WILLEM ELSCHOT & TOM LANOYE

Willem Elsschot (Antwerpen, 7 mei 1882 – Antwerpen, 31 mei 1960) was een Vlaamse romanschrijver en dichter. Zijn werkelijk naam was Alphons de Ridder, een zoon van een bakker uit Antwerpen, die als reclameman verschillende beroepen uitoefende in Antwerpen, Brussel, Parijs, Rotterdam en Schiedam. In de laatste stad was hij handelscorrespondent op het kantoor van de Werf Gusto, dat model zou staan voor de General Marine and Shipbuilding Company in Kaas, een van van zijn beroemdste verhalen. Een oudere collega bij Gusto, mejuffrouw Van der Tak, stimuleerde hem de kleurrijke verhalen die hij vertelde, op papier te zetten. Vanaf 1912 werkte De Ridder voor het tijdschrift La Revue Continentale Illustrée: industrie, finance, commerce, éducation, van zijn vriend Jules Valenpint, die model stond voor het personage Boorman in de roman Lijmen/Het been, zijn beroemdste boek. Het naam van het tijdschrift La Revue Continentale werd omgedoopt in “Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen”. Het echte tijdschrift ging tijdens de Eerste Wereldoorlog wegens de economische omstandigheden failliet.
Willem Elsschot schreef verder een magistraal gedicht Het huwelijk met de onsterfelijke regel die nog vaak in allerlei situaties door jan en alleman wordt geciteerd: ‘… tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren…’. Hij schreef het gedicht op 7 mei 1910 in Rotterdam, toen hij 28 jaar oud was. Het behoort tot de bekendste Nederlandstalige gedichten. Het gedicht gaat over een man die met spijt en afschuw zijn ouder wordende vrouw beschouwt. Hij overweegt haar dood te slaan en het huis in brand te steken om ergens anders een nieuwe liefde te vinden.
Twee keer is een antwoordgedicht vanuit het standpunt van de vrouw geschreven. In 1997 schreef Adriaan van Dis zo’n gedicht en in 2010, precies een eeuw na het origineel van Elschot werd dat ook gedaan door Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958), de jongste zoon van een slager uit Sint-Niklaas en een romancier, dichter, columnist, scenarist en theaterauteur.

Het Huwelijk – Willem Elsschot

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven,
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tóch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood.
.
.
Rotterdam, 1910

Het Huwelijk (De Wederhelft) – Tom Lanoye

Toen zij bespeurde hoe de kanker van de tijd
de ogen van haar man deed zwellen — twee tumoren;
zijn lach had weggeteerd, zijn hoofd had kaalgeschoren;
besloot ze, afgedankt, te leven voor haar nijd.

Ze vloekte binnensmonds, maar grijnsde hem lief toe
toen hij, in walg, haar ochtendlijk toilet begluurde;
zelfs toen, weer zijn lust hem naar haar lichaam stuurde
en hij kokhalzend neerkeek op ‘die oude koe’.

Nooit viel ze uit haar rol, al spoog zijn helse mond
verwijten als een zuur. Ze kweet zich van haar plichten,
maar lachte zwijgend zó, dat hij haar nors betichtte:
Zij wenste hem reeds nu een bed onder de grond!

Ze dacht: ik sla hem dood, begraaf hem in de tuin.
Naast hem de hoer die elke dinsdag, twintig jaren,
de oorzaak was van het verlies van al zijn haren.
Daarna die reis, van Palma naar de Balearen,
die hij steeds heeft belet, uit schrik voor ’t zilte schuim.

Maar doodslaan deed ze niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg, en praktische bezwaren.
En ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
En zagen dat de vrouw die zij hun moeder heetten,
Als altijd stil en grijnzend bij de haard gezeten,
Een extra sjaal om haar verkwijnde schouder sloot.

Antwerpen, 2010

 

 

 

 

 

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: