24 MAART – WILLEM VAN IEPEREN

Willem van Iependaal (Rotterdam, 24 maart 1891 – Baarn, 23 oktober 1970) was een Nederlandse schrijver en dichter. Hij werd als Willem van der Kulk geboren in een Rotterdamse volksbuurt. Na een moeizame schoolloopbaan vertrok hij rond 1910 naar Engeland, waar hij in 1915 in dienst trad van het Britse leger. Zijn verblijf in de Britse loopgraven wakkerde zijn antimilitaristische gevoelens aan, maar had ook tot gevolg dat hij vanwege zijn dienst in vreemde krijgsmacht het Nederlands staatsburgerschap kwijtraakte. Terug in Rotterdam probeerde hij in de jaren twintig op allerlei manieren in zijn levensonderhoud te voorzien en dat waren niet allemaal legale manieren. Hij belandde een paar keer in de gevangenis. Tijdens zo’n verblijf schreef hij enkele gedichten, die in handen kwamen van de schrijver A.M. de Jong, nog steeds een veelgelezen schrijver van onder meer de cyclus Merijntje Gijzen. De Jong moedigde Van Iependaal aan om zijn werk te publiceren. In 1931 trouwde Van Iependaal, zijn leven raakte steeds meer in een rustiger vaarwater, hij werd actief in de vrijdenkersbeweging en begon te publiceren, vooral in tijdschriften met een pacifistische of socialistische signatuur. In 1932 kwam zijn eerste boek uit: ‘Liederen van de zelfkant’, met een inleiding van A.M. de Jong.

Martinus Nijhoff schreef in De Gids (nr. 8, 1932, pag. 242-244) in zijn recensie onder meer: ‘Willem van Iependael is de schuilnaam van een Rotterdamsch inbreker. En wanneer een inbreker verzen gaat schrijven, dan heeft hij althans dit op andere dichters voor: dat hij zijn vrijen tijd zittend doorbrengt, in afzondering en op staatskosten. Hij heeft ruim tijd na te denken, zijn rijmen te wikken en te wegen, het verleden schooner te maken dan het was, schooner in den pathetischen zin van aandoenlijker en heldhaftiger. Maar er zijn ook bezwaren: hij moet al een zeer groot mensch zijn om zoo eenvoudig te blijven als de dichters van ‘Sagesse’ en ‘Reading Gaol’; de acoustiek van een cel maakt van een rythme al zeer spoedig een retorische dreun; de zittende zal doorgaans geneigd zijn, ophef van zijn lot te gaan maken, zijn spotliederen tegen justitie en politie zullen in zijn eigen ooren als bijtende aanklachten gaan klinken, zijn mijmeringen over het ‘leven’ worden liedjes van de straat, waarin de bezongen vrouwen de natuurlijkste moeders ter wereld en alle ‘jongens’ nobel en doortastend zijn. Wanneer hij dan echter de geheimtaal van de onderwereld, het bargoensch, zoo meesterlijk in versvorm hanteert als naar mijn weten slechts de aristocratische dichter van ‘Trijntje Cornelis’ het gedaan heeft, dan valt al spoedig de aandacht der gevangenisdirectie op zijn dichtproeven, dan mag hij in de recreatie-uren bij gitaar of harmonica voordragen, en de bijval zijner dankbare lotgenooten zou een heel wat geringer talent dan het zijne tot publicatie doen besluiten. Of de ervaringen van een ruig en onmaatschappelijk leven aan een dichtertalent ten goede komen en tot bewustwording strekken, zou ik niet zoo direct durven bevestigen als De Jong in zijn inleiding doet. Het sentiment zelf lijdt gevaar retorisch te worden. Gelukkig heeft Van Iependael zich blijkbaar terdege geschoold in de gansche ‘levensliedjes’-literatuur, van de groote Speenhoff en Louis Davids tot Dirk Witte en Clinge Dorenbos toe. Bovendien beseft hij zeer goed, dat de beste remedie tegen het retorische in poëzie het beeldje, het teekeninkje is. Hij houdt bijna altijd een figuur voor oogen.’

In 1935 verscheen van hem de schelmenroman Polletje Piekhaar en jaar jaar later Lord Zeepsop. Met beide bestsellers kreeg Van Iependaal in de jaren dertig grote populariteit. Kenmerkend voor zijn werk was de levendige stijl en het gebruik van een sterk door het Rotterdams gekleurde taal. Het begint zo: “Ik heet Daantje, maar ze noemen me Polletje Piekhaar, omdat ‘k naar de kliniek liep om mijn kalkhoofd te laten plukke en op het havelosie met me blote kop in de klas zat met Snoekie, Scheeltjelelijk en Balletjewoef.” In zijn tijd was dit boek immens populair, maar nu is het zo goed als vergeten. Alleen de benaming Polletje Piekhaar heeft blijkbaar de tand des tijds doorstaan. Beide boeken doen inmiddels erg verouderd aan. Jammer. Van Ieperen trad ook op met het Amsterdamse cabaret De Notenkraker. Hij kreeg nu meer financiële armslag en vestigde zich in Laren, waar hij tijdens de oorlog onderduikadres verleende aan tientallen joden. Hij kreeg hij in 1954 wegens zijn verdiensten in het verzet het Nederlanderschap terug. Na de oorlog schreef Van Iependaal nog vele pamfletten, hoorspelen en romans, en hield overal in het land voordrachten. In 1949 verscheen zijn boek De commissaris kan me nog meer vertellen als een reactie op de serie herinneringen van oud-politiecommissaris Hendrik Voordewind. Sinds zijn dood in 1970 is Van Ieperen, ondanks zijn kleurrijke werk en zijn minstens even kleurrijke leven, steeds meer in de vergetelheid geraakt. In 1988 was er nog een korte opleving toen in Rotterdam de opera Pol speelde, een bewerking van Polletje Piekhaar en Lord Zeepsop.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: