JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (5)

deel 1; deel 2 ; deel 3 ; deel 4

‘Prachtig!’ riep geestdriftig van Dort.
‘Mooi, Mara,’t laatste ging wat moeilijk,’ meende baas Kamp.
‘Die laatste regel is te lang,’ merkte juffrouw van Dort zacht beslist aan.
Oom Willem zette zijn glas neer:
‘’t Is of een engeltje op je tong,’…. hij hield zich in, alles was ernst.
Een schrille lach van Ferdinandje schoot uit, toen zat ’t kind onder vaders oog, betrapt.
‘Kom kerel!’ keerde oom Willem zich naar zijn broer, die een weinig aan ’t suffen geraakt was, ‘kom, scheurt er de kop bij, nog tijd genoeg om aan je endje te denken.’
Oom Piet schaterde plotseling: ‘Ik aan mijn endje denken…. wat bè-jij een zondig mens.’
Proestend en neen-schuddend, schaterde nu ook oom Willem.
‘Suus, draai es bij,’ riep oom Piet, ‘je poelkie krijgt de begaves, klop hem eens op zijne rug.’
‘Wat nou weer?…. got man, ’t is veels te warm voor zo’n drukkie.’
‘Ja, warm is het wel,’ zei nu ook tante Mijntje, die met het liedje heen en weer waaide, dat er de haartjes op haar voorhoofd van opstoven.
‘Daar is de pons niet vreemd an,’ verzekerde baas Kamp.
‘Gus ja!’ en ’t vrouwtje viel bijna tegen haar mans borst, ‘’t gaat me in de benen zitten.’
Naast haar staarde van Dort peinzerig boven het punchglaasje, dat hij voorzichtig belebberde:
‘’t Blijft toch altijd maar een mooie wijs,’ zei hij.
‘Ik voor mij, vind het Oostenrijkse veel mooier,’ meende zijn vrouw.
‘Ja, lief…. het Engelse is ook wel mooi.’ Tante Mijntje neuriede meteen…. ‘vindt je niet? nee?’ Zij gaf, loszinnig lollig, een knik met haar hoofd, van ‘wat kan ’t mijn ook schelen’.
Baas Kamp lette niet op zijn vrouw, die het roesje nog trekkerig kijken deed of ze telkens wat zag. Een blaasbeweging bibberde even zijn lippen uit. Van de derde tafel raasde het plezier der kinderen weêr geweldig.
‘Bedaard, bedaard!’ waarschuwde de bruidegom.
‘’t Wordt hier smoek,’ zei juffrouw van Dort, die gelukkig haar zakdoek in haar japonzak vond, ‘staat de deur wel open? ‘k kan ’t niet zien; die mannen lijken soms net ovens…. Nee, tante Dientje, slaat u mij nu maar eens over.’
Van Dort riep dapper de kamer in:
‘Bruigom, ik vraag ’t woord: mag de deur niet open? de dames krijgen het benauwd.’
Baas Broense kwam pal voor zijn stoel, bekeek het deurgat. ‘We zullen nog wat lucht maken.’ Hij beval: ‘Dirk, och, maak het raam voor op een kier.’
‘Zou Hendrik niet liever het ruitje van de plee openzetten?’ vraagde de Bruid, ‘het raam is zo aan de straat.’
‘Ja! je kan nooit weten met die presenten,’ gaf zij zich zelve antwoord….
‘Heus niet, tante Dientje,’ herhaalde juffrouw van Dort.
‘Ik durf ook niet meer.’ Juffrouw Kamp haastte, rad neeschuddend, haar handje, ruw en wreed van huiswerk en kou, maar met wel zes ringen, boven op het glaasje.
‘Mag de jongeheer dan nog een halfie?’ vroeg tante Dien, de ketel stil houdend.
‘Zou ’t magge, vrouw?’ zei van Dort schuchter.
‘Kom, bè-je mal, op éen been kan ’t kind niet lopen.’
‘Nu, deze keer dan ook nog maar eens,’ en juffrouw van Dort schoof vriendelijk haar eigen glaasje naar de straal toe.
‘Een straffie, Dien!’ zei oom Piet.
‘Kereltje, kereltje,’ giegelde de schenkster, ‘wat is jouw maag een vergaarbak.’
‘Ja, ja, mens, zegt u dat wel…. ’t Is een last zo een iemand zijn keel niet kan drooghouen;…. daarom geneer u niet, juffrouw Dort, laat u maar gerust staan, als u er geen trek in hebt…. wij weten er hier wel raad mee,’ snaakte oom Willem goedhartig. ‘Stop eventjes, Dien, ieder het zijne, daar zat nog een tikkie in…. zo…. mijn lieve mens, man, vriend,’ praatte hij verder naar van Dort, ‘u kijkt zo diepzinnig, of u wat bedenkt, net of u de pik op mijn heeft, en och ik ben zo’n goeierd, ik ben net als het schamele weeskind door zijn vader en moeder allebei vroegtijdig verlaten, niks niet kieskeurig uitgevallen.’
Dromerig, de dikke oogleden neer, had oom Piet toegeluisterd en of hij zijn hand nog wat aan z’n glas wou warmen, bleef hij het vasthouden, nu hij zei: ‘Ja, ja, hij heeft een hart van goud, je zou het hem zoo niet anzeggen, een ander zou het allang naar de lommerd hebben gebracht, hij niet; ja, hij is eigenlijk veel te goed voor deze wereld.’
Hij draaide op een bil wat om, zette een streng gezicht: ‘Zondeloze vleeszak, bè-je wel ooit geboren?’
‘Branderige engel,’ antwoordde oom Willem dadelijk op de uitnodiging weer klaar, ‘ik geloof van nee, ik ben door een beer op een paal gepiest, dat geloof ik.’
‘Ik geloof,’ zei oom Piet nadenkelijk, ‘het vlees is beter dan de benen.’
‘Een goed geloof en een kurke ziel, dan drijft een mens altijd boven.’
‘Er zijn mensen, die drijven op hun vet.’
‘Vet smet.’
‘Smetteloze kindertjes worden doodgeboren.’
‘Geboren vóór je tijd, is nog een erger ding.’
‘Nou, da’s mijn overkommen….’
Maar oom Willem gaf het nog niet op: ‘Mijn vaders vaders varkensvader, dat was een beer.’
‘Die beer?’
‘Een beer.’
‘Broertje laat me je eens zien.’
De twee bazen stieten aan.
‘Op onze zuigelingen,’ zei oom Willem.
‘Dat we ze nog lang mogen lusten,’ zei oom Piet.
En ze dronken ad-fundum.
‘Een lekker avondmaalsdrankie,’ besloot daarna oom Willem.
‘Af en toe mag ik wel zo’n kommetje huzarenkamille,’ zei oom Piet.
‘Grote grutten, wat een rare mensen,’ ginnegapte tante Mijntje en zij droogde zich ’t voorhoofd wat af.
‘Ze vallen nog al in de smaak, merk ik,’ fluisterde van Dort.
‘Wat zijn ze weer aan de gang!’ Grootje vergenoegd keek de tafel overlangs. Baas Kamp lachte wat stroef of hem kiespijn begon te kwellen.
‘Als hij ’t maar niet te benauwd krijgt,’ zij tante Mijntje haar man angstvallig bekijkend.
‘’t Zal wel wennen,’ kalmeerde juffrouw van Dort, die zich stilletjes bewaaide.
‘Allemaal ouwe moppen,’ pruttelde oom Gerrit hardop genoeg.
‘Got zal me!’…. viel oom Willem zo ruw uit, dat tante Mijntje, ‘wel foei schrok’…. ‘daar heb je hèm; zeg jij daar, slome duikelaar, buk liever wat, je gooit met je kersepit dat bekertje anders nog van de schoorsteen. Zo’n gladdekker!’ praatte hij weer voor zich, ‘hij zit daar net of hij een end duivelat heeft ingeslikt en dat is, nogal, got-helpe-me, mijn bloedverwant.’
‘Nou,’ vinnigde oom Gerrit, ‘dat kon, als ik zo’n keel had als jij, daar is wel een hele glazenmakerswinkel doorheengegaan met al zijn ap- én dippendensie.’
‘Die zit,’ grinnikte oom Doris.
‘Och vent, je mot nog aan de borst.’
Maar oom Willem was van zijn stuk geraakt, hij moest bedenken, gelukkig voor hem, riep nu juist Betje’s galant: ‘Me dunkt, we moesten nog eens een liedje hebben.’
En blond, blozend jonkman, nieuw in den schijn van de lamp, beurde hij uit den achterzak van zijn kamgaren geklede jas het bundeltje liedjes; gelijk kommetjes hingen de manchetten op zijn handen, fris als vers vlees.
‘Mag ik zoo vrij zijn?’ vervolgde hij, ‘de dames of nee de heren te vragen met de dames van éen liedje te zingen, anders is er niet genoeg.’
Oom Doris was bereidwillig, deelde rond.
‘Draaiend lied!’ las luid de bruigom.
‘Kijk jij maar bij je familie in, hoor!’ zei tante Suus.
‘Och!’ en oom Willem wou aaien.
‘Handen thuis,’ waarschuwde tante Suus.
…. Iedereen zat het wondere papiertje te bekijken.
‘’t Lijkt precies een doolhof uit de Enkhuizer almanak,’ oordeelde tante Mijntje.
‘Je kan er kop nog staart aan vast maken.’ Oom Gerrit wist het begin niet goed te vinden.
‘Draaien is jou anders zoo vreemd niet,’ mokte oom Willem,’ die den steek onder water nog maar niet vergeten kon.
‘Die is voor u bestemd,’ grinnikte oom Doris naar de kunstdraaier, en toen: ‘krijgt je vrouw het te kwaad?’
‘Ik heb ‘t!’ riep het van uit de kinderen.
‘Wijze: Henry’s drinklied!’ onderrichtte de galant:
Bij het klinken der pokalen,
Bij het fonkelen van den wijn!….
‘Welbekend,’ had oom Willem gezegd; maar oom Piet had tegelijk gezongen:
‘Waar is Keesje, waar is Keesje,
Waar is Keesje met… zijn… meid?’
‘O ja, o ja!’ riepen er stemmen.
De galant aan ’t staan, zette in; de liedjes begonnen in de handen te draaien; de kamer zong:
Bruid en Bruigom U ter eere
Zingen wij een draaiend lied,
Draaien doen toch alle dingen,
Draait de heele wereld niet!
Draai dan toe,
Wordt niet moe,
’t Is geen lied van zwier of statie,
’t Is maar voor de variatie,
Daarom draai maar om en om,
Voor de Bruid en de Bruidegom.
Juffrouw Weelsen zong nu helemaal niet meer mee. Ze zou het niet hebben gekund, maar zonder dat zij er iets tegen deed, schoof het krakende briefje met zijn regels in cirkels gedrukt tussen haar vingers rond. Het was haar aan te zien, ze begon een erge last te krijgen van haar hoofd. Telkens, onwillekeurig, kromp ze een beetje in mekaar, vooruit al, met de wijs mee, bij elke forse uitval, dien ze wist dat kwam. Haar glaasje…. dat had ze niet durven aanraken, om ze wist hoeveel niet.
Het gezelschap zette het tweede couplet al in:
Draaien, draaien, almaar draaien,
Dat is wat het Leven biedt
Want ons lot bestaat uit draaien,
………….
………….
Smelterig in de hete schemer zaten de zangers en de zangeressen; bijna allen donker gekleed, de lollende gezichten zo raar, zo rood. De twee bazen zongen zich kringen van onderkinnen; of het een orgeltje was, wentelde oom Piet zijn versje rond. O, die draaiende liedjes, de kamer begon er van te draaien; zwager Kamp kreeg het ook te kwaad, voor zo’n buitenman was het wel een temtasie, de onderste knoop van zijn vest was los, hij vocht met de warmte. Betje liet zich wat aan tegen de borst van haar vrijer, lustig draaide zij; hij zong overdreven, over haar schouder heen. Het draaide, het draaide.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.

One thought on “JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (5)

  1. Pingback: JAC VAN LOOY – DE BRUILOFT (6) | MUIZENEST

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: