15 JULI – CEES BANTZINGER

Cees Bantzinger (Gouda, 15 juli 1914 – Amstelveen, 5 februari 1985) was een Nederlandse tekenaar en schilder. Zoals meer kunstenaars begon ook Bantzinger op een plaats waar hij niet thuishoorde. Nadat hij een tweejarige studie aan een seminarie had gevolgd, vertrok hij in 1932 naar Amsterdam om daar een studie aan het Instituut voor Kunstnijverheid (de huidige Gerrit Rietveld Academie) te volgen. Gedurende die periode ontwikkelde hij, onder leiding van docent Papenhuizen, een grote belangstelling voor het tekenen naar levend model, iets wat hij in zijn verdere carrière zal blijven doen. Hij zei: “Wat mij daarin boeit, is dat je probeert de sierlijkheid en de poëzie van het menselijk lichaam op papier te krijgen.” Na de studie debuteerde hij in 1936 in De Groene Amsterdammer. Zijn keuze voor de journalistiek verklaarde hij later in een interview: “Ik was een krantenvreter. Ik had veel liever dat de mensen zagen wat ik deed en dat ik er mijn brood mee verdiende, dan dat ik in een ivoren toren voor mezelf mooie dingetjes zat te scheppen”. Samen met Eppo Doeve en Jo Spier behoorde hij tot de bekende illustratoren van dag- en weekendbladen.

Na het verlaten van het Instituut voor Kunstnijverheid volgde hij in 1937 de avondklassen van de Rijksacademie van Amsterdam. In datzelfde jaar ging hij, dankzij het winnen van een prijsvraag uitgeschreven door filmmaatschappij Metro-Goldwyn-Mayer, waarbij werd gevraagd in vijfentwintig regels te schrijven over het onderwerp “Wat Parijs voor mij betekent”. De prijs was een geheel verzorgde reis van acht dagen naar Parijs, met een kamer in Hôtel Plaza Athénée aan de Avenue Montaigne. Cees maakte hier een bijna expressionistisch zelfportret. Bantzinger zei: “Als ik de zelfportretten uit de jaren dertig terugzie, zie ik een vreemde, open jongen met grote kijkogen. Dat kijkmens ben ik altijd gebleven.” Hij bleef trouwens een maand in Parijs en tekende er naar model aan de vrije academies van Montparnasse. Ruim een jaar later ondernam Bantzinger een voetreis door België, Zwitserland en Italië en volgde hij tekenlessen, die werden gegeven door professor Johannes Itten. Diens basiscursus bestond er onder meer in de leerlingen vertrouwd te maken met allerlei materialen. Gedurende deze lessen maakte Bantzinger tevens kennis met de methodes van Bauhaus. Teruggekomen van zijn reis werd hij meteen onder de wapenen geroepen. De uren die hij gedurende zijn diensttijd vrij had, besteedde hij aan het maken van sfeertekeningen over het leven in de kazerne en aan het maken van muurschilderingen in de soldatenkantine.

Hij leerde in die periode zijn eerste grote liefde kennen: Coby van der Weijde. Op 22 mei 1940 trouwden ze. Ze hadden in de oorlog grote moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Bantzinger probeerde te exposeren, maar dat lukte mondjesmaat, onder meer bij kunsthandel Leffelaar in Haarlem, Kunstzaal Van Lier aan het Rokin in Amsterdam en in de vitrine van de foyer van de stadsschouwburg van Haarlem.

De financiële nood werd zo hoog dat Cees aan het begin van de oorlog brieven schreef naar het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK). Dit was tijdens de bezetting het staatsorgaan op het gebied van het perswezen, propaganda, beeldende en uitvoerende kunst. Hij schreef op 31 januari 1941: “Kunt U mij wellicht helpen aan werkgelegenheid? Ik maak wandschilderingen en teekenwerk.” Ook schreef hij: “Ik bewoon thans een oude zolder, met een minimum aan primitief meubilair en heb juist genoeg om het allernoodigste te kopen. U begrijpt dat iedere verbetering met verlangen wordt verwacht, daar er absoluut geen middelen zijn om mijn werk verder te ontwikkelen.” En: “Het is zoo hopeloos allemaal, mijn laatste opgespaarde geld is op en ik weet geen uitweg meer.” Op 25 maart 1941 schreef hij onder zijn zwierige handtekening in kleine kriebelletters een postscriptum: “lid Nationaal Socialistische Beweging stb.nummer 120358”. Bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies staat in het register van de NSB dat zowel C.A.B. Bantzinger als J.H.M. – Coby – Bantzinger-van der Weijde op 8 december 1940 lid werden van de NSB. Er staat ook vermeld dat ze een half jaar later, op 26 juni 1941 het lidmaatschap officieel opzegden. Dat was vier dagen nadat de Duitse troepen Rusland hadden aangevallen. Die aanval leidde in Nederland tot een omslag in de publieke opinie over de bezetter.

In 1943 verhuisden Cees en Coby Bantzinger naar Den Haag, waar Cees zich schuil hield voor de Arbeidseinsatz. De Bantzingers bivakkeerden op de zolder van drukkerij ANDO. Hier zetten drie mannen hun handtekening onder de oprichting van de Mansarde Pers, een clandestiene uitgeverij van bibliofiele dichtbundels. Het waren Cees Bantzinger, Fokko Tamminga – eigenaar van drukkerij ANDO en drukker van onder meer de illegale kranten Het Parool en Vrij Nederland – en uitgever Bert Bakker. De zolder werd een ontmoetingsplek voor dichters, schrijvers en andere vrije geesten, zoals Bertus Aafjes, Gerrit Achterberg, Ferdinand Bordewijk, en Ed. Hoornik. De door de Mansarde Pers uitgegeven bundel Omne Animal, met erotische verzen van Aafjes, werd door Bantzinger prachtig geïllustreerd met naakttekeningen. Andere dichtbundels waren onder meer Huis en Reiziger ‘doet’ Golgotha van Gerrit Achterberg.

Na 1946 verhuisden Cees en Coby Bantzinger naar een atelierzolder in Amsterdam. De tekenaar ging werken voor kranten en tijdschriften, zoals Vrij Nederland, Het Parool en het literaire tijdschrift Mandril. Ook illustreerde hij boeken, variërend van De parel van John Steinbeck tot Camera Obscura van Hildebrand. In 1948 trad hij in dienst bij het weekblad Elsevier, waar ook de tekenaars Jo Spier en Eppo Doeve werkten. Bantzinger tekende, al staande tussen de theatercoulissen en in stadsschouwburgen, veel acteurs en actrices. Hij werd tevens gefascineerd door Chinese mannen en vrouwen die hij dikwijls tekende, soms in houtskool, dan weer in inktlijnen. Bantzinger tekende vaak vrouwen. Zelf schrijft hij daar in het boek Vrouwen het volgende over: “Mijn hele leven heb ik vrouwen getekend, omdat zij het mooiste creatuur der schepping zijn.” Naast zijn voorliefde voor Chinese en Japanse penseeltekeningen, bestudeerde en kopieerde hij ook werk van Rembrandt, Goya en El Greco.

In 1948 jaar schreef H.F.E. Visser, conservator Aziatische kunst van het Rijksmuseum in Phoenix: maandschrift voor beeldende kunst het lovende essay ‘C.A.B. Bantzinger – meester in zwart-wit’. Een fragment: “Tot de begaafde tekenaars, illustratoren en schilders rekenen wij de thans te Amsterdam gevestigde Bantzinger. Gelukkig behoeft deze kunstenaar met geen enkel etiket te worden voorzien. Zijn oeuvre, dat reeds zeer uitgebreid is en bovendien – op het gebied van zwart-wit – bizonder (sic) gevarieerd is, is zeer zeker geprononceerd modern, doch zonder een zweem van geaffecteerd of geforceerd modernisme […..] Van deze kunstenaar, die pas in het begin van de dertig is, valt nog veel te verwachten. Ongetwijfeld bergt het illustreren van reportages gevaren, maar wanneer men de klippen van routine en vervlakking weet te omzeilen, kan dit soort werk een voortreffelijke scholing van oog en hand opleveren. Redenen waarom wij vooralsnog allerminst betreuren dat Bantzinger het met de journalistieke kant van zijn beroep zo volhandig heeft.”

In 1951 liep het huwelijk tussen Cees en Coby op de klippen. Begin jaren vijftig ontmoette hij zijn tweede grote liefde: Jettie Paerl (1921-2013). Zij was in de oorlog bekend geworden als ‘Jetje van Radio Oranje’, die vanuit Londen liedjes zong die de draak staken met de bezetter. Het duurde niet lang voordat ze gingen samenwonen in dezelfde atelierwoning waar Banzinger met Coby had gewoond. Cees en Jettie waren twee artistieke mensen op totaal verschillend gebied. De scheppend kunstenaar op papier en de uitvoerend artieste die zong op radio, televisie en in theaters. Toen bleek dat Jettie zwanger was, traden de twee op 20 augustus 1958 in het huwelijk. In 1959 werd hun dochter geboren. Het gezin Bantzinger was toen al verhuisd naar Ouderkerk aan de Amstel. Het huis aan de Amstelzijde had een winkelpand, waar Bantzinger eigen tekeningen exposeerde en verkocht. Toen dorpelingen aanstoot namen aan een – zeer decente – naakttekening in de etalage, leidde dit tot een rechtszaak en een rel van landelijke allure: ‘Het Naakt van Ouderkerk’.

In 1956 ging Bantzinger naar de Internationale Sommerakademie ‘Die Schule des Sehens’ te Salzburg, waar hij les kreeg van Oskar Kokoschka. Tevens werkte hij nog voor verschillende kranten en weekbladen, waaronder Elseviers Weekblad, Vrij Nederland, Mandril, en Het Vrije Volk. Bantzinger maakte vele reizen door onder andere India, Portugal, Israël, Griekenland, Japan en de Verenigde Staten, maar vaak ook koos hij voor locaties die dichter bij huis lagen; hij portretteerde mensen in cafés maar ook in rechtszalen, waarvan enkele reportages van bekende processen nog steeds uniek op gebied van rechtbank-journalistiek zijn. Cees Bantzinger bleef altijd vrij werk maken, naast zijn illustraties voor Elsevier en boeken. Hij exposeerde met grote regelmaat en ging minstens één keer per jaar naar Parijs om in de Académie de la Grande Chaumière model te tekenen. Hij zei: “Een tekenaar is als een musicus. Die moet ook elke dag zijn instrument bespelen. Een tekenaar moet ook elke dag tekenen. Al zijn het maar vingeroefeningen.”

Cees Bantzinger werd eind januari 1985 geconfronteerd met een jeugdzonde die hij bijna veertig jaar eerder voorgoed dacht te hebben weggestopt. Tijdens onderzoek voor zijn boek Kunsthandel in Nederland, 1940-1945 vond Adriaan Venema bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie de brieven die Bantzinger in 1940 en 1941 had geschreven aan het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Venema belde Bantzinger eind januari 1985 op om te vragen of hij dezelfde persoon was als de briefschrijver van weleer. Bantzinger gaf volmondig toe dat hij dat was. Wel was hij zeer aangeslagen over het feit dat Venema zou gaan publiceren dat hij lid was geweest van de NSB. Van het telefoongesprek bestaat een bandopname, waarop te horen is dat Bantzinger zei: “Ik heb met dit geheim mijn hele leven geleefd. Soms dacht ik: het komt dichterbij. Nou, dat is dus vandaag gebeurd.” Uit het telefoongesprek blijkt dat zijn vrouw en dochter niets wisten van zijn geheim. Op het bandje is te horen dat Bantzinger zachtjes zei, meer tegen zichzelf dan tegen Venema: “Hoe ik dit thuis moet plooien, dat is me nog een raadsel. Dit heb ik mijn hele leven mee moeten sjouwen. Onderin weliswaar, maar toch. Nou ja, er is niks aan te doen.” Tien dagen later, op 5 februari 1985, pleegde hij zelfmoord. Zijn vrouw en dochter stonden voor een raadsel waarom hij dit had gedaan. Pas weken later ontdekten ze dat Cees Bantzinger lid was geweest van de NSB, waarop zijn weduwe zei: ‘Is dat alles?’ Simon Carmiggelt, al decennia een boezemvriend, verzachtte de schok. Hij zei: “Cees dacht in de oorlog precies als wij.”

Sinds zijn dood beheert zijn dochter de nalatenschap van Cees Bantzinger. In 2014 verwierf het Persmuseum al het werk dat hij had gemaakt voor Elsevier; zowel originele tekeningen als krantenpagina’s. Zo blijft het werk van Cees Bantzinger in de belangstelling staan en blijkt te kloppen wat in 1985 in zijn overlijdensadvertentie stond: “Zijn tekeningen blijven altijd.”

 

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: