12 AUGUSTUS – MARCELLUS EMANTS

Marcellus Emants (Voorburg, 12 augustus 1848 – Baden (Zwitserland), 14 oktober 1923) was een Nederlandse schrijver. Hij is een van de weinige echte vertegenwoordigers van het naturalisme in de Nederlandse letterkunde en wordt gezien als voorloper van de Tachtigers. Zijn bekendste roman is Een nagelaten bekentenis uit 1894. Hij is hier al uitgebreid aan de orde geweest via een biografie en de integrale versie in 27 delen van zijn verhaal Op Zee.

Voor zijn verjaardag, 170 jaar geleden, een van de vele mooie reisverhalen die Emants heeft geschreven.Van december 1892 tot augustus 1893 maakte Emants samen met zijn echtgenote Eva Verniers van der Loeff een wereldreis, die hen door Brits Indië, Ceylon, China, Japan, Hawaï en de Verenigde Staten voerde. Alle verhalen die hij van deze reis publiceerde verschenen in 1998 bij uitgeverij L.J. Veen in een bundel met de toepasselijke naam ‘Een wereldreis in 1893’. Het merendeel van de verhalen, waaronder ‘Japansche worstelaars’ was eerder in zijn vaste blad De Gids verschenen (dit verhaal in De Gids, jaargang 57, 1893) en werd in 1897 opgenomen in de bundel ‘Van heinde en verre’.

Japansche worstelaars.

Het terrein van den strijd is een vierkant heuveltje van aarde. Een gele cirkel van gevlochten stroo bakent op dezen zwarten grond de ruimte af, dien de overwinnaar niet mag verlaten. Hij moet dus zijn tegenstander er uit of neer werpen. Aan de vier hoeken van het opgehoogde strijdperk verrijzen rood geverfde palen, die, schuin naar binnen opstijgend, een dak torsen van donker blauwe lappen. Om deze tent heen ligt de menigte op de knieën in het gras, voeten en beenen verbergend onder grijze en blauwe kimono’s, de hoofden gedekt met zwarte Engelsche ronde hoedjes of omwoeld met blauwe doeken: een ordelooze aaneenschuiving van donkere driehoekige hoopjes met witte dotjes op de ruggen. En om dit parterre heen verheffen zich, tegen de heining aan, nog open loges, luchtig samengetimmerd als de steigers om een onvoltooid huis, belegd met gele matten en beschut door een dak van rafelende lappen en lorren vol gaten. Ook in die loges liggen de Japanners op de knieën met de zwart gelakte rooktoestelletjes en de wit houten etensdoosjes vóór zich.

De lucht is grauw; maar ’t regent niet; juist goed weer voor de vertooning. Een jongen veegt met een grooten bezem het strijdperk aan, hangt bakjes met zout en mandjes met papier tegen twee der palen, plaatst er emmers water onder, waarin gelakte drinknapjes drijven, gaat dan beneden op een bank zitten en begint twee houten tegen elkander te slaan; dit is de muziek. Twee met waaiers gewapende mannen beklimmen het heuveltje, knielen voor de twee leege palen neer, met de handen in den schoot en even als de toeschouwers de beenen zoo goed onder de uitplooiende kimono’s verbergend, dat zij blauwe driehoeken vormen, die achterover leunen tegen de roode stijlen; dit is de jury. Nu treedt een man op, die boven een donker groenen stijven rok een licht groen overkleed draagt, dat, van achteren den heelen rug bedekkend, in scherpe hoeken over de schouderbladen uitstaat en van voren, tot twee banden versmald, neerdaalt tot op het middel. Hij doet denken aan een kapel met onontwikkelde vleugels. Ook deze heeft een waaier, dien hij gesloten, met beide handen recht voor zich uit houdt, terwijl hij midden in het perk op de hurken neerzijgt.

De muzikant klept met zijn houten en thans verschijnen de eerste strijders. Zij komen van rechts: negen zoo goed als naakte kerels, allen grof van bouw en boven de Japansche middelmaat, de glimmende, gele huid op den rug rood gevlekt door de moxa’s, op de schouders beplakt met witte pleisters. Om de lendenen hebben zij een breeden band van donkerblauwe zij en daarvóór hangt een zwaar geborduurd voorschoot tot op de enkels af, zwart en wit en rood gestreept of ook wit van kleur, afgezet met groen en goud. Het zwarte haar dragen zij achterover gestreken en midden op het hoofd tot een dikken staart samengebonden, die, breed beginnend en strak voorovergetrokken, boven op de kruin al eindigt. Zij komen met logge, langzame passen achter elkander aan, den gespierden linkerarm met de breede knoestige hand krom afhoudend van het zware lijf, met den rechter een tip van het voorschoot even oplichtend.

Op het heuveltje aangeland vormen zij statig en stil een cirkel om den neergehurkten waaierdrager, de beenen wijd vaneen, de domme zwarte oogjes in de plompe koppen gedachteloos voor zich uit gericht. En zonder dat een bevel weerklinkt steken zij allen tegelijk de beide armen eerst recht voor zich uit, klappen met langzame beweging driemaal de handpalmen tegen elkander aan, strekken ze naar rechts, strekken ze naar links, draaien de handen om en terug, heffen den linkerarm op, heffen den rechterarm op en gaan weer in volgorde heen met logge, langzame passen, den gespierden linker arm met de breede knoestige hand krom afhoudend van het zware lijf, met den rechter een tip van het voorschoot even oplichtend. Op de negen van rechts volgen er negen van links en weer kleppen de houten op elkander. In lichaamsbouw verschilt het tweede negental niet veel van het eerste; maar de voorschooten zijn kleuriger en fraaier geborduurd; een paar hebben ze van donker blauw fluweel opgelegd met groote, gouden letters; op een paar anderen prijken zwaar geborduurde draken omgeven door een breeden, gouden rand. Op de hoogte maken zij precies dezelfde bewegingen als de eersten rondom den neergehurkten waaierdrager en dan keeren ook zij terug met logge, langzame passen, den gespierden linker arm met de breede, knoestige hand krom afhoudend van het zware lijf, met den rechter een tip van het voorschoot even oplichtend.

Een derde en een vierde negental verschijnen en, daargelaten dat de lichamen allengs zwaarder worden en de voorschooten kleuriger van borduursel en schitterender van goud, herhaalt zich telkens dezelfde vertooning. Na de vierde reeks roept eerst de man met de houten staven iets af en beklimt dan een nieuw personage het tooneel van den aanstaanden kamp. De nieuw opgetredene, een oud ventje in ’t blauw, draagt weer den stijven rok en de stijf uitstaande rugbekleeding, welke een man van achteren gezien op een vlinder doen gelijken met half afgesneden vleugels. Bovendien heeft hij een zwaard op zij, waarvan het wit ivoren gevest en de zwart gelakte schee op de hoogte van zijn middel van voren en van achteren uitsteken. Hij doet verbazend deftig; elke beweging is afgemeten; geen trek van zijn doorploegd gezicht verraadt eenig leven. Eerst begroet hij met een lange diepe buiging den waaierdrager, die teruggaat onder het publiek; vervolgens neemt hij zelf van een hurkenden jongen een toegeslagen waaier met violet lint en violette kwasten aan, die hem, op een kort zwaard liggend, met twee handen wordt aangeboden.

Dan roept hij iets af. Vermoedelijk deelt hij mee, dat wij nu de mindere goden gezien hebben en dat de grootmeesters (1) in aantocht zijn. Te oordeelen naar de houding van het publiek, dat trouwens de dwaze ceremonie van den aanvang af met den grootsten ernst (2) gevolgd heeft, vertelt hij niets geks; maar toch is ’t voor een Europeaan moeilijk niet in lachen uit te barsten. Zijn waaier recht voor zich uitstrekkend houdt hij een poosje, lucht opsnuivend, den adem in en als dan zijn longen goed gevuld zijn, trekt hij zijn wenkbrauwen op tot zijn voorhoofd vol rimpels staat en jankt hij de vergaarde lucht met een pijnlijk hoog geluid door zijn neus weer uit. Een reeks van afschuwelijke, langgerekte, samengeknepen tonen, die op ’t mauwen van een krolschen kater gelijken, volgen. Bij elken aanhef blaast het ventje zich op, tot hem de oogen uit hun kassen puilen en de aderen zwellen op de slapen. Dan schokt zijn mager hoofd vooruit door het uitpersen van den klank en als hij rood van inspanning zijn hoogsten jank heeft uitgegalmd, besluit hij met het wegstervend gekraai van een schorren haan. Een plechtige stilte volgt op deze inleidende muziek; maar thans komen de grootmeesters te voorschijn en hervat de man met de houtjes zijn zenuwachtig geklep.

De grootmeesters zijn drie in getal: leelijke, bleek-gele, glimmend-vette kolossen, met breede worstachtige vingers en harde dikke koppen, opgebouwd uit aaneengeregen zware spierbundels, omlijnd door een aaneenschakeling van cirkelsegmenten. Voor hun hangbuiken bibberen prachtige voorschoten van violet fluweel met breed wit borduursel en lange gouden franje; bij den middelste en vetste hangt de zware lap aan een dik wit koord, dat met gohei1) versierd midden op den rug eindigt in een hoogopstaande wijdgeoogde lus. De eerste draagt in een zwart gelakte schee een lang zwaard rechtop in de hand; de anderen houden weer een tip van hun voorschoot even in de hoogte. Zij stappen met wijde passen nog logger dan de vorigen, als kostte ’t hun moeite de breede schonken op te heffen en uit te strekken onder het gewicht van hun vet. Op het terrein aangekomen plaatsen zij zich tegenover het oude ventje en begroeten hem met een lange, diepe buiging, die hij met een lange, diepe buiging beantwoordt. Dan hurken allen neer. De middelste maakt nu alleen de plechtige gebaren: het vooruitstrekken van beide armen, het langzaam klappen in de handen, het naar rechts strekken van den rechter arm, naar links van den linker, het omdraaien van de handen heen en terug. Vervolgens richt hij zich op, gaat naast den blauwen man staan, steekt weer de handen vooruit, slaat weer met de palmen tweemaal tegen elkander, strekt de rechter hand naar beneden, tot zij den grond raakt, terwijl de linker voet omhoog rijst, valt met een bons op dien linker voet terug, terwijl de rechter voet zich opheft, hervat de beide bewegingen, hurkt dan weer neder bij de twee anderen, herhaalt het uitsteken en het samenklappen der handen en keert met zijn gezellen achter de heining terug, even log met wijde passen voortstappend als bij hun opkomst.

Nadat nu door den eersten groenen waaierdrager – die wederom met een diepe buiging tegenover den blauwe diens plaats heeft ingenomen – van een rol losse papieren met een akelig uitgeperst gemauw de namen zijn opgeroepen van hen, die vandaag, uit het Oosten of uit het Westen komend, tegen elkander zullen vechten, galmt een jongen naar rechts en naar links, met een witten, geopenden waaier gesticuleerend, nog eenige neuzige klanken uit. Hiermee is de inleidingsceremonie afgeloopen. Het publiek wordt nu weer rumoeriger; grijnzende kooplui prijzen hun waren aan: bakjes met eten, keteltjes thee, fleschjes sodawater en bier, en ondertusschen komen één voor één de worstelaars terug, ontdaan van hun voorschooten, naakt behoudens den breeden band om de heupen. Verdeeld in twee kampen: twee rijen van bruin-gele vleeschmassa’s, nemen zij onder aan de hoogte tegenover elkander plaats en zoodra allen aanwezig zijn, springt er een zonder nadere aankondiging op het terrein, strekt tartend de zware armen met gebalde vuisten naar de overzijde heen en begint luid snuivend korte aanhitsende klanken uit te stooten. De uitdaging wordt aangenomen. Aan den overkant werpt een lange, bruine kerel zijn mantel af en springt naakt tegen de helling op; maar nauwelijks is hij boven, of hij voelt zich aangegrepen, geknepen, gewrongen, geklemd, geduwd, getrokken, geschud, geperst als tusschen twee stalen veeren. En ook hij grijpt, knijpt, wringt, klemt, duwt, trekt, schudt, perst en snuift tartend tsa, tsa. De twee zijn blijkbaar aan elkander gewaagd; zij hebben elkander stevig beet, nu bij de nekken dan bij de armen en terwijl de man met den waaier, schreeuwend en naar de voeten kijkend, om hen henen loopt, doet ieder al blazend en grommend en hijgend geweldige pogingen om zijn tegenstander over den strooien cirkel heen te dringen of op te heffen en weer neer te smakken tegen den grond. Zij schuiven voor- en achteruit, plukken met de dikke vingers, bonzen en duwen met koppen en schouders, tot plotseling de grootste den ander over zijn rug heen bij zijn band grijpt, hem opheft, neergooit en uit den cirkel doet rollen, van de helling af naar het publiek.

Een luid gegil en gefluit stijgt omhoog uit de joelende menigte; maar reeds is een tweede tegenstander opgesprongen naar het terrein, heeft den overwinnaar aangepakt, omgesmeten en is neergevallen op zijn last. Nu snelt een derde toe en grijpt op zijn beurt den tweeden overwinnaar aan, die zich nog niet eens geheel heeft kunnen oprichten. De stalen armen omsluiten als slangen de vette lijven en wringen zich om de trappelende beenen; hoofden en schouders schudden en schokken heen en weer. Eindelijk glijdt de aanvaller uit, zet een voet buiten den cirkel en heeft dus verloren Spuwend in zijn handen daagt de tweede overwinnaar een derden strijder uit; maar als hij dezen dadelijk met één geweldigen smak wil neervellen, bukt de ander zich bliksemsnel onder zijn beenen, heft hem met zijn schouders in de hoogte en gooit hem spartelend omver. Wie er drie neerwerpt krijgt een getuigschrift van een der kalm toeziende juryleden; maar bijna niemand brengt het zoover. Doorgaans is de eerste tegenstander nauwelijks overwonnen, of de zegepraler bijt al zelf in het zand, neergeveld door nummer twee. ’t Is een warreling van naakte lichamen, die opspringen en elkaar aanvatten, samengeperst tot één gedrocht omverbuitelen, weer uiteenrollen en opstaan, weer toegrijpen en neersmakken in het zand. In de snelle botsingen van vleeschklompen, de wringingen van armen en knuisten, de strekkingen van kuiten en dijen, de spartelingen van losspringende beenen is ’t haast niet mogelijk het verloop van den strijd te volgen. Als razende dieren vliegen de worstelaars brullend tegen de helling op, grijpen wat zij maar grijpen kunnen, hijgen, schreeuwen, tieren, trekken elkander bij de haren, stompen, beuken, knijpen elkaar in den strot en terwijl de man met den waaier: tsa, hoe, hoet schreeuwend om hen henen loopt en springt en danst, terwijl het publiek gilt en juicht en lacht, blijven de beide rechters roerloos, kalm hun papiertjes uitreikend aan de weinigen, die drie aanvallers zegevierend afslaan. Eindelijk hebben allen een beurt gehad en is de woeste worsteling gedaan. Dadelijk bedaard gaan de naakte kerels weer heen: sommigen met een nieuwen schram, anderen zich wrijvend, de meesten ongedeerd en allen onverschillig.

En nu begint het tweede, minder vermakelijke, maar in de oogen der kenners hooger staande deel der vertooning. Zoodra het zand van het strijdperk weer is aangeveegd en de jongen met den witten waaier neuzig galmend iets heeft afgekondigd, bestijgen twee der meesters plomp-deftig de hoogte. Gelijk de anderen dragen zij zijden banden; maar deze hebben er lange, dunne franjes aan. Boven aangekomen hurken zij neer op den cirkel van stroo, strekken weer de armen vooruit en klappen in de handen, terwijl de man met den waaier nogmaals iets uitroept. Dan stellen zij zich rug tegen rug, de voeten zoo wijd mogelijk vaneen, heffen het rechterbeen haaks gebogen zoo hoog mogelijk op en stampen met een geweldigen zet den blooten voet vast neer in den zwarten grond. Na een paar keeren op de gestrekte dijen doorgezakt en weer omhoog gerezen te zijn om hun elasticiteit te beproeven, heffen zij ook het linker been op en stampen ’t zwaar neer, als wilden zij een gat trappen in den bodem. Daarna trekken zij kalm de beenen weer bijeen, kloppen zich eens tegen het lijf, gaan met een paar log-deftige passen ieder naar een emmer, scheppen er water uit, dat zij opslurpen en weer uitspuwen over armen en voeten, vegen zich met een papiertje af, nemen wat zout uit het bakje, dat zij achteloos om zich henen strooien (4) en hurken weer neer op den cirkel van stroo.

Een poos blijven zij stil tegenover elkander zitten, dom-leuk voor zich heen of op zij kijkend, spuwend op den grond, zich wrijvend over de armen. Dan stelt de man met den waaier zich naast hen in postuur. De beenen vaneen, den waaier voor zich uitgestrekt gaat hij zóó staan, dat zijn twee gekouste voeten in een loodrechte lijn komen op de richting, waarin de kampvechters elkander zullen aangrijpen en het hoofd links wendend, als een soldaat, die zich richt, geeft hij acht op de eerbiediging der vastgestelde wetten (5). Thans rijzen de beide naakte kolossen tegelijk langzaam omhoog, gaan op elkander toe, zetten de voeten stevig vaneen en buigen de groote hoofden voorover, tot zij met de handen moeten steunen op de breede dijen. In deze houding blijven zij lang: kop tegen kop, oog in oog, als wilden zij elkander fascineeren, en naast hen ziet de waaierdrager met schuinen blik in gespannen aandacht toe. Allengs glijden de handen lager, zinken de hoofden dieper en rijzen de achtersten hooger, tot zij recht overeind staan als groote, bruine schijven. Nu laten de vingers behoedzaam de breede knieën los en krommen zich tot dikke klauwen, die van de zware armen afhangen tot op den grond. En plots, met een korten, heeschen schreeuw, die op het gesmoord geblaf van een hond gelijkt, grijpen de vier handen toe: twee omvatten de dikke nekken, de twee anderen pakken de gestrekte armen. Nog heeft geen van beiden eenig voordeel behaald. Weer volharden zij dus in deze houding: kop tegen kop, oog in oog, met zwellende spieren, strak saamgeknepen lippen en valsch turende blikken, tijgers gelijk, die zich gereed maken tot een sprong. Maar eindelijk rukt de een eensklaps zoo hevig aan den voorovergebogen hals, dat de ander bijkans het evenwicht verliest. Deze buitelt zijwaarts in een halven cirkel af, houdt zich echter staande, slaat zijn armen om het dikke middel van zijn tegenstander en perst het ineen, als wilde hij de ribben doen kraken. Nog even poogt de ander zijn schouders neer te drukken en zich los te wringen uit de omarming; maar hij buigt hem achterover, van de been en ploft hem onder zich neer. En weer joelt en gilt en fluit het publiek; men stoot elkander aan, praat heftig en schrijft wat op kleine stukjes papier (6).

Ondertusschen is de overwinnaar kalm neergehurkt voor den man met den waaier, die, zijn wapen over hem heen strekkend, met een doordringenden jankkreet zijn naam uitgalmt. Daarna gaan de beide kampvechters heen langzaam, log en onverschillig, als tamme olifanten opgewekt uit hun middagslaap. Een tweede paar komt op en weer worden de namen afgeroepen, de beenen omhoog geheven en neergestampt. Weer wordt er water geschept en geslurpt, weer hurken de twee tegenover elkander neer, leuk voor zich heen of op zij kijkend, spuwend op den grond, zich wrijvend over de armen. De man met den waaier zet zich schrap; de vette lijven rijzen op, de dikke koppen buigen tot elkander over, de groote achtersten rijzen recht omhoog; maar als de breede knuisten willen aangrijpen, doen zij ’t niet precies op hetzelfde oogenblik en nu moet alles van voren af aan worden herhaald. Nogmaals wandelen de naakte kerels naar de respectieve emmers, slurpen water, spuwen ’t uit over hunne beenen en armen, vegen zich af met papiertjes en strooien zout in de rondte. Vier keeren mislukt op deze wijze de aanval; vier keeren moet alles weer over worden gedaan en als eindelijk de greep goed is gekeurd en de man met den waaier: tsa, tsa roepend, hen aanvuurt tot den strijd, blijven de kolossen als twee strijdlustige bokken, die op elkaar in zijn gerend, of liever nog als twee voorover vallende rotsblokken, roerloos tegen elkander aan geleund. Schouder tegen schouder gedrukt duurt het lang eer een van beiden een hand durft losmaken om een nieuwen greep te wagen. Glijdt eindelijk een der klauwen af, dan laten ook de vingers van den ander los en terwijl boven de zware lijven nog altijd opduwen en persen, slaan beneden de bengelende handen elkander terug in het grijpend tasten. Zoodra de een beet heeft, lijkt de ander verloren; maar nu bukt deze zich vlug, vat zijn tegenstander onder de knie, dwingt hem achteruit te hinken en smakt hem achterover met zijn kop omlaag op de helling neer.

Een worsteling van twee der grootmeesters besluit de vertooning en voor dit slot-tafreel vervangt de blauwe man met waaier en zwaard weer den groene, die alleen een waaier heeft. De worstachtige vingers van deze vormlooze vleeschklompen grijpen dadelijk raak; maar langer dan ooit duurt het eer een van de vette massa’s neerploft op de aarde. Zij houden elkander zoo onbewegelijk omvat, dat de beide lichamen één reusachtig ivoren beeld lijken, het konterfeitsel van een monsterlijke omhelzing, gesneden uit een voorwereldlijken olifantstand. Van vlugheid is bij dit paar geen sprake meer; ook geen spierzwelling valt op de bobbelige armen meer waar te nemen. De zware rompen omklemd door kolossale scharen van knijpende spieren blijven roerloos, totdat eindelijk een onmerkbare verschuiving van kracht het evenwicht verstoort. Dan rolt de logge hoop omver en is de bovenste helft overwinnaar.

  1. Volgens Régamey zijn de worstelaars verdeeld in adspiranten (Komosobi), meesters (Maigashira) en grootmeesters (Ozeki).
  2. De zin voor het ceremoniëele schijnt den Japanner erfelijk in het bloed te zitten. Niet alleen zijn hunne eenvoudigste begroetingen allerpotsierlijkste vertooningen; maar men geeft nog wel voorstellingen van de ouderwetsche wijze van ceremoniëel te paard te stijgen en ceremoniëel een paard te besturen, waarbij het publiek met den grootsten ernst de belachelijkste bewegingen volgt van armen, handen, karwats en teugels. Volgens de oude school heeft een ruiter 63 bewegingen tot zijn beschikking om een ros te doen gehoorzamen en deze 63 onzinnige rukken worden met de grootste deftigheid vertooud door een ruiter op een houten paard.
  3. Gohei zijn witte papiertjes en bosjes stroo, die in de Shinto tempels hang en en waarvan de historische beteekenis niet vast staat.
  4. Tegen kwade invloeden
  5. In den ‘Spectator’ deelde de Heer Van Schermbeek mede, dat er 48 verschillende geoorloofde grepen bestaan.
  6. Naar ik vernam weddenschappen.
Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: