JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (1)

Zeg, man…..
Juffrouw Broense spookte in haar witte nachtgoed uit de lakens overeind. Over de beddenplank henen weifelden haar ogen, onverschillig onder de slappe muts, moe in het als afgebeulde gezicht. ’t Nachtpitje uit het glaasje op tafel bescheen een gelakt blad met kopjes in mekaar van onderscheiden grootte en kleur, en een kom afzonderlijk, ongewassen, vuil van dik; open erbij de suikerpot, waar snoepachtig het lepeltje uit glom. De tafel tot het raam bijna, groot tussen gewone stoelen; een armstoel tegen het raam, waar slappe-koffie-kleurige overgordijnen in embrasses bochtig hingen voor een neergelaten rolgordijn. Tegen de glazen peer van de hanglamp en over de dunne balken van de lage zoldering schimmerde de schijn van het pitje, dat ook de gesteldheid der kamer verschijnen deed, vaag en uit veel duister.
Het vrij ruime vertrek had links van het raam een geverfde deur naar het keukentje en op het penant er tussen enige vierkante prenten en ovale portretjes achter glas. Naast die deur begon de hoekse wand met nog zulk een deur naar de bovenverdieping; wat verderop een vernissige kast met een plaat erboven, en daartussen een als hoog opgetilde ouderwetse hangklok met verguld beslag; een stoel, en weer hoekte de kamer. En de gehele wand daar, beginnend met de gangdeur naar de straat, was onbehangen; het schotwerk glansde geelwittig, vlak geverfd, door niets gebroken dan door de donkere inkijken van twee bedsteeën naast elkaar, met de deuren als kasten open. De vierde wand had in het midden een zwart vooruitspringende schoorsteenmantel met snuisterijen, een kolomkachel met doven pot ervoor, gehaakt met zijn lange pijp in het witte stuuk. Aan weerszijden van den schoorsteen op het donker, bloemerig behang bleekten twee steendrukken achter glas, groot, en aarzelig te zien: de Rots der Eeuwen en een Kruis met Rozen. De juffrouw boog even uit de bedstee in den hoek, zocht haar zak uit den doffen hoop goed op den stoel voor ’t bed.
‘Zeg nou eres wat, man,’ fleemde ze.
Baas Broense, achterin, stroef, met strakke knieën behagelijk onder het dek, humde, schraapte zijn keel geweldig.
Zij, duwend haar zak het kussen onder, wentelde zich om op haar krakende plaats en vroeg toen, over het kind heen, dat tussen hen beiden lag te slapen:
‘Toe zeg, wat zal je doen?’
‘Daar zal ik voor zorgen!’
Zij hield haar mond, onderdanig voor de sterke stem; en het huis was vol van dikken slaap. In de andere bedstee sliepen de jongens, de drie kleinste, behalve het nakomertje, dat bij hen in bed lag; de drie grootste, hele kerels, de oudste al gediend, met groot verlof thuis, sliepen onder dak. Dan waren in de bovenachterkamer de drie meisjes geborgen; de bovenvoorkamer verhuurd aan mensen met één kind.
En door de benauwde kamer-atmosfeer doortrokken met lucht van kwalijk opgedroogde verf en petroleum, ging de klok aan als de adem uit een piepborst. De kamer leek toch wel groot. Van achter het raam sloeg het vlerkgeluid van een duif die zijn stok afdroomde; wat verder klakte de trage tel van een vallenden droppel, het lekkende keukenpompje in den gootsteen.
Maar zij, krieuwelig van nieuwsgierigheid, begon weer, smoezend, omdat het nacht was:
‘Zeg…. doe je het in Concordia?’
’t Hooge woord was er uit. Dan, over den rand van de deken klonk de basstem: ‘Waar denk je aan, waarom niet bij Pauw!’
Buiten griende door de stilte koppig kindergehuil aan van de buren; tussen hen beiden zuchtte de warm-ademende bobbel van den kleinen jongen; en er haar hoop en vrees in eens uitflappend, zei ze: ‘Nou maar…. waar dan?’
‘Waar dan, waar dan?’
Hij schraapte nog eens, zei, wel wat te fors om het helemaal te menen:
‘Waar anders dan hièr natuurlijk.’
‘Hier!…. got, hièr!’
‘Daar niet meer over, vrouw, eens en voor al.’
Zij zweeg gehoorzaam, maar ze wou wel huilen. Dat was de doodsteek; wèg was de zaal waar je wel dansen kon en de muziek – ze had er wel niet helemaal op gerekend, maar ’t toch aan de juffrouw boven en aan de kruieniers-vrouw verteld; zij, die zoo gedacht had, hij zou wel een spaarpot hebben – en tegen die stem was niets in te brengen, dat wist ze nu al vijf-en-twintig jaar – vijf-en-twintig jaar, waar bleef de tijd – ja, ze wou wel huilen – had zij maar geld, dan zou je eens wat zien, nou nooit had hij eens er es wat voor ‘r over – er wat voor opnemen, als ze er van spreken zou durven, dan vrat ie der op. Net of ’t alle dagen gebeurde, vijf-en-twintig jaar getrouwd – hièr; maar dat was gos-onmogelijk – al die rompslomp bij haar aan huis – hij moest ’t maar eens voelen, alles zelf doen met je moei lijf – lag ze maar in ’t graf, oud hoopte ze toch niet te worden – nooit heeft een mens gedaan, ja, ze wou wel huilen, maar dat gaf toch niks. –
Ze wentelde zich weer naar de beddenplank, ze was helemaal niet slaperig, al was ze dood-òp.
Ook baas Broense kon den slaap niet pakken. Wel was in zijn hoofd de fabriek nog aan den gang, dat bleef daar altijd, altijd roezen…. ál de machines met hun raderen – – maar dat was te zot, daar nog last van in je kop te hebben na weldra veertig jaren – nee, dat was ’t niet.
‘Wâ blief?’
‘Niks, man.’
‘’k Dacht je zei wat.’
’t Was dat weergase feest dat hem zoo dwars zat – zeker, hij zou ook dien gedenkwaardige dag graag groots hebben gevierd – geen kleinigheid, vijf-en-twintig volle jaren – lief en leed te saam gedeeld – leed een massa – en diep in zijn borst hoorde hij ’t woord zwaar, een massa – vijf-en-twintig jaren – mocht dat bootje varen – ’t rijmpje kwam van zelve – verleden jaar gezongen op een andermans zilveren feest – zelf gemaakt – een kwart eeuw – sakkerloot, als hij dat alles van te voren geweten had – maar wie weet dat – jong kent geen bezwaar – zijn vrouw – hij zou haar altijd de hand boven ’t hoofd blijven houden; hij zou het woord gestand doen, ’t woord eenmaal gesproken voor God en de Wet – dat was plicht – een heer, een man met een rug had hij kunnen zijn – hij wou er niet aan denken, neen, het grote gezin had het hem gedaan, en waarachtig, vèel had ze ook niet – een sloof was ze – geworden – een goeie moeder, zwak voor der kinderen, die hingen aan haar lijf, de oudste zowel als de jongste, de jongste zowel als de oudste – hij nooit thuis – van ’s morgens zes tot ’s avonds half elf – negen – vier dood – zoo moest men wel wat door de vingers zien – zedelijk verplicht – Concordia – hoe kwam ze er weer bij – voor geen cent nagedachte – o, zoo hij niet al gauw het roer zelf had ter hand genomen, was er geen spaan terecht gekomen van het huwelijksschip, geen spaan – Concordia – zich in de schuld steken voor ’t plezier van ‘r familie, altijd op plezier uit, lolmakers, en anders niks – en daarvoor zou hij in de nesten komen, hij zag liever –
Met hollige ogen lag juffrouw Broense in de kamer te kijken:
Tegen de onmogelijkheid kon geen mens op – een feest bleef een feest – de drukte – tante Dientje, als ze die krijgen kon om een handje te helpen, dan kwam ze er wel door – ’t was toch weer es wat anders – hièr – waar moesten ze in gosheerenaam allemaal zitten, voor hàar part was ’t al achter den rug – Margootje werd al een hele meid, most dan ook maar wat poot-an speulen – toch wel aardig zoo je huis vol mensen – klinken, toosten, zingen – voor de kinderen zo’n pret, ja, ze dee ’t voor de kinderen, hadden er zo’n schik in – al stiekum voor gespaard – Vader en Moeder mochten niks merken – op den dag van aantekenen dan gingen de ouwe lui zoo kwasie op visite, bij oome Willem of zoo, en als je dan thuis kwam, was er mooi gemaakt – vlaggen met zilveren sterretjes – of ze ’t niet gemorken had, de snippers dreven overal van de knipsels – ze dee maar een oog toe bij ’t vegen – en dan groen, twee stoelen voor het Zilvere Paar – ze kreeg er de tranen van in ‘r ogen – nou een pretje dat mocht een mens wel eens hebben, wat heeft een vrouw aan er leven – iedere keer mis – een beetje plezier was ’t toch maar – tobben – en een man heeft er geen benul van wat zo’n huishouden kost. –
Zij woelde zich weer om, stak haar arm onder ’t kussen.
‘Heb je wat, vrouw?’
‘Hè, ‘k dacht je sliep.’
‘’k Wou ’t waar was.’
Het stille hoopje ademde tussen hen, de kamer was zwoel.
In het hoofd van baas Broense drensden de machines…. arbeid slecht betaald – die buitenlandse opzichters streken met veel hoger lonen weg – nieuwigheden – verstaan geen lor van ’t werk – al die monden – een sjouw – renten gingen maar door, de hypotheek, aflossing – ’t is je ook geen meevaller zo’n eigen huis – werken, tot er je kop van tolde, om een eerlijk man te blijven en te zorgen dat alles behoorlijk voor den dag komt – hoe kwam ze er weer bij – – – de kinderen werden groot. – Dirk ging nu Maandag weer naar zijn nieuwe winkel – ’t zegt je wat ze-ven-tien maanden je koning te moeten dienen – de koning dienen – had hij ook gedaan – goeie kerel – weinig losse haren – maar niet sterk – en Willem eindelijk éen cent meer per uur – begon zich zelf aardig te bedruipen – best werkman al – keurig de kamer behangen en geschilderd – toch zoo weinig liefhebberij – nooit eens een boek in handen – geen een – dan was hij in zijn jonge tijd een andere kerel – boeken genoeg – een kast vol voòr – als er nog maar èen mocht zijn die in de wereld hoger op klom dan zijn vader – doet er eens wat an – wat niet heeft, geeft niet.
In de kamer begon geregeld de adem van juffrouw Broense te gaan, uit de andere bedstee reutelde gesnork.
Een schone tijd de vrijgezelstijd – toen hij voorzitter was van de gezellen-vereniging Melpomene en Thalia – verzen – voordragren zijn lust altijd geweest en zijn leven – mooie tijd – zijn vrouw, zijn aanstaande, kon hij van uit de zaal horen huilen – het Kerkportaal – aandoenlijk gedicht – geen oog bleef droog – groots van taal – maar zijn lievelingsstuk Abdel-kader – dreunen dee het, kou in je rug kreeg je ervan – witte das, witte handschoenen, de schoenen goed gepoetst, zwart staat altijd deftig – ’t aanneemspak – hij voelde zich nog staan voor ’t souffleurshok – wist nooit van iets af – Gerrit van Gulik souffleerde – al dood – goeie souffleur was maar alles – ‘Aumale is dit uw trouw?’ een van die moeielijke vallen – sapperloot, hij kende ’t nog van buiten – ‘Mohammed, gij laatste, gij grootste profeet, Weer leg ik den trots van Uw vijand aan teug’len, En ‘k dood hem met kogels, die ‘k vang in mijn kleed’ – handgeklap – Broense, Broense – hoor de zaal daveren – Broense, Broense – waarachtig – Schone tijd – ‘Ziet gij den wintervorst daar op zijn troon gezeten?’ – de St. Paulusrots, waarmee hij de prijs had gewonnen tegen Jan Paschier van Oefening baart Kunst, was ’t niet zoo? – om ’t even, geen wonder zoo een mens wat ontschoot – ‘Een rukwind blies’ – moeilijk, spannend gedicht – ‘Te laat, maar wee hem, hij zinkt ook, Van ’t noodtij overplast – Neen, zie hij komt weer op, hij dook – En ’t kind, hij heeft het vast’ – pakte altijd, heerlijke gaaf, de dichtgaaf – de groote Bilderdijk, Bogaers – zowaar zijn naam ook met een B. – Broense – malligheid, malligheid, had wel aan wat anders te denken – got-betere-‘t.
– Ach-h, wat een gaap – kon maar niet warm blijven, de slaap verdraaide het te komen. – ‘Ik ken ze wel die slapeloze nachten.’ Verzen reciteren wou anders wel eens helpen – doodstil blijven – hoor moeder eens slapen, de sloof was moe – daar straks sloeg ’t half éen bij de buren – hun klok altijd na, altijd van slag – ’t ding was òp – nog een erfstuk – hij had geen klok nodig, werd wel wakker met ’t hanegekraai – ieder sliep nu, Fritsje naast hem, als een roos – ‘Wat slaapt gij zacht op ’t blauw satijnen kussen’ – nu ja, toch aan niets gebrek goddank – ’t jongske zweet – sliknat is zijn hoofdje, ook al niet sterk – ’t zou aan hem niet liggen als dit er tenminste éen werd die zijn talen sprak – stil laten liggen maar – – Partijtje of gezellige bijeenkomst, altijd iets toepasselijks voor de gelegenheid – men rekende er op – wacht maar, straks komt Broense los – ’t betekende allemaal niets zolang men jong is, jong gaan zulke dingen vlug van de hand, maar de rechte sjeu was er af – de kop werd oud – ’t feest zou er zijn en goed ook – als je maar eerst het begin wist dat was ’t moeielijkst – waar die kou toch van daan kwam, zeker had een van de jongens ’t raampje van de pletie laten openstaan – als men niet alles zelf deed – maar hij ging er in geen geval uit, mocht moeder niet wakker maken – laat nu eens een ander doen zien wat hij kan – oome Doris, ’t mocht wat – juist daàrom zou allesfatsoenlijk gebeuren – geen dronkemanspartij in zijn huis – alles fatsoenlijk – zoo had niemand iets te reclameren – wat….
In het tere duister van de bedstee hadden zijn even half-open ogen beweging gevangen. Voorzichtig als in slaap zag hij den arm van zijn vrouw zoetjes onder het kussen van daan gaan en toen ja, hij die dacht dat ze sliep, zag hoe ze wat wegstopte in haar mond en lekker te mummelen begon.
Een woord van geweld stookte naar boven, doch bleef onder de dekens, och, wat hielp ‘t…. en…. Maar nog wel een half uur lang lag Broense daar met hete, toeë ogen die als doortasten bleven het duister.

***

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

5 thoughts on “JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (1)

  1. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (6) | MUIZENEST

  2. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (7) | MUIZENEST

  3. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (8) | MUIZENEST

  4. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (9) | MUIZENEST

  5. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (10) | MUIZENEST

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: