JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (2)

deel 1

‘Zal U nog een koppie thee gebruiken, oome Piet?’
‘Thee? zoo laat nog eris, wel bedankt, hoor!’
‘Uwe, oome Willem?’
‘Thee?…. nee hoor, ik hou het met mijn broer, geef mijn portie maar aan de poes.’
‘Wat zal ik nou met die thee beginnen? och, juffrouw verlost U me van een koppie, ze benne met suiker.’
‘Geeft U maar hier, tante Dientje, mijn man wil ook nog wel een koppie.’
Tante Dientje, ijverig, rekte zich tussen de twee dikke baardeloze schildersbazen over, die toen naar links en naar rechts uitweken om voor haar plaats te maken.
‘Got, wat is ze toch nog mollig,’ zei oome Willem met een kostersgezicht. Hij was wel een halfhoofd groter dan oome Piet.
‘Malle vent,’ zei tante Dientje.
Haar thee eindelijk kwijt, schoof zij, zich tillend op de tenen tussen de nauwte der stoelen door met haar dorren schoot, den mond, waar uit twee tanden of ze waren weggeslagen, van de persing wat benauwd open, giegelend: ‘mag ik eventjes, ‘k vraag ekskuus.’
‘Gaat het, Dien?’ Oome Piet, de tweede van de glazen deur op een tabouret-maar, wipte zoveel hij kon.
‘Best hoor, er kanne veel makke schapen in één hok.’
‘Maar wilde nog meer,’ verbeterde oome Willem, ‘want die springen boven op mekander.’
‘Gos!’ lachte schrikkerig het juffrouwtje in de schuinte over hem en dat wèl een kopie thee gevraagd had; toen tot haar stoere man, wien het kleine kopje wat onhandig was, zei ze: ‘U mot blazen, hoor.’
‘Je houdt je goed, tante Dien!’ prees baas Broense.
‘Kom, kom,’ zei de gedienstige vrouw, ‘daar hiet ik Dien voor!’
‘Niet lastig zijn, kinderen.’
De Bruidegom stond toe te zien of alles wel goed volgde. Hij knikte naar den bedstee-hoek, vroeg met zijn korte beveelstem: ‘Gaat het je goed, moeder?’
‘Bekommer je om mijn niet,’ zei de oude juffrouw, net een kuchbuitje uitvierend, ‘ik zit hier best.’
‘Een beetje bedaard toch, kinderen,’ herhaalde de Bruidegom.
‘Och laat ze plezier hebben,’ zei de Bruid en dadelijk den kleinen jongen naast haar op zijn witten bol zoenend: ‘hé jong, smaakt ’t lekker?’
‘Nou!’ zei Fritsje.
‘Hij kan toch zoo lekker pruimen; een mens is maar eens vijf-en-twintig jaar getrouwd, wat zegt u, nicht Betje?’
Zoo sprekend, hield zij haar hoofd alleen gekeerd naar een blonde, knappe meid, die dicht bij haar aan de middelste en kleinste tafel zat. Betje, roôwangig, ’t haar in kleine golfjes wat dartel op het voorhoofd, had naast zich haar aanstaande, een spekslager, aan haar groene zij. Een roosje op de borst van haar damesachtig grijs wollen japon bloosde weg, toen ze keek naar tante.
‘’t Is het meeste plezier voor de kinderen,’ praatte ze alsof zij zelve niet van pret hield; tante evenwel keek niet langer, Betje zag niet veel meer dan het toetje dun haar, dat op de wrongetjes glom.
‘Is ’t niet waar?’ En de Bruid dadelijk weer gastvrouwelijk, knikte tevree terug en de kamer in. Zij miste twee tanden.
‘Zóo,’ herkende ze.
Een voor éen was baas Broense de hoofden gaan tellen:
‘Er mankeren er nog twee,’ zei hij hardop. Gerrit en…’
‘Legt al bij zijn Daatje in bed,’ haastte oome Piet.
‘Spaart brand uit,’ schamperde oome Doris, de typograaf.
‘Maak je maar niet ongerust, hij zal wel komme,’ tuitte tantje Dientje met een stem van de straat, ‘als er maar wat te bikken valt.’ Ze had het druk met lege kopjes aan te geven door de keukendeur, ‘zet ze maar in mekaar, vrouw Stam…. is er nog iemand gediend van een koppie?…. eenmaal…. andermaal… Uwe, juffrouw Weelsen…. Uwe juffrouw van Dort? nee?’
‘Of ie komt!’ had tante Mietje, oome Piets vrouw uitgeroepen, en ze zat, zelf verbaasd na zo’n lange uithaal te pinken onder het licht, de oogjes zéer, het mondje secuur dicht, ‘ik weet wel maar ik zeg niks’; naast haar drankvleezigen man, een oud porcelein popje in zwarte jurk gelijkend, met dun plat kastanje-bruin haar, waarin de scheiding nijdig.
‘’t Is me een fijne,’ smaalde oome Doris.
‘Met stijve baleinen,’ rijmde oome Piet.
‘Kinderen, kinderen,’ waarschuwde de oude juffrouw.
‘Nou, moeder, jouw Gerritje spuugt er ook niet in, als het maar niet naar de krullen smaakt,’ riep oome Willem.
‘Och ziet u, juffrouw, ze plagen de oude vrouw maar een beetje.’ Ze moest hoesten, eens en nog eens achter haar zakdoek, toen volborstig een buitje uit; zij droogde haar uitgezakte ogen, welke toen treur-lichtloos keken; de knoestige aderhanden drukten den zakdoek op den schoot neêr.
‘’t Benne me een paar.’
Juffrouw Weelsen, bedeesd, stemmig, scheen wel wat te willen zeggen:
‘Och, ze zijn vrolijk.’
‘Ja, ja,’ knikkebolde de oude met de peerse lintmuts; ‘zoo, zoo, en uwes strijkt voor de mensen…. en hèt uw man nog al werk?’
Juffrouw Weelsen schuchterde in zich zelve terug:
‘Zo’n gangetje.’
‘We zitten hier maar goed,’ vervolgde ze weinig praatachtig.
Het luchtige genoegen was op haar met veel zeep gewassen wangen weer. Zij had bruine ogen, vaag onder een sterk voorhoofd, een zachtmoedige mond, die een weinig scheef ging, onder de zware vouwen langs den breedachtige neus, het haar gescheiden; een zorgelijk gezicht.
‘Man, Grietje sliep toch, niet, toen je hier kwam?’ vroeg ze. Weelsen, de kunstdraaier, rechts naast haar, mak, slecht gezond, knikte van ja.
‘Ik hoop maar dat ik geen hoofdpijn krijg,’ praatte ze zachtjes.
‘Je moet je maar kalm houen,’ zei Weelsen. Doch zij schrok bijna:
‘Roken de vrienden daar wel?’ had de Bruigom geroepen, ‘de sigaren zijn er.’
‘Wel ja, laat ik er ook de brand eens insteken,’ zei oome Willem, ‘wat kan me gebeuren, we zijn maar ééns vijf en twintig jaar getrouwd.’
Over den lichthelm henen van de lamp op de derde tafel, ’t verst van haar af, waarachter de verrukte gezichtjes van de neefjes bij elkaar, de drie meisje met witte boezelaars, had juffrouw Weelsen van uit haar hoek de kamer kunnen overzien, bevlaggedoekt langs om den zolder, van balk tot balk, door rood-wit-en-blauwe bochten en die bezilverd met veel vijf-puntige sterretjes van papier. ’t Stond wel vrolijk.
‘Ze hebben het maar aardig opgeknapt,’ praatte de oude juffrouw, ‘’t kan best zoo met de mensen, wat zegt u, de middelste is de huistafel, ziet u.’
‘Dat is Anna van Doris,’ leuterde de grootmoeder verder,
De jonge juffrouw, die daar toekijkend zat, begreep, lachte.
‘Gut kind, wat ben je groot geworden,’ verwonderde zich juffrouw Weelsen, en terugknikkend langs oome Doris heen: ‘Ik zou je niet meer kennen.’
‘Ik ga zoo weinig uit,’ verontschuldigde zij zich.
De tafel, waar zij aan de punt zat, ging van de glazendeur af, onder de hanglamp in éen stuk door naar de bedstee. Het was een tafel op schragen onder witte lakens. Dat stond wezenlijk heel netjes.
‘Ik wist niet, dat ze zooveel tafelgoed hadden,’ praatte ze zacht.
‘’t Zal wel geleend spul zijn,’ antwoordde Weelsen even zacht terug, maar onthuis, keek hij dan weer, scherp uit zijn dof, onbewegelijk gezicht, voor zich heen door de kamer.
Voor de derde tafel, geplaatst tussen keuken- en gangdeur, naast de Bruid, aan zijn linker zij, stond de Bruigom, ferm voor zijn stoel, beraden in den algemenen schijn van de hanglamp. Hij stak uit; zijn knap, grijzend hoofd met een kruiig donker kneveltje, maar mooi vooral van neus, had iets deftigs; twee plooien langs den neus, de familietrek; kort van nek in een smallen, staande boord, onderkin-makend troonde het op zijn zwartlakense schouders, boven de hooggedragen borst, waar het witte halfhemd tegenaan bobbelde of er wind in zat. ‘Slecht gestreken,’ moest juffrouw Weelsen effentjes denken. Doch om dat donkere kijken, voelde ze ontzag voor haar broeder.
‘Pas maar op je ventje, Suus, hij doet strakkies wat in z’n broek.’
Het gold oome Willem, die de luidjes onder de hanglamp aan de praat hield.
Tante Suus, oome Willems tweede vrouw, aan het tafeltje in het midden, naast Betje’s vrijer, met de tafelpunt tussen henbeiden, wierp een gelaat om, hoog van konen, met nu-al glimmende ogen onder het donker, dikke haar gescheiden.
‘Och-got hij rookt, de lieverd,’ en zij schaterde haar bloeiende mond helemaal weg van de botergele tanden, ‘pas maar op je borsie, ouwe.’
Oome Willem als een beginneling aan ’t roken, aaide achterover zijn vrouw langs de harde wang.
‘Hartlap,’ flikflooide hij, ‘wat zit je ver van me af.’
‘Leg toch niet te zaniken,’ stribbelde tante Suus tegen.
‘Ze is toch zoo lekker,’ snaakte haar man, proestende in den rook; hij was wat benauwd van borst, zodat tante Suus dadelijk zei:
‘Daar heb je het al, loontje komt om zijn boontje.’
‘Gunst,’ was ’t overbuurtje, tante Mijntje, geschrokken; maar baas Kamp, die allang een sigaar had, schudde van de aardigheid, een stillen schater om zijn lange, grauw omstoppelde lippen.
‘Ik vind haar vannacht wel,’ zei oome Willem pas weer op adem.
Betje om een elleboogstoot van haar galant, werd zoo rood als een bellefleur.
‘Je moest je schamen,’ zei oome Piet diakenig, ‘bè-jij vader?’
‘Een lief kind…. hij!’

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

One thought on “JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (2)

  1. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (6) | MUIZENEST

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: