4 NOVEMBER – ROBERT DAVID SIMONS

Robert David Simons (Paramaribo, 4 november 1885 — Amsterdam, 1 december 1969) was een Surinaams jurist, Statenlid, publicist en dichter. Hij verdiepte zich in de literatuur, taalkunde, geschiedenis en folklore van zijn land. In zijn bundel Surinaamsche rijmpjes (1929-1930), gepubliceerd onder het pseudoniem Sonja, bracht hij de gelegenheidsverzen samen die hij eerder had gepubliceerd in Surinaamse dagbladen. Meer vertelt Wikipedia niet over, met de toevoeging dat hij voorkomt in Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur van Michiel van Kempen. Dezelfde schrijver had in 1989 al het boek Surinaamse schrijvers en dichters gepubliceerd. Uit de passages in beide boeken is onderstaande biografie samengesteld van de Joods-Surinaamse schrijver.

Robert David Simons, geboren te Paramaribo op 4 november 1885, behaalde in 1915 het radicaal van praktizijn (advocaat), bekleedde verschillende functies in de rechterlijke macht en werd vice-consul van België. Vanaf 1910 schreef hij in Suriname, De West en De Nieuwe Stem tal van artikelen, waarvoor hij ook de pseudoniemen: Marconiman, Dixie en Periscopist gebruikte. Hij was redacteur-uitgever van het weekblad Op de Uitkijk , waarvoor hij ook schreef onder de naam Van Hak op Tak. Van 1924 tot 1929 was Simons ‘commissaris van critiek’ bij Thalia. Hij is altijd bijzonder actief geweest met het geven van lezingen over literatuur en voordrachten van Nederlandse en eigen poëzie. In 1927 bracht hij in de Stadszending een programma getiteld Grootmoeder vertelt. De tekst van zijn gelijknamige gedicht, geschreven bij gelegenheid van het zilveren huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik in 1926, bevindt zich in het Archief Bruijning. Simons verzorgde in 1920 een serie van tien lezingen voor de vereniging ‘Studiekring’: ‘(Elken donderdag vanaf 1 juli van 8-9 uur ’s avonds in het gebouw van de Loge. Toegangsbewijs voor de serie 50 cent’. Vaak sprak hij voor het Algemeen Nederlandsch Verbond. Als sterk koningsgezind iemand hield hij bij gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de koningin de voordracht Oranje: een voorspelling in 1574 (1928) en in 1933 de voordracht Willem van Oranje. In hetzelfde jaar speelde hij mee in Vetermans stuk De Vader des Vaderlands en leidde hij de christelijke toneelvereniging Paulus in het lekenspel Wilhelmus van Nassouwe van M.C. Fallentin.

Simons was ondervoorzitter van de Vereeniging tot Bevordering van het Onderwijs en werd na zijn juridische carrière onderwijsinspecteur. In 1932 werd hij ook tot vertegenwoordiger van de Gedelegeerden van de Studie-Commissie van de Vereeniging Oost en West benoemd. In deze hoedanigheid werd hij de behoeder van het erfgoed van H.D. Benjamins. Zo ontspon er zich in 1931 een polemiek over het ‘Radio Hollandsch’ tussen iemand die zich ‘Batavus’ noemde in De Surinamer en Simons in De Nieuwe Stem, die het pseudoniem ‘Sonja’ gebruikte (anagram van de Griekse held Jason). De polemiek in rijmvorm eindigde met een coalitie Sonja-Batavus, want uiteindelijk ging het beiden om hetzelfde:
……….Adieu, Batavus, weer voorbij, De polemiek van U en mij –
……….Die toch uit één wensch is gegroeid:
……….Dat Holland’s taal niet wordt verknoeid.

In 1929 startte hij in de krant De Nieuwe Stem een ‘Rijmpjeshoek’, een rubriek die hij, toen de krant twee jaar later verdween, voortzette in De West. Uit de eerste reeks verzen werd in 1930 een keuze gebundeld onder de titel Surinaamsche Rijmpjes van Sonja. De zestig teksten zijn werkelijk niet meer dan rijmpjes, waarin met mild-spottend oog allerlei actuele situaties op de korrel genomen worden: het piauwspel van de chinezen, de papegaaienziekte, een felicitatie aan dr H.D. Benjamins bij diens tachtigste verjaardag, rokkenlengte en zedelijkheid. In Geen geraas of getier heeft Thea Doelwijt venijnige liedjes van de cabaretier J.C. Kruisland opgenomen, maar ook heel wat sulliger versjes (de categorie ‘luim’!) van G.C.T. Rustwijk, A.W. Marcus en R.D. Simons. Ter vermaning van de jongedames van tegenwoordig, een vers van de laatste:

Rokkenlengte en zedelijkheid
.In een onzer bladen komt een ingezonden stuk voor, gericht tegen de hedendaagse damesmode (korte rokken, pagekoppen, enz.), waarin o.m. het volgende te lezen staat: ‘Was vroeger b.v. voor een damesjurk vier ellen goed nodig, heden ten dage volstaat men met anderhalf, wat zoveel moet beduiden, dat de zedelijkheid en het schaamtegevoel bij de vrouwelijke sekse in verhouding is verminderd… Zou de Overheid de halfnaakte vrouwen niet uit hare dienst willen weren?’

.………Ik richt mij thans tot U, o onbekende.
……….Die weer een aanval op de mode hebt gewaagd
……….En zelfs de Overheid wilt alarmeren
……….Tot strijd tegen de vrouw, die korte rokken draagt.

.………Wat kan men doen, als ik mijn haar wil ‘bobben’.
……….Als ik mijn mouw en rok naar eigen willen maak?
……….Geen wet zal zeker ooit dat toch beletten;
……….Maar op de landsbureaux… dàt is een and’re zaak!

……….Daar zitten – zegt ge – half-naakte vrouwen.
……….Die men – dat vind ik ook – dan zeker weren mocht;
……….Ik heb ze nooit gezien, maar moet erkennen:
……….Ik heb ook niet – als gij! – speciaal d’r naar gezocht!

……….Misschien komt er nog eens voor de kantoren
……….Een kledingvoorschrift, luidend naar uw zin:
……….‘De dames mogen slechts aan ’t werk verschijnen
……….Met rokken tot de grond, met kragen tot de kin.’

……….Men had voorheen vier ellen goed van node
……….En nu kan men volstaan met anderhalve el;
……….Hoe minder goed, hoe lager dus de zeden.
……….Naar evenredigheid – ja, ik begrijp ’t wel.

……….Gij hebt een vondst gedaan – en geen geringe!
……….Aan U dan lof en eer, wanneer men voortaan weet.
……….Dat men van zeek’ren tijd de zeed’lijkheid kan meten
……….Met d’ellemaat, waarmee men stof voor jurken meet!

……….Het komt ook uit! Denk aan de vroeg’re eeuwen,
……….Van wijde crinoline en lange sleepjapon;
……….Wat stond de zeed’lijkheid toen toch veel hoger!
……….Madame de Pompadour! Madame de Maintenon!

Simons gaf lezingen voor de radio-uitzendingen van de AVRO en schreef over cultuur, folklore en literatuur in Naar Ruimer Horizon, De West-Indische Gids, Jong Suriname en andere bladen. Opmerkelijk in die productie is vooral het grote aantal artikelen over het Sranantongo. In 1941 liet hij ook het eerste stuk verschijnen van Het Neger-Engelsch: spraakkunst en taaleigen. In 1944 voerden pater J. Mols in De Surinamer en Simons in Het Nieuws een polemiek over de spelling van het Sranan. Simons nam de taal ernstig en zag die ook als deel van het onvervreemdbaar eigen cultuurgoed van Suriname. Maar als onderwijsman meende hij dat deze taal niet dienstig was voor maatschappelijke vooruitgang.

R.D. Simons verliet Suriname in 1946. In De West schreef Sonja het afscheidsvers ‘Voor het laatst…’, met direct daaronder een vers in het Sranan ‘Adjosi mi Sranam’ met – opmerkelijk genoeg – de initialen R.D.S. In Nederland was Simons in 1952 mede-oprichter en eerste voorzitter van het Surinaams Verbond, dat zich had afgescheiden van Ons Suriname, omdat het een sterk voorstander was van de Rijkseenheid. Simons werd tevens redacteur van Djogo, waarin hij onder meer een woordenlijst van het Sranantongo publiceerde. Hij overleed in Amsterdam op 1 december 1969.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: