DE LEGENDE VAN DE HERDER KALDI

Er was eens een jonge herder in het huidige Ethiopië die Kaldi heette, die zijn geiten meenam uit grazen. Al snel sloeg de verveling toe en besloot hij om de tijd te doden met het spelen van muziek. Hij pakte zijn houten fluit en begon te spelen. Hij ging helemaal op in zijn spel en vergat te letten op zijn geiten. Nadat hij een tijdje alle aandacht aan zijn muziek had besteed, realiseerde hij zich plotseling dat hij zijn kudde helemaal uit het oog was verloren. De jonge Kaldi sprong op en ging halsoverkop op zoek. Gelukkig vond hij na een korte zoektocht zijn geitenvrienden weer terug, maar tot zijn verbazing waren de geiten aan het dansen. Ze sprongen en renden op de wei heen en weer. Erg ongewoon voor een kudde geiten, die normaal altijd rustig kauwend over het weiland liep. Al snel viel het Kaldi op dat de geiten op rode vruchten van een unieke boom aan het knabbelen waren. Nieuwsgierig probeerde hij het fruit zelf ook en al snel voelde hij zich net zo energiek als de geiten uit zijn kudde. Kaldi stond versteld van zijn eigen ontdekking. Hij bracht wat bessen mee naar het plaatselijke klooster en deelde de wonderbaarlijke krachten met de monniken. Deze waren in eerste instantie niet te spreken over de schandalige uitwerking van de bessen en gooiden ze in het vuur. Maar hierdoor werden de zaden in de bessen geroosterd en dat zorgde voor de verspreiding van een heerlijke geur. De monniken wisten niet dat zij zojuist ’s werelds eerste koffie hadden geroosterd. Ze haalden de zaden uit het vuur en probeerden het aroma te vangen door er water aan toe te voegen. Ze konden hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en dronken het aftreksel, waarna ze in staat waren om vele uren wakker te blijven en te bidden. Overweldigd door spirituele extase gingen de monniken de bessen gebruiken om dichter bij god te zijn. Het gebruik werd, volgens de legende, opgemerkt door Arabische handelaren en Perzische artsen.

Er zijn echter alternatieve legenden. Een ander verhaal gaat over een Soefigeleerde uit Jemen die naar Kaffa in Ethiopië reisde en van de bessen een drankje maakte. Dat drankje, dat hij kaffa noemde wat later werd verbasterd in koffie, zou hierna wijn hebben vervangen als religieuze drank. Er is ook een verhaal in omloop over een geestelijke die uit de Jemenitische havenstad Mokka was verbannen en gedreven door de honger besloot de bessen van een koffieplant te koken. En dat bleek prima te bevallen. In elk geval, vanuit Ethiopië begon de opmars van koffie over de wereld. De oorspronkelijke koffiesoort uit het land, de Robusta ofwel Coffea Canephora, heeft een wat harde smaak en is grotendeel vervangen door de Arabica, een andere koffiesoort met een complexere smaak en veel zachtere afdronk. De verhouding van de wereldproductie schijnt 60-40% te zijn, in het voordeel van de Arabica. Wat dus vaststaat is dat de Arabieren de eersten waren die een koffiemengsel maakten. In eerste instantie werden de koffiebonen nog niet aangevuld met water, maar met olie of dierlijk vet. Volgens de overlevering is het eerste gebruik van koffie terug te voeren op de islamitische soefi’s op het Arabische schiereiland in het midden van de vijftiende eeuw. Het brouwsel dat de Arabieren maakten kreeg de naam ‘qahwa’, wat zoveel betekent als ‘het opwindende’. Door de eeuwen heen werd koffie een steeds belangrijker onderdeel van de samenleving in het Midden-Oosten. Vanaf eind vijftiende eeuw stuitten Europese ontdekkingsreizigers op deze onbekende koffiehuizen, die in Mekka waren ontstaan. De koffiebonen waren afkomstig uit buurt van de havenstad Mokka aan de Rode Zee. Mokka, dat zijn naam gaf aan de beroemdste koffiesoort die geliefd is vanwege de sterke, cacao-achtige smaak, werd pas in de 14e eeuw gesticht en was van de 15e tot de 17e eeuw de belangrijkste handelspost ter wereld van koffie. Momenteel is het een onbeduidend havenplaatsje in Jemen.

Begin zestiende eeuw breidde de Osmaanse sultan Selim I zijn rijk drastisch uit. Vanaf 1636 hoorde Mekka en Mokka tot het Osmaanse Rijk. De Osmanen brachten de koffie vanuit Mekka onder andere naar Alexandrië, vanwaar uit het drankje uiteindelijk via Venetië zijn weg vond naar Europa. De Osmanen probeerden wel de koffiehandel te beschermen via een alleenrecht op de productie van en de handel in de drank. Rond 1660 begon de vraag naar koffie te stijgen. De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) had een factorij (een woord dat vandaag de dag de vanzelfsprekende associatie oproept van ‘fabriek’, maar het is slechts een handelspost) in Mokka en ook de Britten, Fransen en Denen hadden handelsposten in de stad. Die Europese handelsposten begonnen vanuit Mokka ook in koffie te handelen. Omdat de handel in koffie op deze manier een dure aangelegenheid was, zon men op mogelijkheden om het monopolie van Mokka en de Osmanen te omzeilen. Eind 17e eeuw wist de VOC enkele koffieplantjes Jemen uit te smokkelen en begon op Java en Ceylon koffieplanten te verbouwen. De compagnie kreeg zo de gehele controle over de productie en handel. Dankzij de VOC was Amsterdam binnen korte tijd de belangrijkste partij in de wereldwijde koffiehandel geworden. Al snel hadden andere landen het trucje afgekeken en begon de opkomst van de koffieplantages in Azië en Zuid-Amerika én de neergang van Mokka. In 1839 verplaatsen de Britten hun regionale hoofdkwartier van Mokka naar Aden, direct gevolgd door andere Europese naties.

In eerste instantie was koffie een zeer duur product en konden alleen de rijken zich een kopje permitteren. Vanaf de achttiende eeuw groeide het aantal koffiehuizen en daarmee ook de consumptie van koffie. Het dalen van de prijs zorgde ervoor dat het voor de armere bevolking ook mogelijk werd om koffie te drinken. In Nederland verving koffie vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw het bier als populairste drank van het land.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: