JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (3)

deel 1 ; deel 2

Oome Willem, die zijn sigaar maar niet in zijn mond scheen te kunnen houden, als waren zijn lippen te kort, bedoelde met zijn hoofd, dat een natgekamd kuifje Zondags maakte, broer Piet. Hij maakte goed:
‘Is ze een kind, kijk eres wat een melkstandje…. en allemaal natuur dàt…. geen papiljotjes asjeblieft…. nou meid… je pa is groots op je. Ja, juffrouw Dordrecht, zal ik maar zeggen, dat is nou mijn eigen vlees en bloed.’
Juffrouw van Dort, tegenover hem aan de andere punt van de tafel, beschaafd, de oren niet heelemaal buiten het haar, het hoofd rond, de wangen mat boven de wit benen doekspeld, een lopende hazewind, had even moeten kijken naar haar eigen gevulde boezem, lachte netjes. een onberispelijke tandenboog vertonend, om de woordspeling op haar woonplaats.
‘Bedenk waar je bent,’ bestrafte oome Piet.
‘Kan jij alle mensen uit mekaar houen,’ narde oome Willem, even kriegel.
‘Krijg nou niet het land,’ vergoelijkte de ander.
‘Och, hij is nog niet goed uitgeslapen,’ snaterde tante Suus van achterom.
‘’t Land? nooit,’ verzekerde oome Willem al weer goed, ‘nooit zonder de koetjes er bij.’
‘Wel nou dan,’ en zijn stem veranderend, hoog pratend over zijn dik buikje heen, oome Piet riep bijna: ‘Wel ziel van mijn, hoe gaat het jou?’
‘O, wat overkomt me?’ lispte tante Mietje.
‘Het is van avond feest, dierbre…. ik heb nog niks gehad.’
‘O! van middag.’
Een koud schellen aan de voordeur snerpte tot de kamer in.
‘Haast-je-maar-niet,’ schreeuwde oome Piet zijn vrouw kwijt.
‘Bedaard, bedaard,’ knorde de Bruidegom tot zijn o, o! joelende jongens.
‘Moeder, je Gerritje!’
‘Doris, Doris,’ lachte de oude, suffig.
Van uit de bijna donkere gang stommelde stampen en vegen van voeten in het luisterstille van de kamer. Dirk kwam zeggen: ’t was oome Gerrit.
‘Leg je mantel maar vòor, Da, wi-je?’
De Bruid, opgestaan, trachtte in de gang te zien, maar de rug van haar stoel tegen het middelste tafeltje maakte dat moeielijk.
‘’t Is ’t beste maar te blijven zitten,’ zei ze.
‘O jee, ’t sneeuwt!’ jubelde Margootje achter de lamp.
‘Jongens, ’t sneeuwt, het sneeuwt!’
In het hoera der kinderen was oome Gerrit, de timmermansbaas, binnen de deur verschenen; op de schouders van zijn duffel als een plank, kleefde nog sneeuw. En tegelijk door de keukendeur, kwam tante Dientje weer terug met een wit-stenen chocolaketel.
‘Pons!’ schreeuwden de jongens.
‘Bonzwaàr!’ had oome Gerrit de hele kamer gegroet.
‘Schrielhals, spreek je moêrs taal.’
Luid genoeg was dit door den typograaf gemopperd.
Oome Willem kantelde zich gewichtig naar oome Piet:
‘Ken jij Frans?’ vroeg hij.
‘Nou, van fiebelde forse krakepit.’
‘Hè-jij op een Hooger-Burgerschool gegaan?’
‘In de Wijngaardsteeg.’
‘Parlemòdesa,’
‘O zoo.’
‘Ik ken Frans de Smid.’
‘Ik Frans de Mof.’
‘Ikke mijn Frans zoo goed als mijn Duits.’
‘Altijd baas boven baas,’ pruttelde oome Piet.
Maar oome Willem, als een goochelaar met zijn handen werkend, reciteerde al, gaf de proef op de som:
‘Een Mens zijn Leben is gelijk ein Swienenblaas,
Wordt met ein pipesteel ópgeblazen
Steekt men een speld in de n’aars,
‘Huùp!’ zeit de wies-waars….
Weg is die Mens zijn Leben….
‘Ze worre goed,’ verzekerde tante Suus.
De twee dikbuiken, over en weêr, lachten zwaar.
‘Wat heerlijk, toen de deur even open ging,’ zei juffrouw van Dort, ‘het zal hier puf worden.’
‘Ik zit best.’ Van Dort, een bedeesde man, met een kamerkleur, met langig doleerders-haar, en ogen, verbaasd, waarbij het telkens leek of de bleke appels zich naar binnen wilden keren, trok kouwelijk snel zijn schouders in, toen hij ‘ik’ zei.
‘Zoo aan weerskanten een vuurtje, hè, ouwe heer, dat doet goed aan een mens zijn boddie.’
Smalletjes tussen de beide zusters, lachte van Dort fijntjes en allen lachten onder de hanglamp, die over hen aan zijn rinkelende kettingloovers hing. De bleek-roodharige jongen tegen de neergelaten gordijnen, aan ’t hoofdeinde der tafel, deed het zoo lang en hard na, dat oome Willem weêr zei:
‘Leukerd, jij begrijpt me, geef jij me eens de hand, hoe oud bè-je?’
‘Tien,’ zei de jongen of ie slokte.
‘Wat tien?’
‘Tien jaar.’
De water-en-melkachtige jongensogen keken plotseling bleu.
‘Netjes zitten, Ferdinandje,’ waarschuwde van Dort zachtzinnig.
‘Och!’ en ’t zoontje rukte éen elleboog weg.
‘Mijn broer is dol op kinderen,’ preekte oome Piet.
Tante Suus draaide bij:
‘Waar heeft hij ’t nou weêr over?’ vroeg ze.
‘Suikere dot, ze komme je kerel an z’n hart.’
‘Jij een kerel, laat naar je kijken, je heb gaatjes in je oren precies als een meissie…. waar zijn je ringetjes, vent?’
Even moest oome Willem aan zijn oorlelletje voelen.
‘’t Is net spek,’ zei oome Piet, glunder op zij kijkend.
Allen keken daar naar het oorlelletje, dat murw-rood, als beschaamd, was bloot gekomen.
‘Dat was tegen de klierstof op m’n ogen,’ zei de baas ernstig…. ‘Is dat nou om zoo te lachen, got, dat kind lacht ook al van de weeromstuit. Je geeft een mooi voorbeeld, jij!’
Zijn goed humeur echter was alweer terug. Achter hem was Margootje komen staan, keurig, ’t kraakwitte boezelaar nog in de strijkplooien.
‘Pas op!’ waarschuwde ze.
Ze trok het hoofdje terug. Ze wou niet in de wang geknepen zijn, weinig aanhalerig.
‘Tante vraagt of u wil doorgeven?’ vroeg ze, glazen aanbiedend.
‘Wel ja, beste meid, laat ‘k je eens helpen.’
En ieder was gedienstig met glaasjes doorgeven. Oome Doris, naast den legen stoel van tante Dien, hield er twee.
‘Dank je wel, Margo; nog twee!’ riep hij, ‘voor de timmerman met zijn vrouw.’
‘Die snijboon valt nou toch altijd met zijn neus in de boter.’
Margootje zette de twee laatste glazen, groote, om melk of bier uit te drinken, zelf voor oome Willem neêr, aan haar stil handje blonk een ringetje van blauwe kraaltjes. Zoo bleef ze even staan, spits, met het blonde haar los, uitdagerig.
Oome Willem pakte haar bij den bloten arm:
‘Wat heb jij een haartjes op je vleeschie. Margo! Margo! aan je oor!’ pschtste hij.
Maar het kind met een joepje in haar lendetjes, had zich al losgerukt.
‘Waar wil je ons hebben, zus?’ werd van uit den gangdeurhoek geroepen.
‘Waar wil je ons hebben, zus?’ aapte oome Willem de neusstem na. ‘Daar heb je hem met z’n gezicht van ouwe krullen.’
‘Geen haken en ogen asjeblieft,’ verzocht tante Suus.
‘Bruid zeggen! anders boete!’ had Betje geroepen.
‘Ja ‘Bruid zeggen, Bruid zeggen!’ riep toen ook tante Suus.
‘Bruid, Bruid!’ riepen de twee bazen.
‘Wat kan jij onfatsoenlijk een strot opzetten,’ schimpte oome Willem kwansuis.
‘Vadertje, verbeeld jij je maar niks hoor; jou trommel is ook nog niet geborsten, nog lang niet,’ zei oome Piet.
‘Nat houen maar,’ zei oome Willem, ‘dat is ’t beste.’
De Bruid, verheerlijkt, stijf op haar stoel, groette toen het leven uit was:
‘Nou, jullie twee plaatsen zijn goed bewaard, hoor.’
‘Naast zwager Weelsen,’ bepaalde de Bruigom juister.
Oome Gerrit, een lange dertigjarige, een rulle man, dorre, verwaarloosde mijnheershanden uit de handschoenen bloot makend, had het water nog in zijn fletse ogen van de straatkou. Achter hem aan drong zijn vrouw in glimmerige japon, pimpel-wangig met een wipneus. Een tamelijk zware armband glansde als goud boven haar boerinnig knuistje.
‘Astrant,’ vond tante Mijntje Kamp, tegen juffrouw van Dort.
Langs de knieën benend van de oude vrouw, oome Gerrit groette:
‘Zoo, moeder!’
‘Jonge luidjes, ziet u, ’t wordt een verreljaars, ’t gaat ze gelukkig goed in de wereld.’
Het oude mens rochelde nog wat, zag vertederd het paar voorbij Weelsen en zijn vrouw schuiven.
‘Nee, dat gaat zóó niet,’ gierde tante Dientje. Ze hield den punchketel een ogenblik stil bij Betje’s galant.
‘Je vrouw naast baas Kamp, anders is de bonte rij daar in de war.
‘Een mooie grap, net of die niet allang in de war is, nou, dàn maar aan m’n groene zij,’ komiekte de timmermansbaas, omwisselend.
‘’k Kan amper keren,’ zei hij, voor den schoorsteen zijn plaats nemend. ‘Zie zoo, een knap mens die me hier weêr van daan krijgt.’
‘’t Is bij jou ook zoo grootscheeps,’ mopperde oome Doris.
‘Goed, tante Dien,’ prees baas Broense.
‘Wat zou ‘t!’ En de vrolijke schenkster liet Betje’s glas vol damp en borrel.
Achter haar mans stoel heupte zij zich om, vroeg as-je-blieft de glaasjes. Toen, den uit zijn tuit rokenden ketel tillend boven den baas, schoof ze weêr met den mond open en vol aardigheden de nauwte der stoelen in.
‘Geneer je maar niet,’ zei oome Piet.
‘Een kop er op, Dien,’ zei oome Willem.
‘Mag hij ook niet een slokkie?’ vroeg ze, de tuit tot schenken klaar boven Ferdinandje’s kelkje. Slurpend aan ’t kijken, had de jongen de gele kookbelletjes zien dansen en stijgen in oome Willem’s glas.
‘Eéntje.’

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

One thought on “JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (3)

  1. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (6) | MUIZENEST

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: