, kreeg hij zijn jeugdige lyriek terug met een briefje waarin stond: ‘Zukswat zeggen goie Grunnegers nait’ (‘Zoiets zeggen echte Groningers niet’). Boer hield vol en vanaf 1922 werd zijn werk met grote regelmaat opgenomen in het Maandblad Groningen van Geert Theis Pzn., waarvan hij van 1947 tot 1949 zelf redacteur was.

De eerste dichtbundel van Jan Boer, Nunerkes, verscheen in 1929 en was geïllustreerd door Jan Altink, lid van De Ploeg. Meer bundels volgden en daarnaast schreef hij verhalen die in het Nieuwsblad van het Noorden verschenen en later gebundeld werden, en een aantal toneelstukken. Hij schreef ook over taalkundige onderwerpen, zoals de verschillen tussen het Nederlands en het Gronings en over de positie van de streektaal ten opzichte van het Standaardnederlands. Hij was vanaf 1956 voorzitter van de Grunneger Schrieverskring. In dat jaar werd hem de Hendrik de Vriesprijs van de stad Groningen toegekend. Willem de Mérode noemde Boer eens ‘het zingend hart van Groningen’, maar toch is het vooral doordat hij zich begaf op ‘on-Groningse’ literaire terreinen, dat deze Rottumer een plaats heeft verdiend in de geschiedenis van de Groninger literatuur. Na een lang ziekbed overleed Jan Boer op 4 januari 1983. Een uitgebreidere biografie van Jan Boer was opgenomen in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in 1984.

Hieronder het gedicht ‘Bakstain’ dat Jan Boer schreef voor Johan Dijkstra (1896-1978, kunstschilder, lid van De Ploeg). Het is opgenomen in ‘Hoog boven laand en tied’, verzoamelde Grunneger gedichten.

Hou glènner of de zunne gluit,
hou hellerder dat bakstain bluit!
Ik zai aan hoezen, kerken, ploatsen
de himmelhaid van haarst weerkoatsen.

n Schoonhaid ien zo’n overvloud,
’n schildersriekdom, daip van gloud,
van rose, oranje, felle roden,
dij weer en wiend heur weerstand boden.

Dat mensken zuks wat moois nait zain,
d’r aan veurbiegoan, of meschain
dat bakstainbluisel eerst ontwoaren,
as t op n douk komt tot bedoaren.

 

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: