ALBERT VERWEY

Albert Verwey (Amsterdam, 15 mei 1865 – Noordwijk aan Zee, 8 maart 1937) was een Nederlandse letterkundige (dichter, essayist en vertaler). Hij was de zoon van een Amsterdamse meubelmaker, die gewoon Verweij als achternaam had. Albert groeide op in een rechtzinnig-hervormd gezin. Toen hij vijf jaar was verloor hij zijn moeder, bijna acht jaar later zijn vader. Zijn leraar Nederlands, Dr. Willem Doorenbos herkende in Verweys eerste gedichten een opmerkelijk talent en bracht hem in contact met een oud-leerling, Frank van der Goes. Deze stelde hem op zijn beurt in december 1881 voor aan Willem Kloos, die zich terstond als Verweys mentor opwierp. Kloos, Van der Goes, Verwey richtte in 1885 het tweemaandelijkse literaire tijdschrift De Nieuwe Gids op, samen met twee andere aanstormende talenten, Frederik van Eeden en Wouter Paap. In oktober 1885 verscheen de eerste aflevering, met Verwey als redacteur en redactiesecretaris. De Nieuwe Gids zou tot 1943 blijven bestaan, maar Verwey zou er al in 1889 opstappen na een conflict met Kloos. De reden van de verwijdering is nog steeds in nevelen gehuld. In het begin waren Kloos en Verwey namelijk volkomen kunstbroeders, maar nadat Verwey een relatie kreeg met Kitty van Vloten raakte ze voor eeuwig gebrouilleerd. Het fijne van de beroemde vete, die eenzijdig van Kloos uitging, is nooit duidelijk geworden. Hadden ze een homo-erotische vriendschap die door Verweys nieuwe relatie spaak liep of was het een zuiver artistieke breuk, vond Kloos dat Verwey de principes van Tachtig verloochende? In 1889 verscheen van de pas 24-jarige Verwey de driedelige Verzamelde Gedichten, wat gecombineerd met zijn opstappen bij De Nieuwe Gids de indruk wekte dat het gedaan was met zijn artistieke leven. Het tegendeel was echter waar, Verwey was tot zijn dood een van de productiefste letterkundigen van het begin van de twintigste eeuw.

Op 6 maart 1890 trouwde Verwey met Kitty van Vloten (1867-1945), dochter van de literator en theoloog Johannes van Vloten (1818-1883), en vestigde zich in de periferie van het literaire Amsterdam in Noordwijk. Het echtpaar kreeg vier dochters en drie zonen. In 1886 had Kitty een lange reis gemaakt door Scandinavië en Rusland. Weer terug in Nederland maakte ze deel uit van kunstenaarskringen in Haarlem en Amsterdam. Ze was daardoor bevriend met de Tachtigers Sam Aletrino, Jacobus van Looy, Chap van Deventer en Albert Verwey en met de schilder George Hendrik Breitner. Kitty van Vloten schreef en vertaalde vaak teksten die ten goede kwamen aan haar echtgenoot. Zo vertaalde ze in 1887 een vertaling van de novelle Mogens van de Deense auteur Jens Peter Jacobsen, die Verwey publiceerde in zijn tijdschrift De Beweging. Ook de gedichten van Jacobsen die Van Vloten vertaalde werden in Verwey’s dichtbundel Oorspronkelijk Dichtwerk geplaatst. Samen met haar echtgenoot vertaalde van Vloten gedichten van verschillende Zweedse en Zweeds-Finse dichters, de Oostenrijker Leopold Andrian en Johannes Linnankoski. Tegelijk trad ze op als ‘zaakwaarneemster’ van haar echtgenoot en was ze zijn muze: ze kwam op voor zijn belangen, verzorgde zijn correspondentie (ze schreef ook in zijn naam) en nam hem veel werk uit handen.

Verwey had een uitgebreid netwerk. Toen De Nieuwe Gids na jaren van interne strijd en de leegloop van prominente medewerkers aan kwaliteit inboette, richtte Verwey samen met Lodewijk van Deyssel het Tweemaandelijksch Tijdschrift voor letteren, kunst, wetenschap en politiek. In september 1894 verscheen de eerste aflevering. In 1902 werd het tijdschrift omgedoopt in De XXe Eeuw, dat maandelijks zou verschijnen. Vanwege een conflict over de te volgen koers stapte Verwey in 1904 uit de redactie van De XXe Eeuw en besloot hij een eigen tijdschrift op te richten: De Beweging, een ‘algemeen maandschrift voor letteren, kunst, wetenschap en staatkunde’ dat tussen 1905 en 1919 verscheen. De Beweging keerde zich af van impressionistische en naturalistische kunstopvattingen. Aanvankelijk was Albert Verwey de enige redacteur, maar in 1908 werd de redactie uitgebreid met onder meer de architect Hendrik Petrus Berlage en Isaäc Pieter de Vooys. Het blad publiceerde veel poëzie van onder meer Verwey, Pieter Nicolaas van Eyck, J.C. Bloem, Victor E. van Vriesland, Martinus Nijhoff en Hendrik Marsman. Verwey was en bleef de centrale figuur die de toon bepaalde met boekbesprekingen, essays en kritische artikelen over poëzie, ook internationaal. Het tijdschrift zou tot 1919 blijven bestaan.

In deze periode ontstond ook het contact met Stefan George, waarover hij in 1934 na de dood van George een boek schreef: Mijn verhouding tot Stefan George, Herinneringen uit de jaren 1895-1928. Hij hielp bijvoorbeeld Stefan George bij de Nederlandse vertaling van enkele verzen uit Dante’s Divina Commedia. Het werk van George had grote invloed op Verweys poëzie, die soms eenvoudig lijkt, dan weer ontoegankelijk en raadselachtig. ‘Toon’ en ‘klank’, geënt op de ‘van binnenuit inspirerende idee’ waren sleutelbegrippen in zijn poëzie, die niet overal even goed werd gewaardeerd. Critici merkten op dat er nogal wat discrepantie zat tussen de soms hoogdravende titels van zijn gedichten en de inhoud ervan. De kring van dichters en andere kunstenaars rond zijn tijdschrift De Beweging werd soms schamper als de ‘Noordwijker Kamer’, maar daar stonden zijn gedegen studies tegenover van Vondel, Potgieter, Bilderdijk of Spieghel. Verwey vertaalde ook werk van Shelley, Hofmannsthal en anderen in Poëzie in Europa (1920). Zijn essays over ‘mensen en stromingen’ uit de eerste decennia van de twintigste eeuw zijn gebundeld in tien delen Proza (1921-23).

In de periode van “De Beweging” was Verwey ongetwijfeld een van de meest gezaghebbende figuren binnen de Nederlandse letteren. Van de Groningse Universiteit ontving hij in 1914 een eredoctoraat, hoewel hij zich altijd, bij gebrek aan een voltooide academische studie, met al dan niet gespeelde bescheidenheid autodidact is blijven noemen. Van 1924 tot 1935 was Verwey hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hoewel zijn colleges slechts de intentie hadden te worden aangehoord, was er toch van enige interactie sprake doordat hij zijn studenten de gelegenheid gaf tot voordrachten of spreekbeurten. Op de plaats in Noordwijk aan Zee waar hij tussen 1928 en 1935 regelmatig op de tram naar leiden wachtte, staat sinds 1976 een borstbeeld van hem: een bronzen kopie van de kop van Verwey, in de jaren dertig gemaakt door Oswald Wenckebach. Verwey was ook lid van Commissie-Marchant, die in de jaren dertig een spellingvernieuwing voorbereidde.

Tussen zijn aftreden in 1935 en zijn plotselinge dood nog geen twee jaar later was zijn productie veelzijdig en belangrijk. Na Het lachende Raadsel (1935), waarin de herdenking van Stefan George een ruime plaats inneemt, en het afzonderlijk uitgegeven hartstochtelijke strijdgedicht De Dichter en het Derde Rijk (1936) verscheen nog de bundel In de Koorts van het Kortstondige (1936), waar een beheerste zelfopenbaring als Ik en mijn Land contrasteert met het felle en bittere tijdsgedicht Aan een Vriend die wil dat ik Vrede predik. Zijn Inleiding tot Vondels Volledige Dichtwerken en Oorspronkelijk Proza (1937) bewees, zoals reeds vroeg zijn Leven van Potgieter (1903), hoe verrijkend voor ons inzicht in poëzie van vroeger het woord van een dichter kan zijn. Veel weerklank vond het essay Het Lijden aan de Tijd (1936), geschreven als antwoord op een enquête: een waarschuwing tegen kleinmoedigheid en wanhoop en laatste belijdenis van trouw aan Spinoza, wiens godsbegrip (bij Verwey ‘het Leven’) in zijn gehele geestelijke werkzaamheid centraal staat. Na zijn overlijden bleek, ook nog uit het algemeen bekend raken van gedeelten uit zijn cantate Honestum petimus usque (geschreven voor het lustrumconcert van het Amsterdams Studentencorps in 1937) en de wijze waarop bij de Vondelherdenking het gelegenheidsgedicht Amsterdam en Vondel (1937) ontvangen werd, hoezeer Albert Verwey een nationale figuur was geworden.

Postuum verscheen nog zijn studie over Frederik van Eeden (1939), die dateerde uit de tijd van zijn professoraat. Ook na zijn emeritaat ontwikkelde hij in zijn laatste levensjaren nog een koortsachtige activiteit, die deels politiek geëngageerd was, waarvan de ‘tijdsgedichten’ uit de jaren van de opkomst van het fascisme in Duitsland getuigen. Het Verwey-Archief bevindt zich in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. In 2011 werd het graf van Verweij op de Algemene Begraafplaats te Noordwijk gerestaureerd in opdracht van een fonds, dat door de Ned. Boekverkopersbond en het prins Bernhard cultuurfonds is gesticht om de graven van belangrijke literatoren in stand te houden.

 

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

One thought on “ALBERT VERWEY

  1. Pingback: ALBERT VERWEY – DE DICHTER EN HET DERDE RIJK | MUIZENEST

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: