ODALISKEN – 020

Marià Fortuny (Reus, Catalonië, 11 juni 1838 – Rome, 21 november 1874), was een Spaans kunstschilder, graficus en tekenaar. Hij groeide op bij zijn grootvader die beeldsnijder, meubelmaker en ontwerper was en kreeg zijn eerste lessen in tekenen in het atelier van Domingo Soberano in 1850 toen hij pas twaalf jaar oud was. Daarna ging hij nog in de leer bij de zilversmid en miniatuurschilder Antonio Bassa. In 1852 kon hij dankzij een toelage van twee geestelijken uit Reus naar Barcelona gaan studeren aan de Escuela de Artes Y Oficios, een kunstacademie, bij de beeldhouwer Domènec Talarn. In 1853 volgde hij de lessen aan de kustacademie van San Jorge eveneens in Barcelona, bij de schilders Claudio Lorenzale, Luis Rigalt en Pau Milá. In 1857 kreeg hij van de provincieraad van Barcelona een beurs om twee jaar in Rome te gaan studeren. Hij studeerde er aan de Academia Chigi en hield zich er daarnaast vooral bezig met het kopiëren van werken van oude meesters. In 1860 kreeg hij van de provincie Barcelona de opdracht om als oorlogsschilder naar Marokko te trekken om er schetsen te maken van de oorlogsverrichtingen van het Spaanse leger tijdens de Spaans-Marokkaanse oorlog van 1859-1860. Die eerste reis naar Noord-Afrika duurde slechts zes maanden, maar had een diepgaande invloed op de jonge kunstenaar. Het Marokkaanse licht en de exotische sfeer zullen zijn toekomstig werk diepgaand beïnvloeden. In Barcelona stelde hij een aantal van zijn Marokaanse tekeningen ten tentoon, waarop hij van de overheid de vraag kreeg om naar Versailles te reizen om er het schilderij “De verovering van de Smalah van Abd al-Kader” van Horace Vernet te bestuderen. Terug in Rome begon Fortuny aan zijn grote werk De slag bij Tétouan (3 bij 10 meter) en maakte er een serie van 73 gravures. Op verzoek van de provincie Barcelona keert hij terug naar Marokko om zijn werk af te maken. In in september en oktober 1862 verbleef hij in Tangers en Tétouan, waar hij naast het werk voor de provincie enkele werken schilderde die de oriëntalistische sfeer ademen. In 1863 keerde Fortuny terug naar Barcelona, waar zijn beurs met twee jaar werd verlengd. Vanaf 1865 was Agustín Fernando Muñoz y Sánchez, de hertog van Riánsares, zijn mecenas en belangrijke opdrachtgever. Vanaf 1968 vestigde Fortuny, die inmiddels getrouwd was, zich weer in Rome. Hij bezocht wel regelmatig Parijs omdat hij in Frankrijk een goede reputatie had opgebouwd, woonde ook nog een tijdje in Granada, maar keert in 1872 definitief terug naar Rome, waar hij twee jaar later overleed.
Fortuny maakte veel kleine genrestukken. Hij schilderde bij voorkeur werken met een opgewekte inhoud, dit in tegenstelling tot de zwaarmoedige Spaanse traditie. Hij gebruikte een sprankelend kleurenpalet, was technisch virtuoos, schilderde mooie lichteffecten en had een voorliefde voor anekdotische details in zijn werken. Hij had in de jaren 1870 vooral succes in Frankrijk, waar de critici de opkomende impressionisten als navolgers van Fortuny zagen en op basis van hun vrije penseelvoering en heldere lichte kleuren ‘fortunisten’ werden genoemd. Fortuny’s succes viel dus samen met de opkomst van de impressionisten, maar zelfs kan hij niet bij die stroming worden ingedeeld. Hij blijft het academische clair-obscur gebruiken en zijn voorliefde voor zwart, bruin en aardtinten onderscheidt hem duidelijk van de impressionisten. Vanaf 1867 schilderde hij vooral taferelen uit Sevilla, Portici en Granada, landschappen, portretten en naakten.


Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: