DE BOER DIE STERFT – 2

Karel van de Woestijne
DE BOER DIE STERFT
houtgravure van Jozef Cantré

deel 2
(deel 1)

Worden nu de bieten gerooid, dan staat de winter voor de deur. Gij hebt het dikwijls genoeg gezien, van de boomen die zwart stonden van de natte, en van de kraaiën die roeiën door de lucht, en op het wepele land aan ’t azen. En dan is ’t sneeuw, de groote, breede sneeuw op de aarde en aan de daken. Een boere-mensch heeft dan geen werk meer dan een beetje in huis en in de schuur. Maar door het venster ziet gij den sneeuw onder den looden lucht, den witten sneeuw die gelijk blauw wordt van achteren…
En Nand, gij hebt nog zooveel andere dingen gezien. Gij hebt de stad gezien, en vele herbergen, als gij naar den markt gingt om uwe kalvers te verkoopen met hun hooge pooten, en de naakte ronde plekke op hun voorhoofd als een heilige hostie. Gij hadt altijd van die kleine, Bretonsche koetjes, en gij ziet ze nog staan op uwe stal, of als uw jongens ze leidden langs den grachtkant. Op den markt hebt ge eens een trek-hond gekocht. Het was een machtig beest, een gele gelijk bij de been-houwers. Op weg naar huis sleurde hij zóó aan de koorde, dat gij al den tijd hebt moeten draven. Gij zaagt toen, dien zomer-middag, hoe het stuiven kan als men loopt. Al de looverkens wiebelden aan de Canada’s langs de baan. En gij zijt niet eens kunnen binnen gaan in “Halfwege” om een pinte te stekken, zóó hard trok die hond… – Herinner u, in stad hebt ge twee burgers-huizen gezien, waar uwe dochters dienden. Men is er maar op zijn gemak in de keuken. En gij hebt ook de expositie van Brussel gezien, en gij weet het nog heel goed, van den duizel in uw hoofd en de moeite in uw beenen…
En dan, – hebt gij het dan vergeten, Nand? Gij hebt toch uw wijf gehad, uw Wanne. Ge waart gij nog niet lang weêr van den troep. Uw vader leefde nog. Op ‘nen ochtend in het voor-jaar hebt gij ze eens gezien, dat ze afkwam. Er was zoo maar een frissche wind. Al heur haar vloog weg op haar voorhoofd, want zij had allemaal van die fijne krullekens. Op haar lijf en op hare beenen deed de wind haar kleêren naar achteren waaien. Zij lachte gelijk; zij was rood gelijk een kool. Dan zijt gij gelijk begonnen met haar gaarne te zien. Gij zijt er meê getrouwd. Zij heeft u kinderen gegeven als pioenen. En zij is altijd toch een goed wijf geweest… – Bah zóo,
Nand, gij hebt nooit uwen wél gehad? Vergeet gij dan Wanne-de-vrouw? En de kinderen dan? Gij hebt ze allemaal zien groeiën. Het waren gelijk bloemen, gelijk pioenen. ’t Zijn brave kinderen geweest, en zij hebben toch voor hunne ouders gewerkt. Domien is een beetje te vroeg getrouwd, maar hij is toch devoorig. Hij is in Amerika. Zijn kinderen hebt gij niet gezien. Maar de kinderen van Bertha kent gij allemaal. Zij is een proper wijf, en ze is óók devoorig met hare elf kinderen. Gij weet toch wel dat het oudste Nandje heet?…’
– Het jong vrouw-mensch zweeg op deze vraag. En Nand zei bij zich-zelf dat hij het wist, van Nandje. ’t Was precies Bertha als ze klein was, maar ’t was een manneke. Hij glimlachte. Bertha was nog altijd bezorgd om hem, van alle weken nog eiërs te brengen voor hem. Zij had veel kippen. Haar man prutste aan het kippenhok den Zondag. In de week werkte hij in de stad. Men wint er toch veel meer dan op den boer. Hij was brave. Maar Bertha was óók brave. Was dat nu Bertha die bij hem stond, of was het Nandje? Ja, van zijn kinderen had hij geen klagen gehad. Van zijn wijf ook niet, bijlange niet. Een mensch mag niet pochen, maar ’t was hem altijd toch nogal meêgegaan, met de beesten en met het land. Alleen maar… ’t En is maar dat een mensch toch nooit… Niet-waar, Bertha, gij weet het toch, niet-waar, kind? Bertha? Niet-waar, Bertha?… Bertha, waarom antwoordt gij mij niet? Bertha…
Hij wilde zich een beetje omdraaiën. Maar hij moest niet. Hij zag zónder zich om te draaiën. Het was Bertha niet. En ’t was ’t meisje ook niet met de versche schorte. Maar daar stond nu weêr een ander vrouw-mensch.
‘’t Is waar, mensch, ’t is waar…’
En zij deed met deftigheid hare oogen open en toe gaan. Haar aangezicht was heel wit, maar gij zaagt niet hoe het er uit zag. Maar dat geeft er niet aan. Zij was geheel in het zwart gekleed, gelijk Marie Burgemeester’s als zij ’s middags achter ’t gordijntje zit van de koele voor-kamer, met een hand-werkje. Men ziet haar niet zitten als men het niet weet. Zij is niet jong meer, en zeer deftig. Déze hier zag men ook niet goed, met haar kleed zonder schort. Maar men hoorde haar spreken met een diepe stem, gelijk het orgel in de kerk als het stillekens speelt met zoo een béverik.
– ‘’t Is waar, mensch,’ zei ze; met het pleizier van zijne oogen alleen zou een mensch geen vette soepe koken.’
Zij sprak met een klein mondje, gelijk de pachter-dochters die in ’t pensionaat hebben gelegen. Zij deed altijd hare oogen open en toe: altijd een wit plekje en een donker plekje, ‘dat het Nand begon te vermoeiën. Hij deed zijne oogen óok toe, en ’t was nu alleen nog het schoone blauwe duister. Hij moest er een beetje bij lachen. ’t Is of hij aan die Marie Burgemeester’s een poets gespeeld had. – ‘Laat ze nu maar praten!’ dacht hij… Maar hij moest tóch luisteren, omdat het deftig was wat ze zei, en schoon gelijk een bevend orgel onder de consecratie. En ze zei:
– ‘Met uwe oogen zoudt gij niets zijn, als gij uwe ooren niet hadt: Nand, man, ik ben uwe Ooren. Ik ben dat altijd geweest, al wist gij het niet. Maar ik neem u dat niet kwalijk, omdat gij uw gehoor toch altijd goed hebt gebruikt. En gij hebt er plezier van gehad, doet gij niet?
Peins er ‘nen keer op: ge mocht gij oud of jong zijn, ge laagt gij allang wakker te luisteren of de haan nog niet ging kraaien, dat gij óp moest voor ’t werk. En ’t en is maar de Maandag-ochtend, als uw hoofd nog wat zwaar was van de pinten bier, dat gij níet te luisteren laagt, en ’s winters, als gij niet vóor den klaren op moest, en de haan putten kraait in den nacht: toen bleeft gij, wakker, nog wat liggen, en gij zeid’t: ‘Loop naar den weêr-licht!’; maar de beesten hoordet gij, die aan ’t roeren gingen in den stal en in de kotten, en gij stondt tóch op, met kippe-vel van den kou aan uwe kuiten, ‘dat het haar er van recht kwam… Maar als gij zoo, in ’t voorjaar, te wachten laagt naar ’t gekraai van den haan, dan was daar al éen vogelken dat u van zingen wakker hield. ’t Is ’t vogelken dat altijd iets vragen moet, zou men zeggen; ofwel, bij regen-weêr, ’t water-vogelken dat piept als een pompe. – Goed, gij zijt op. Nu zijn ze daar met honderd vogels aan ’t vechten en roefelen in de boomen, terwijl de dauw er uit neêrpletst. Uw wijf haar rokken slaan rond haar. Terwijl ze koffie zet zijt ge al op ’t hof. De koe trampelt in haar stroo; de geite schuurt haar huid aan den stal-muur; de snuit van het zwijn heeft een nat gesnork onderaan de halve-deure. Gij gaat weêr naar huis toe. Uw wijf staat in het deur-gat en zij roept: ‘Tie! ti-ti-ti-ti,’ en al de hennen overstappen zich van het kakelende loopen, terwijl de deftig-gaande haan die hoog de pooten opheft, als achterdochtig ‘Kok, kok, kok’ doet. En gij hoort dat allemaal, en gij hebt er deugd van, omdat alles zoo goed gaat. – In den zomer-tijd is op dat uur al iedereen naar het werk. Van bij slijt-tijd tot na den haver-oogst moet gij vroeg op de been zijn. En op de baan hoort gij hun galmenden stoet, van de werklie, terwijl het nog duister is in de huizen. Zij blijven bij wijle staan, en ’t is een lange schoone roep om, onder weg, de makkers te vermanen die nog niet buiten gekomen zijn. En waar zij gaan in de wegels, daar suizelt het vlas, of doen zij van hunne handen het graan hard ruischen en schudden. En ’t lijdt geen tijd, of daar ploft zingend de pikke; gij luistert hoe de zet-steen zindert alover het staal, en van verre het pleizierige hamerken klopt. – Bij bamis-weer, dan is ’t in een latere vroegte, dat aan uw vensterken de regen tokkelt. Gij hebt zoo’n haast niet, al heeft de haan een tijdeke gekraaid. – “De haan wordt gelijk schor van dat weêr,” meent gij, en gij trekt uw broek aan. Gij kunt nu wat later in huis blijven, en gij lanterfant. Nu hoort gij beter de geruchten van binnen-huize: de kinders die snateren of schreeuwen voor zij naar school gaan; de afwasch van de vrouw in ’t klotsend water. Zij vertelt iets. Dan gaat gij in uw schure dorschen, en de vlegel ploft matelijk en met een blij geweld. Of er moet gewand, of, door de zeef die aan den zolder hangt, gezeefd; en dan hoort gij de graan-korrels hagelen op den zeildoek. In ’t kot daarnaast snorkt zuchtend het varken. Op de dilte zitten, achter hun schot, de duiven, die trappelen en roekedekoeën. – En niet-waar, in den winter heeft de uchtend als géén gerucht, en de sneeuw hóórt gij niet…
Maar ’s noens! – Als gij, te Meie, ’s noens naar huis keert: horkt hoe van verre uwe vrouw zingt bij ’t slaan van den karn-stang. Aan tafel wordt niet veel gezeid, omdat men eet. Maar ’t is Mei, en daarom komen kinderen, of het zijn oude dompelaars, en zij dragen de Mei-boom met de papieren bloemen en de eiër-mande, en zij zingen van “Jezus den Mei-boom schoone”. Zij komen te noene, omdat de boer dan óók thuis is. En is het liedeken ’t einde, dan krijgen ze hunne twee eiërs. – Na den eten is het uur van laveiën. Maar ’t is maar nadat het hooi gestapeld is, dat de lavei-tijd komt. Gij ligt op uw buik in ’t koude gras; op uw buik vanwege de hommels. Zij snorren aan uw oor dat het wreed is. Gij kunt er eerst niet van slapen, maar ten leste snorren zij u in slaap. En dan hoort gij het snorken niet meer van de anderen, die daar liggen in den boom-gaard, maar gij snorkt zelf zóó luid, dat gij er van wakker schiet. – Weet gij ’t nog? in ’t naderende na-jaar hoort gij, onder ’t middag-eten, dat de appelen met een zoeten plof uit den stillen boom vallen in het malsche gras. Wat later gaan de jongens met gaffels slaan, of met lange boonestaken peuteren in den notelaar, ‘dat het dicht gebladert er geweldig van reuzelt, en de noten neêrtuimelen als bolketten. En ’t zal de tijd gaan worden dat, als gij eet, op stal de koe om eten zal staan beurelen. Want de beesten zullen nu binnen zijn, om de natte, en dat het winter wordt. – En in den winter, als gij thuis-komt, ’s noens, dan is het uw wijf niet die gij hoort zingen van verre: het is het Kerst-zwijn dat gilt en rochelt onder het groote mes van den slachter. Gij zijt er gauw bij; gij hoort het haar afroosteren; gij hoort den harden schrobber over de huid; gij hoort het vele pletsen van water. Als ’t open beest aan de ladder hangt, moogt gij gaan eten, en morgen-Zondag zullen het karbonaden zijn.

volgende week deel 3 –

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: