DOKTER, DOKTER, ALLEMAAL DOKTERS (3)

wachtkamer3DOKTER, DOKTER, ALLEMAAL DOKTERS
De onbekende kant van de gezondheidszorg
Verhalen met en over dokters
(deel 3)

door
JOEP SCHOLTEN
.
.
.
(deel 1) (deel 2)

.
Voorwoord (2e deel)

Waar ik ook kom en de gelegenheid zich voordoet, sta ik voor boekenkasten. Ik hou van boeken. Vooral de exemplaren die ik daar met mijn blik over hun rug streel. Ze bieden me een bepaald inzicht, vormen een onverwachte aanleiding. In ieder geval verraden ze iets over de man of vrouw waarmee ik een gesprek begin. Dus val ik met de deur in huis via de naam van een schrijver of dat ene boek met het thema of het idee daarin verwoord. Naadloos glijden we zo via een zo pas ontdekte gemeenschappelijke bewondering of hobby in het serieuze werk. Ik kom ten slotte om iets te verkopen. Om dat goed te doen, wil ik zoveel mogelijk weten. Bijvoorbeeld, waarom ze voor dit werk kozen of, hoe zij denken dat het zich ontwikkelt in een wereld waarin mensen steeds banger lijken te worden en in een leven dat almaar langer lijkt te duren. Ik leg het neer als dilemma. Ondertussen monster ik hun verbazing, speel er mee zodra dat uitkomt. Allemaal onderdeel, realiseer ik me achteraf, van een zoektocht. Bij gebrek aan antwoorden stel ik vragen. Het wordt mijn specialiteit.
Impertinente vragen bestaan niet, leer ik, wel vragen gesteld door de verkeerde persoon op het verkeerde moment. Daar ben je dus zelf bij. Dus zodra ik de spreekkamer binnentreed, blijft de verkeerde persoon buiten en het beste moment leg ik hoogstpersoonlijk op tafel. Daarna zwijg ik tot hun antwoord onontkoombaar wordt. Soms lijken ze op een ontboezeming. Zoals ‘Ik ben het zo zat, al die zeurders’ of ‘Eindelijk een normaal mens, even een sigaretje opsteken’ (unser Gespräch dauert eine Zigarette en daarna wapperen we als twee idioten voor een open raam. De spreekkamer moet weer vrij van tabaksgeur.) of ‘Straks als de kinderen groot zijn, ga ik terug naar Afrika. Daar voel ik me pas echt dokter’. Van een enkeling weet ik dat ze de daad bij het woord voegden.

Bij farmaceutische bedrijven stel ik die vragen ook. Dat wordt slechts ten dele op prijs gesteld. Hoe groter het bedrijf, des te minder vragen er gesteld worden, is mijn ervaring. En groot zijn ze bijna allemaal tegenwoordig. De afgelopen twintig jaar stond bol van de fusies in farmaland. Er zijn een paar verklaringen. Natuurlijk is er de standaardgekte van een nieuw aangetreden CEO. Zijn megalomanie levert vooral hemzelf meer geld op. Aan groter kleeft nu eenmaal de bespottelijke logica van meer aanzien en meer inkomen. Een steekhoudender reden voor fusies zijn de almaar stijgende kosten voor het ontwikkelen en op de markt brengen van nieuwe geneesmiddelen. Een groter volume verteert gemakkelijker de grotere risico’s. Ook verhullen ze beter de contraproductiviteit van de cultuur van mannetjesmakerij. Wie regelmatig verkast, zoals ik de laatste vijftien jaar deed, herkent onmiddellijk de symptomen. Eén vergadering is vaak al genoeg om te weten hoe het zit.
Een voorbeeld. Ik ben ingehuurd voor een tijdelijk project bij een grote multinational. Tijdens een werkbezoek aan het hoofdkantoor in de VS horen we presentaties van verschillende researchafdelingen aan. Wie gewend is naar gezichten te kijken en tussen de regels te luisteren, proeft de onderlinge kinnesinne. Volgens hun geestelijke vaders worden sommige producten behandeld als weeskinderen. In de Nederlandse vestiging vind je daarvan de weerslag. Een voormalig directielid is zijwaarts geparkeerd. Hij mag zijn dagen slijten als opvangadres voor producten waar de afdeling Jong en Dynamisch zijn neus voor ophaalt. Alleen al de plek waar hij kantoor houdt, ergens aan het eind van een gang, spreekt boekdelen. Plotseling zijn er aanwijzingen voor een mogelijk commercieel succes. De in het productfolio aanwezige β blokker – de zoveelste op een overvolle markt, maar de marketingafdeling durfde het niet openlijk te weigeren en kreeg het dientengevolge door haar strot geduwd – zou iets extra’s doen bij vooral de systolische (bovendruk) waarden bij hypertensie. Meer klinisch onderzoek lijkt commercieel interessant. Iedereen kijkt naar elkaar, niemand voelt zich geroepen tot een definitief ja of nee. Daarom krijgt de medische afdeling opdracht tot het schrijven van een onderzoeksprotocol. Er wordt zelfs budget vrijgemaakt. Internisten van naam op het gebied van hypertensie worden benaderd. Dat gaat voortvarender dan sommigen hadden gehoopt. Het onderzoek kan starten. Vanaf dat moment begint het tactisch gedonderjaag. Uit angst voor ‘commerciële’ schade aan een product dat nauwelijks verkoopt en waarin niemand gelooft, traineert de afdeling marketing. Voortdurend zet men vraagtekens bij bepaalde doelstellingen van het onderzoek. Het protocol moet aangepast. Steeds opnieuw wordt eraan gesleuteld. Al snel haakt de ene na de andere specialist af. Het onderzoek komt uiteindelijk niet van de grond. Het mocht wat extra kosten, maar tenslotte wandelt de voor een klein moment beloftevolle β Blokker met mogelijk extra bescherming tegen toekomstige CVA’s (cardiovasculaire accidenten) geluidloos uit het patent.

Terugdenkend aan die vijftien maanden bij dit bedrijf, zelf resultaat van een fusie en daarna weer opgegaan in een nog grotere fusie, herinner ik me de manager die nog geloofde in een succesvolle voortzetting van zijn carrière. In zijn kamertje stond een tafel, een soort altaar, met daarop proefbrochures voor producten met bijzondere verwachtingen. Toen ik er bijstond werd ik overvallen door het treurige beeld uit een oude documentaire. Daarin het beeld van een oude moeder ergens diep in het Saarland. (Een latere collega zei eens tegen me: ‘Ich mag den Deutschen nicht.’ “Je bent zelf Duitser”, reageerde ik verbaasd. ‘Ich bin Saarländer,’ gromde hij terug.) Ze zat stil naast een dressoir met daarop vier foto’s van haar zonen. Vroegtijdig uit het leven gerukt door een te lang durende oorlog. Ze zweeg. En die manager! Veel geluid makend vond zijn carrière een voortijdig einde.
De wereld van het ontwikkelen en op de markt brengen van geneesmiddelen is hard. Soms net zo meedogenloos als de ziektes die ze proberen te bestrijden. Steeds staan daarin mensen centraal. De geschiedenissen in dit boek zijn een poging zicht te geven op wat er achter de façades gebeurt. De patiënt, de behandelende arts, de farmaceutische industrie en ook steeds meer de Zorgverzekeraar blijken namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. In hun strijd tegen ziektes ontmoeten ze elkaar, vinden er hun bestaansrecht in. Los van de randverschijnselen valt en staat alles bij het resultaat bij de patiënt. Verwachtingen kun je wekken, maar ze sterven een snelle dood, zodra ze niet waargemaakt worden. In dit hele spel patiënt, arts, farmaceutische industrie en zorgverzekeraar speelt de vertegenwoordiger van de industrie, de artsenbezoeker, een rol. Volgens sommige een onbeduidende, een deel van de artsen vindt haar zelfs overbodig. De vraag is of na lezing van dit boek die mening overeind gehouden kan worden. Een goede artsenbezoeker, zo één die van uitwedstrijden houdt en de tijd krijgt om te gedijen, voegt iets toe. Hij/zij verstrekt niet alleen nuttige informatie over het medicijn, maar is ook in staat de behandelende arts een spiegel voor te houden. Bovendien houdt hij zijn firma scherp door de juiste feedback te geven. Daarmee wordt een nauwelijks belichte bijdrage aan de kwaliteit van de gezondheidszorg geleverd. Maar oordeelt u zelf, niet eerder nadat het laatste lied geklonken heeft.

– Einde van de inleiding –

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: