JACOB ISRAËL DE HAAN

Jacob Israël de Haan (Smilde, 31 december 1881 — Jeruzalem, 30 juni 1924) was een Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde en (anti-)zionist. Hij emigreerde in 1919 als zionist naar Palestina. Hij werd daar op 30 juni 1924 vermoord door Avraham Tehomi in opdracht van de Joodse paramilitaire organisatie Hagana. Jacob Israël de Haan was Jood en homoseksueel. Die “facts of life” bepaalden zijn bestaan en de keuzes die hij daarin heeft gemaakt. Hij ontwikkelde zich van decadent auteur tot orthodox gelovige, van socialist tot zionist, om zich in Jeruzalem met volle overtuiging tot het antizionisme te bekeren. Een man van uitersten, die welbeschouwd alleen in tegenstellingen kon denken. Zijn proza en poëzie getuigen ervan: onschuld vindt schuld op zijn pad, de tijdelijkheid wordt tegenover de eeuwigheid gezet, stad tegenover platteland, zonde tegenover reinheid. De volwassen man, die ‘een jongen in Zaandam is geweest’, omarmt de stad, die hem fel ‘tot zich heeft genomen’. In Amsterdam droomt hij van Jeruzalem, terwijl hij – eenmaal daar aangekomen – weer naar Amsterdam verlangt. Een gevoelsmens? Maar dan wel van de laatromantische soort, waarin doodsdrift, seksualiteit en het pathologische door de ‘ontdekking’ van het onbewuste een geheel eigen dimensie hebben gekregen. Onrust is niet alleen de titel van zijn beroemdste gedicht maar een sleutelwoord in heel zijn oeuvre.

Jacob Israël de Haan wordt op 31 december 1881 geboren in Smilde. Bij was de bijna één jaar jongere broer van Carry van Bruggen, schrijversnaam van Caroline Lea de Haan (Smilde, 1 januari 1881 – Laren, 16 november 1932), die op 1 januari van het zelfde jaar werd geboren. Zijn vader is er gazzen, voorzanger. Izak is een eigenzinnige, conflictueuze man, die vaak moet verkassen nadat hij weer eens met de Gemeente in aanvaring is gekomen. De Haan groeit op in een vrome, straatarme omgeving. Het vak van onderwijzer biedt uitkomst uit de misère. Op de kweekschool is hij een buitenbeentje. Hij kleedt zich als een tienjarige jongen en gedraagt zich als een hypernerveuze Einzelgänger. De cholera minor (St. Vitusdans) waaraan hij lijdt, draagt ook niet bij aan acceptatie door zijn directe omgeving. De Haan zoekt verlichting in de literatuur van de Tachtigers, met name Frederik van Eeden beschouwt hij als een leermeester (“Wilt gy mijn god zijn en mijn vader tevens?”). Uit hun ontmoeting in 1899 ontstaat een vriendschap voor het leven. Ook wordt De Haan een overtuigd socialist. De arbeidersbeweging ziet hij als een vehikel voor zijn emancipatie als Jood, al leidt die al vroeg tot religieuze dilemma’s en mentale problemen.

De tweede belangrijke man in zijn leven is Arnold Aletrino, wiens liberale ideeën over homoseksualiteit hem tot troost zijn. Aletrino is een voorvechter van de homo-emancipatie in Nederland, stelt dat homoseksualiteit geen gevolg is van onzedelijkheid of degeneratie, maar een aangeboren variëteit die gelijkwaardig is aan heteroseksualiteit. De Haan deelt de fascinatie van Aletrino voor misdadigers en of zij verantwoordelijk zijn voor hun daden. Aletrino benadert het vraagstuk van de toerekeningsvatbaarheid op een medisch-antropologisch wijze, De Haan zal zich er uiteindelijk als jurist over buigen. In 1909 behaalt hij zijn doctoraalexamen. Hij trekt zich het lot aan van Russische gedetineerden onder het tsaristisch bewind, identificeert zich met hen en wordt verliefd op één van hen (“Mijn lied stikt in mijn hart als ‘k aan u denk”).

De publicatie van Pijpelijntjes in 1904 doet veel stof opwaaien. Twee bakens vallen dan weg in zijn bestaan. Aletrino krijgt de schrik van zijn leven wanneer hij zich in het romanpersonage Sam herkent en probeert met Johanna van Maarseveen – de echtgenote van De Haan – verspreiding van het werkje te voorkomen door de hele oplage op te kopen. “God, wat zijn de menschen laf, en wat is Arnold Aletrino een laf mensch. Totterdood toe had hij me moeten bijstaan,” verzucht De Haan in een brief aan Lodewijk van Deyssel. Zijn partijgenoten in de SDAP hebben ook moeite met de homo-erotische en sadomasochistische strekking van de roman. De Haan wordt uit de redactie van Het Volk gegooid, waarin hij een kinderrubriek beheert. Het zionisme moet, nu de klassenstrijd zijn strijd niet meer is, de leemte vullen. Ook keert hij als een verloren zoon naar het geloof van zijn vader terug. De liederlijkheid van zijn volwassen bestaan staat in schril contrast met de onschuld van zijn jeugd. Zijn bekering in 1915 schrijven sommige vrienden toe aan godsdienstwaanzin. Hij bestrijdt te vuur en te zwaard het antisemitische stereotype van de Jood als gewiekste handelaar en verheerlijkt hem als landbouwer pur sang. In die geestesgesteldheid vertrekt hij in 1919 naar Palestina.

Binnen enkele maanden is De Haan zionist af. Hij maakt in Jeruzalem kennis met de militante tak van het Joodse nationalisme, vertegenwoordigd door Ze’ev Jabotinsky, maar ook met Joseph Chaim Sonnefeld, de rabbi die het zionistische streven naar een eigen staat als ketterij beschouwt. De stichting van het Joodse koninkrijk is immers aan de Messias voorbehouden. De Haan wordt een agoedist, die in zijn reportages voor het Algemeen Handelsblad onvermoeibaar ageert tegen de zionisten. In de ‘Arabische kwestie’ kiest hij onverdroten de kant van de Arabieren, met wie hij vriendschappen sluit. Door zijn contacten met de Britse gouverneur in Jeruzalem, sir Ronald Storrs, en Abdoellah bin Hoessein, emir van Transjordanië, is De Haan een tegenstander van formaat. Hij wordt in de zionistische pers als een verrader neergezet, een doodsvijand van de jonge pioniers die in het Britse mandaatgebied een thuisland willen stichten, zijn studenten aan de Government Law School boycotten hem. Wederom is De Haan een buitenstaander. Eentje die op straat bespuugd wordt, dit keer. Binnen de Haganah, de paramilitaire organisatie van de zionisten, rijpt het plan om hem te liquideren. Het voornemen krijgt de zegen van Izhak ben-Zwi, de latere president van Israël. Op maandag 30 juni 1924 maakt Avraham Tehomi op klaarlichte dag met drie pistoolschoten een einde aan het leven van Jacob Israël de Haan. In een documentaire van Emile Fallaux uit 1991 (‘Het eind dat niemand keren kan’) betuigt de moordenaar geen greintje spijt. Tehomi schoot De Haan neer op de trappen van het Sha’arei Zedek Ziekenhuis aan de Jaffastraat in Jeruzalem. De moord choqueerde Palestina niet minder dan Europa, maar de moordenaar en zijn motief werden pas veel later ontdekt. Toen twee Israëlische journalisten Tehomi uiteindelijk hadden opgespoord in Amerika en hem voor de Israëlische tv interviewden, gaf hij bereidwillig toe dat hij de moord had gepleegd: “Ik heb gedaan wat de Hagana had besloten dat er moest gebeuren. Trouwens, niets gebeurde zonder opdracht van Itzhak Ben-Zvi (die va 1952 tot 1963 de tweede president van Israël werd). Ik heb daar geen spijt van, want hij [De Haan] wilde ons hele idee van het Zionisme vernietigen.’ Dit was de eerste politieke moord in Palestina. De Duitse schrijver Arnold Zweig herdacht de moord in zijn roman De Vriendt kehrt heim (Berlijn, 1932).

Onrust is een boeiende biografie waarin Jan Fontijn vakkundig laveert tussen leven en werk van Jacob Israël de Haan. Zijn contextualisering van dat leven en werk is subliem en erudiet. We lezen over klassenstrijd en emancipatie, de betekenis van het decadentisme ten tijde van het fin-de-siècle in Nederland (nagenoeg afwezig, met De Haan als grote uitzondering), de filosofische invloed van Henri Bergson, het Sodom en Gomorra van de Pijp rond de eeuwwisseling, en de geschiedenis van het Midden-Oosten in het eerste kwart van de twintigste eeuw. De biografie roept ook vragen op die niet beantwoord worden. Met name de vrouwen komen er in het boek bekaaid van af. Zo blijft de relatie met zus Carry, die de gewelddadige dood van haar broer nooit heeft kunnen verwerken, enigszins in nevelen gehuld. Waarom trouwde De Haan met Johanna van Maarseveen (roepnaam: “Hans”)? Was het huwelijk een “lustige leugen”? (“Toe, laten wij te saampjes / Een beetje aardig liegen”). Niets lijkt definitief in het dramatische leven van Jacob Israël de Haan.

Dit artikel van Eric Palmen verscheen eerder op Biografisch Portaal op 15 juni 2015, hier en daar aangevuld met enkele passages

.
.
..
.
.
.
.
.
.
.
.
Jan Fontijn

Onrust. Het leven van Jacob Israël de Haan
De Bezige Bij
ISBN 9789023491514

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

One thought on “JACOB ISRAËL DE HAAN

  1. Pingback: LIEDEREN 1 | MUIZENEST

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: