DE ZOMER VAN 1823

In de zomer van 1823 namen twee Leidse studenten een opzienbarend besluit. Ze zagen af van de gebruikelijke reis van jongelieden om de wereld te verkennen, een ‘grand tour’ door Europa met Italië als onvermijdelijk hoofddoel, en in plaats daarvan wilden ze een voettocht door eigen land gaan maken. Van 28 mei tot 2 september 1823 maakten Jacob van Lennep (over wie op dit blog al eerder is geschreven) en Dirk van Hogendorp (1797-1845) een voetreis door de provincies Holland (dat de huidige provincies Noord-Holland en Zuid-Holland omvatte), Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Nood-Brabant, Utrecht en Zeeland. Waarmee dus precies de helft van de achttien provincies waaruit het toenmalige Verenigd Koninkrijk der Nederlanden toen bestond, werd bezocht. De ondertitel dekt dus slechts de lading indien men het betrekt op de huidige landsgrenzen, niet op die in de tijd dat de reis werd gemaakt. Beide hielden van deze reis een dagboek bij. Dirk van Hogendorp, zoon van de beroemde jurist die de grondwetten van de nieuwe Nederlandse staat in 1814 en 1815 opstelde, liet slechts een tamelijk saai boekwerkje na, waaruit de latere stijve jurist al naar voren kwam. Veel interessanter was het dagboek dat Jacob van Lennep (1802-1868) achterliet. Hij schreef in zijn latere leven een omvangrijk oeuvre bij elkaar, waarvan de roman Ferdinand Huyck uit 1840 de bekendste zou blijven.

Het dagboek van Van Lennep werd bij zijn leven niet uitgegeven. Dit dagboek bestond aanvankelijk uit brieven die hij onderweg naar huis schreef en later in schriften overschreef. Die schriftjes bleven in de kast liggen totdat zijn kleinzoon ze terugvond en in 1942 in bewerkte vorm uitgaf onder de titel ‘Nederland in den goeden ouden tijd’. Een mooie titel, zo midden in de oorlogsjaren, maar het boek kreeg verder toch weinig aandacht. Daarin kwam pas verandering toen in 2000-2001 de schrijver Geert Mak en historica Marita Mathijsen het dagboek hertaalden en tegelijkertijd Geert Mak en de cineast Theo Uittenbogaard voor de radio- en televisieserie De Zomer van 1823 de voettocht overdeden. In zoverre dat dan door de bebouwing, droogleggingen en wegenaanleg gedurende de laatste pakweg anderhalve eeuw mogelijk was. In 2018 verscheen van het boek een heruitgave, met een fraaie vormgeving en rijkelijk geïllustreerd met schilderijen en tekeningen. Het hertaalde reisverslag wordt voorafgegaan voor een inleiding en nawoord van Geert Mak, waarmee een aantal treffende opmerkingen worden gemaakt om het dagboek beter in de tijd te kunnen plaatsen.

Mak beschrijft dat in 1823, vlak na het ontstaan van het nieuwe koninkrijk, het land er allesbehalve florissant bij ligt. ‘Veel oude handelssteden verkeren in diep verval. Binnenlands zijn grote streken – men schat een derde van het huidige Nederland, nog bedekt met pure wildernis: hoogveenvlaktes in Drenthe, gigantische heidevelden op de Veluwe, onafzienbare woestenijen in de Peel. Er is nog veel water dat later land zal worden. Van Lennep en Van Hogendorp treffen op hun voetreis nog schaapskudden op de bolwerken van de Leeuwarder Vrouwenpoort, en op een landtong bij Urk zaten honderden van zeehonden zich in de zon te blakeren. De beginnende industrie die ze bezoeken – bijvoorbeeld n Enschede, Deventer en Leerdam – draait nog helemaal op wind-, water-, hand- en paardenkracht. De wegen zijn vaak enkel modder. Een reis van Groningen naar Den Haag duurde al gauw een dag of vijf, een stad als ’s-Hertogenbosch of Leeuwarden was ’s winters soms wekenlang afgesloten van de rest van het land. ‘s Avonds gingen de poorten dicht, die het platteland buitensloten in totale duisternis. Men leefde in eigen stad of streek, daarbuiten kwam men zelden‘.

Iets verder merkt hij op dat de beide jongeheren een land doorkruisten, dat nog gekenmerkt werd oor diligences, ganzenveer en tondeldoos, door besloten dorpen en landstreken, door wildernis. Nederland was nog een agrarisch en leeg land, had amper twee miljoen inwoners en slechts drie steden (Amsterdam, Rotterdam en Dn Haag) met meer dan vijftigduizend inwoners. In die landbouw was nog geen enkele sprake van mechanisatie, die zou pas een dertig laar later op gang komen. Soms moesten beide reizigers door rul zand en over schrale hei trekken, langs bijna vervallen lemen hutten en armzalige boerderijtjes waar men slechts voor eigen gebruik produceerden. Het is een wereld van keuterboeren die nauwelijks boven de bedelstaf uitkomen. Het platteland werd dan ook voortdurend onveilig gemaakt door grote groepen paupers, die van dorp naar dorp trokken. Ook de industrialisatie zou nog drie decennia op zich laten wachten. Op het moment van de reis was er slechts een voorzichtig begin van industrie: wat verf- en spinfabrieken, een ijzergieterij en een bombazijnfabriek (sterk textiel voor werkkleding en onderkleding). Meestal waren het ook nog ‘armeluisfabrieken’, vaak alleen maar uit liefdadigheid en/of om aan bedelaars werk te verschaffen. Zoals in de proefkolonies Frederiksoord en Ommerschans, waar werd getracht de paupers tot een beetje beschaving en wat werklust aan te sporen. In de steden was het amper beter. Ook daar leefden grote delen van de bevolking van de bedeling en stierf een kwart van de baby’s voor het eerste levensjaar. De hygiënische leefomstandigheden waren er erbarmelijk slecht.

Mak wijst er ook op dat in 1823 het begrip tijd een geheel andere lading had dan het momenteel heeft. Al het daglicht moest worden benut, want na het invallen van de nacht was in elk geval het platteland in volstrekte duisternis gehuld, in de meeste steden was het amper beter. Men dienden dus vroeg uit de veren te zijn en te zorgen dat men voor het donker weer binnen de stadsmuren was. Er werd dan ook uitgedrukt hoeveel uur gaans de volgende plaats van het vertrekpunt lag, wat namelijk een beter hanteerbaar begrip was dan het aantal kilometer aan te geven. Dat tijdsritme werd ook erg bepaald door het trage vervoer per schuiten of te voet, het vele wachten bij alle sluizen, tolhekken en bruggen, door onverwachts oponthoud door regen en wind en vertraging bij de vele pleisterplaatsen. In Limburg en de vier noordelijke provincies ontbrak in 1823 nog elke verharde weg; in de rest van Nederland lag in totaal iets minder dan vijfhonderd kilometer aan klinkerwegen. Zelfs in de zomer was het een voortdurend hotsen en dansen door kuilen en karrensporen, in andere seizoenen werd het vanwege regen en modder nog lastiger. Men moest simpelweg veel vertraging accepteren als een deel van het leven. Snelheid was in 1823 en nog lang daarna niet de allesbepalende vorm.

In deze wereld reizen Van Lennep en Van Hogendorp drie maanden rond. Met een onlogische route, die niet was gebaseerd op een doelmatig reizen van punt A naar punt B, maar was ingegeven door de beschikbaarheid van de personen uit hun netwerk die ze wilden bezoeken. Dat kleurt het boek ook, want de beide heren bezoeken voornamelijk personen van dezelfde stand als zij, met het gewone volk komt men amper in aanraking. Al men al een zeer lezenswaardig verhaal, waarbij gewandeld en gereisd wordt door een wereld die voor ons bijna onherkenbaar is, maar eigenlijk nog niet eens zo ontzettend lang geleden bestond.

.
De zomer van 1823. Het dagboek van zijn voetreis door Nederland.

(bezorgd door Geert Mak en Marita Mathijsen)
Uitgeverij Atlas Contact, 2018, 312 pagina’s,
ISBN 978.90.450.3705.9
.
.
.
.
.
.
.
.
.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: