10 FEBRUARI – FRANS COECKELBERGS

Frans Coeckelbergs (Heist-op-den-Berg, 10 februari 1859 – Middelburg, 4 september 1918) was een Vlaams auteur. Hij werd geboren in het gehucht Achterheide. Zijn geboortehuis, hoeve De Kroon, staat er nog steeds. Als kind verhuisde hij naar het dorp Heist-op-den-Berg, naar een woning aan de voet van de berg; de straat heet tegenwoordig de ‘Frans Coeckelbergsstraat’. Zijn moeder Maria Op de Beeck (1827-1875) trouwde vier jaar na zijn geboorte met landbouwer Franciscus Coeckelbergs (1826-1914) uit Heist-op-den-Berg. Hij doorliep de lagere school in zijn geboortedorp, waar hij vervolgens tot postbode benoemd werd. Zijn eerder beperkte opleiding belette niet dat hij, geïnspireerd door de verhalen en anekdotes die hij tijdens zijn postronde opving, een vrij uitgebreid oeuvre samenpende, waarin zijn gehechtheid aan zijn geboortestreek en haar bewoners de boventoon voert. Onder het pseudoniem ‘Frans Zand’ publiceerde hij verhalen, sagen en legenden die nu een kostbaar tijdsbeeld geven van de Zuiderkempen in de negentiende eeuw en weerspiegelen wat er in die periode onder haar veelal bescheiden bevolking aan aspiraties, angsten en (bij)geloof heerste.

Onder invloed van onder meer zijn vriend en dorpsgenoot Lodewijk Liekens (1867-1956) raakte Coeckelbergs betrokken bij de Vlaamse Beweging en nam hij stelling tegen de verfransing van zijn streek. Zijn werk werd gepubliceerd in Ons Gedacht, De Boerenkrijg, Ons Volksleven, ’t Hageland, Neerlandia, Nieuw Leven, Vlaamsche Zanten, Humaniteit, De Student, De Vlaamsche Treinwachter, De Zondagsbode, De Vlaamsche Kunstbode, De Swane en De Zweep. Een bundeling van enkele bijdragen verscheen op initiatief van Lode Opdebeek (1869-1930) onder de titel Sprookjes en Legenden.

In 1884 trouwde hij met Anna Maria Josephina Van Hoof (1859-1926). Uit hun huwelijk werden tien kinderen geboren, waarvan twee zonen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog naar het front gezonden werden. Coeckelbergs zelf vluchtte met een deel van zijn gezin naar het Nederlandse (en neutrale) Middelburg, waar hij zich inzette om het lot van de Belgische soldaten en vluchtelingen te verzachten. Hij overleed er op 4 september 1918 en werd er twee dagen later in een met de Belgische vlag bedekte kist begraven.

Naar aanleiding van zijn overlijden in jaargang 17 van Den Gulden Winckel onderstaande bericht van Edward Peeters, een Belgisch onderwijshervormer:

Te Middelburg in Zeeland overleed, den 4en September 1918, de Vlaamsche letterkundige Frans Coeckelbergs. Voor mij in ’t bijzonder was ’t een bittere scheuring, hem hier in ballingschap te zien sterven. Want sinds meer dan vijf-en-twintig jaren waren we innige vrienden, steeds deelnemend in elkaars vreugden en smarten, steeds elkaars werk, hoe verschillend het ook zijn mocht, volgend. Maar tallooze vrienden voelen dat verdriet evenals ik, want zijn begrafenis op het R.-K. kerkhof te Middelburg was een heerlijke hulde aan de nagedachtenis van dien noesten werker.
Coeckelbergs was een heel eenvoudige volksjongen, te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen) den 10en Februari 1859 geboren. Reeds heel jong stond hij voor den ruwen levensstrijd, en na ternauwernood de volksschool geëindigd te hebben, werd hij hulpbode en daarna bode bij de posterijen in zijn geboortedorp, bediening die hij vervulde tot hij in October 1914 met zijn talrijk huisgezin naar Nederland kwam getogen. Er lag echter in den knaap, in den jongeling, een onverzaadbare weet- en leerlust, en op eigen hand studeerde hij aanhoudend voort, in allerlei vakken, terwijl zijn oogen en ooren steeds breed geopend waren voor al het mooie der buitenwereld.
Wat hem het meest aantrok was de folklore, de volkskunde: hij kon uren zitten luisteren naar de sprookjes, legenden, liedjes uit den ouden tijd, die hij uit den mond van het volk, van de ouderlingen vooral, mocht vernemen. En thuis gekomen werkte hij dan halve nachten aan het uitwerken, aan het zoo phonographisch mogelijk overschrijven, van al wat hij op die wijze had kunnen bemachtigen. Hij behoorde niet tot die schaar folkloristen, die de mooie ‘zeisels’ en ‘sproken’ van ons volk ontleden, doorkerven, met allerlei geleerde opmerkingen en vergelijkingen versieren, en het ongekunstelde aldus een streng, statig gewaad aantrekken. Neen, zijn taak was al die sappige, pittige gezegden, vertellingen, sproken, liedjes, en wat dies meer, zoo trouw mogelijk op te teekenen, en ze dan neer te leggen in de daartoe opzettelijk bestemde tijdschriften, waar de ontledende folkloristen – die tot den liefhebber van volkskunde staan als de wetenschapsmensch tot den gevoelsmensch – ze dan konden terugvinden. De onderscheidene tijdschriften voor volkskunde in Vlaanderen, o.a. De Hagelander, Ons Volksleven, Volkskunde, telden hem dan ook onder hun ijverigste medewerkers, en ontelbaar zijn de bijdragen die hij daaraan leverde. Slechts éénmaal gaf hij gehoor aan het verzoek van den Antwerpschen uitgever Lod. Opdebeeck om een bundel saam te stellen, – die dan ook verscheen onder den titel: Sproken en Legenden uit den volksmond afgeluisterd -, hoewel zijn gezamenlijke bijdragen over volkskunde méérdere bundels konden vullen. Dat werk, die verzameling, zou het werk zijn van zijn ‘ouden dag’… van den ‘ouden dag’ dien hij niet heeft mogen beleven.
Het ware dan ook wel wonder zoo die warme beminnaar der eigenaardigheid van ons volk niet tevens een diepvoelend kenner en vereerder van de natuur geweest ware. Hoe onmogelijk het me in deze ballingschap ook is juiste gegevens te verstrekken, daar gansch mijn boekerij evenals al mijn dossiers en aanteekeningen in het bezette gebied gebleven zijn, toch herinner ik me nog met innig genoegen de mooie, treffende natuurschetsen; die hij destijds in het weekblad Onse Swane, van Heyst-op-den-Berg, nederschreef over de onderscheidene wegen welke hij, als landelijk postbode, betreden moest. Onder heel eenvoudige titels: Naar Hulshout, b.v., wist hij dan op boeiende, haast photographische wijze, de eigenaardige schoonheid van het Kempenland te doen uitkomen en waardeeren.
Ook in De Vlaamsche Kunstbode, het bekende maandschrift van Jan Bouchery te Antwerpen, was hij een gewaardeerd medewerker, en daar leverde hij geregeld landelijke verhalen: Op de Boschhoef, Na tien Jaren, en zoo
menige andere, waarin we echter steeds hetzelfde gebrek weervinden dat de grond is van zijn karakter… en daar in ’t geheel geen gebrek is. Voor hem toch, was het niet meer dan natuurlijk: een braaf man, een brave vrouw te zijn, en wanneer hij brave menschen ten tooneele voerde, maakte hij ze, uit vrees van in een, door hem zoo genoemde, ‘alledaagschheid’ te vervallen, dooden-doodbraaf, zoo’n soort van engelen in blauwen kiel en met zijden muts! Aan den anderen kant, wanneer hij schurken deed optreden, dan mocht men steeds verzekerd zijn dat hun ‘kaliber’ aan monsterachtigheid niets te wenschen over liet. Les extrêmes se touchent in zijn verhalen: òf braaf als engelen, òf schurkachtig als duivelen. En dat al om niet te moeten spreken van die echt-Vlaamsche, natuurlijke door-en-door-braafheid zonder ophef, waarvan hij en zijn huisgezin een treffend voorbeeld gaven, en waar ik wel even op terugkom. Hoe menigmaal ik hem ook op die feil wees: ’t was boter tegen de galg gekletst. Hij kòn niet nalaten zijn karakters aan te dikken, een gebrek dat niet hèm alléén eigen is. We behoeven daarvoor enkel de werken van Dr. Renier Snieders te doorloopen!
Sedert het mij gegeven was, nu een tien, twaalftal jaren geleden, Nederland een weinig beter te doen kennen en meer te leeren waardeeren in België en in de Zuid-Europeesche landen, was het ook natuurlijk dat de vrienden, die ik hier had weten te verwerven, ook zijn vrienden werden; en van dat oogenblik dagteekent zijn medewerking aan enkele Nederlandsche tijdschriften, o.a. Levenskracht, van Soest, waarin hij heel pittige bijdragen schreef. Ook vatte hij, van toen af, menigmaal sociale vraagstukken aan in zijn verhalen: in Steven Roeland, b.v., schilderde hij de gevolgen af der erfelijke belasting.
Wie ook met Frans Coeckelbergs in aanraking kwam, móést van hem houden. Te Heyst-opden-Berg was die eenvoudige postbode een der meest gewaardeerde, der meest geëerbiedigde burgers. Toen hij, gedurende de eerste maanden van den oorlog, te Oostende met zijn huisgezin ten mijnent verbleef, waren de geburen aanstonds bijzonder met hèm en hèn ingenomen; te Hoofdplaat, waarheen hij gedurende de eerste oorlogsjaren uitgeweken was, hield iedereen om ter meest van hem: dominee en pastoor kwamen graag met den stillen man praten. En te Middelburg was zijn uitwijkelingenwoning weldra als een middenpunt, waar ieder idealist zich graag heen begaf, en de vrienden van links en rechts wisten elkaar steeds ‘bij Frans’ te ontmoeten. Dat hij daardoor heel dikwijls de gelegenheid had om den min-ontwikkelden uitwijkelingen doorslaande diensten te bewijzen, lijdt geen twijfel… en zachtjes aan was Frans Coeckelbergs de rechterarm van den Belgischen aalmoezenier geworden.
Veel heeft hij gewerkt, veel heeft hij geslaafd, van den vroegen morgen tot den laten avond, om zijn talrijk huisgezin – hij laat niet minder dan tien kinderen na – met eere op te voeden in zijn eigen voortreffelijke grondbeginselen; en inderdaad, zijn kinderen zijn de mooiste kroon op zijn graf. Zijn twee zonen staan in het Belgisch Veldleger aan den Yzer, twee van zijn dochters zijn in ’t bezette België gebleven; en het verdriet over die scheiding deed hem de hartkwaal aan, waaronder hij op 4 September nederviel om niet meer op te staan. Maar zijn taak was vervuld, en, wat er nog te doen bleef, daar zullen de vrienden wel voor zorgen.
Zijn begraving, op 6 September 1918, was dan ook een welverdiende hulde aan den ervaren volkskundige, aan den gemoedelijken verhaler, aan den vader volgens Gods hart, aan den geliefden vriend, aan den vurigen Christen. De ZeerEerw. Heer Pater Dr. J.P. Vullings, oud-Belgisch aalmoezenier te Middelburg, voerde eerst het woord bij de geopende groeve, en na hem schilderden ook schrijver dezes, de heer Hendrickx, postbeambte, de heer A. Hans en de heer Johan Demaegt, de zoo gewaardeerde verdiensten af van den ontslapene voor een dichte en ingetogen menigte.
En bij dit open graf van den duurbaren vriend werd door al de aanwezige vrienden, ook in den naam van hen die niet konden aanwezig zijn, besloten na den oorlog te Heyst-op-den-Berg te vergaderen, om daar, in de stille, rustige, landelijke woning van den eenvoudigen postbode, zoo groot in al zijn eenvoud, de middelen te beramen om den naam van Frans Coeckelbergs te doen voortleven in den geest en in het hart van zijn volk, van dat volk waarvoor hij geheel zijn leven geijverd en gewerkt heeft.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: