LIEDEREN 1

Nog tijdens het leven van Jacob Israël de Haan raakten zijn romans vergeten en hij ging over op de dichtkunst. Al vanaf 1900 had hij jeugdwerk gepubliceerd, maar vanaf 1914 kwamen voldragen bundels uit met gedichten die vaak opnieuw homoseksualiteit tot onderwerp hadden: Libertijnsche liederen (1914) en Een nieuw Carthago (1919) zijn beide geïnspireerd door romans van Georges Eekhoud, de Belgische schrijver die de inleiding had geschreven voor Pathologieën. Tevens maakte De Haan het Jood-zijn tot zijn thematiek, zoals al blijkt uit de titel van zijn tweedelige Het Joodsche lied.

In 1917 verscheen van hem Liederen, een verzameling van 57 gedichten, onderverdeeld in 7 tijdzagen, 13 gedichten aan Russische vrienden, 5 gedichten ‘aan vele vrienden’ en de rest onder de noemer ‘liederen. De twee gedichten hier zijn uit het hoofdstukje ‘aan vele vrienden’.

Het bekendst bleven de postuum uitgegeven Kwatrijnen, een omvangrijke bundel intieme, gevoelige poëzie. Mede om zijn gedichten, emotioneel, eigenzinnig, met een persoonlijke ritmiek, is De Haan een bekend schrijver gebleven. In 1952 werden zijn Verzamelde gedichten uitgegeven, geredigeerd door K. Lekkerkerker; daarna verschenen er verschillende bloemlezingen, zoals Ik ben een jongen te Zaandam geweest, samengesteld door Gerrit Komrij. In 1997-2001 kwam de Grote Nederlandse Letterproef tot stand, een verzameling van zestig teksten van De Haan gedrukt door zestig bibliofiele drukkers, die behoorden tot de Stichting Drukwerk in de Marge.

Aan eenen jongen visscher.

Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen,
Tulpen niet als uw bloote voeten teer,
En in geen oogen las ik immer meer
Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen.

Achter ons was de eeuwigheid van de zee,
Boven ons bleekte grijs de eeuwige lucht,
Aan ’t eenzaam strand dwaalden alleen wij twee,
Er was geen ander dan het zeegerucht.

Laatste dag samen, ik ging naar mijn Stad.
Gij vaart en vischt tevreden, ik dwaal rond
En vind in stad noch stiller landstreek wijk.

Ik ben zóo moede, ik heb veel liefgehad.
Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond
En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk.

Aan eenen zeevaarder.

Gij zult mijn brief in uw zomer ontvangen,
Dien ik vereenzaamd in mijn winter schrijf,
Zwerfgrage Maat, noch hield u mijn verlangen,
Noch de bekoring van een kalm bedrijf.

Uw droom was dwalen en uw kloeke daden
Hebben de weelde van uw droom vervuld,
Uw schip vermeet de verre zee-gestaden
Waar elke nacht een schooner dag onthult.

Waar elke dag de lasten van zijn weelden
Voluit geeft aan uw onverzadigd hart
En iedre tocht, schooner dan droom verbeeldde,
Graag zwerver, u, tot verdre tochten tart.

Want slechts in onrust vindt uw hart zijn rust
En vredig voor mijn wintervuur gezeten
Dreef de onrust u langs maatlooze gemeten
Breeder zeeën naar een zoelere kust.

Langs eilanden glijdt gij, die schoon als droomen,
Zich heffen uit een zonbebloeide zee
Of stoute storm en schots-beschuimde stroomen
Voeren uw steunend schip machteloos mee.

Toch immer boven stilte en storm de luister
Van uw Droom, die stilte wel blij begroet,
Maar meer dan zonstilte is u lief het duister
Van de zee waar de wilde stormwind woedt.

Iederen dag komen de scheepsberichten
Van uwen schipper uit een verder oord,
En iedren nacht branden er nieuwe lichten
Van nieuwe sterren boven brug en boord.

En ik volg nacht en dag uw vlotte wegen,
Uw vrije vreugd vergoedt mijn eenzaam leed,
Voór uw schip ging gaf ik u groet en zegen
Als gij keert houd ik hart en huis gereed.

Wel vaart gij ver, maar eens toch viert uw schipper
Zijn zeilen open voor den westenwind
En schuimend stuift uw stoutgebouwde klipper
Naar Holland, waar ge mij verlangend vindt.

Uw lach zal luid zijn en uw vrije vreugd
Zal luid zijn als de zeewind en de zee.
Mijn vreugd zal stil zijn, daar veel smart mij heugt
En ’t keeren draagt reeds zwaar van scheidenswee.

Gij zijt een kloek drijver, niets dan een zanger
Ben ik door schoonheid van uw drift bekoord,
Hartstochtlijk wager, ongetemd verlanger,
Wat storm, wat stroom, drijft u naar uw laatst oord?

Wat storm, wat stroom? In de maat van mijn zangen
Bind ik de maatloosheid van uw bedrijf,
Gij zult mijn Lied in uw zomer ontvangen,
Dat ik vereenzaamd in mijn winter schrijf.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: