HENRI VAN KOL

42e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Henri van Kol (Eindhoven 23-5-1852 – Aywaille, 22-8-1925) was de zoon van een leerlooier, hotelhouder en wijnhandelaar. Van Kol was een internationaal georiënteerde koloniale woordvoerder uit de beginjaren van de SDAP, die hij samen met elf anderen oprichtte. Gezamenlijk werden zij ook wel de twaalf apostelen genoemd.Van 1897 tot 1909 vertegenwoordigde hij de SDAP in de Tweede Kamer, van 1913 tot 1924 in de Eerste Kamer. Van Kol was aanvankelijk ingenieur in Nederlands-Indië. In 1913 behoorde hij tot de voorstanders van regeringsdeelname van de SDAP en achtte hij zichzelf ministeriabel. Hij was een vermogend man en een royale sponsor van de socialistische beweging. Zijn heimelijke zakelijke activiteiten in de kolonie Nederlands-Indië stonden echter op gespannen voet met de idealen van de SDAP. Hij trouwde op 27 juli 1883 met Nellie Porreij, schrijfster. Uit dit huwelijk werden 2 zonen en één dochter geboren, waarvan één zoon al jong overleed. Henri van Kol was de grootvader van moederszijde van Drs. P.

De familie Van Kol stond te Eindhoven bekend als een goed praktiserende katholieke familie, maar toch kwam Henri via de École moyenne de l’État in Turnhout in 1867 terecht in de derde klas van de openbare HBS te Roermond. Daar legde hij een grote belangstelling aan de dag voor de politieke discussie binnen het Duitse Rijk. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot Ferdinand Lassalle; niet alleen diens politieke ideeën, maar ook de romantisch-ridderlijke leefwijze spraken hem aan. Blijkbaar schuwde hij in deze jaren het publieke debat al niet, want zijn medeleerlingen noemden hem Rienzi, naar de bekende middeleeuwse Romeinse volkstribuun Cola di Rienzi. Dit zou later zijn ‘nom de plume’ worden. Na zijn eindexamen ging Van Kol in 1870 naar de Polytechnische School in Delft. Het ingenieursvak was slechts enkele decennia daarvoor een civiel beroep geworden en zou pas aan het eind van de 19e eeuw, dank zij spoorwegaanleg en belangrijke waterwerken, een groot prestige krijgen . De toeloop van studenten was in deze periode echter al aanzienlijk. Van Kol begon zijn studie in normaal tempo, maar in 1871 dreigde een serieuze onderbreking toen hij naar Parijs vertrok om daar mee te vechten aan de zijde van de Communards. Aan de Franse grens hoorde hij echter dat de opstand bloedig was onderdrukt en dus werd Van Kol weer ‘Delvenaar’. Ook als student bleef hij actief socialist. Hij werd in 1871 lid van de Haagse sectie van de Internationale. Dat bleef hij ook toen andere hun lidmaatschap snel opzegde na een bedekte waarschuwing van de minister van Justitie J.A. Jolles. In 1872 woonde hij het Haagse congres van de Internationale bij, waar hij persoonlijk kennis maakte met Karl Marx en voor de duur van het congres als gids en tolk van de familie Marx fungeerde. De Delftse en Haagse politie begonnen ondertussen zijn activiteiten nauwlettend te volgen, wat nadelig voor zijn studie was. Hij kreeg namelijk geen zogenaamde Indische studietoelage. Wellicht wegens de beperkte carrièremogelijkheden in verband met zijn politieke keuze en teleurgesteld in de kansen voor het socialisme in Europa koos Van Kol voor een loopbaan bij de Indische Waterstaat. In 1876 vertrok hij naar Indië. Hij bleek een goed ingenieur te zijn met een ‘goede terreinblik’. Aanvankelijk was hij werkzaam bij de Sampean-werken op Oost-Java en later, na een Europees verlof, tussen 1886 en 1892, bij de Pemali-werken op Noord-Midden-Java.

Maar naast dit ingenieurswerk verloor Van Kol nooit zijn warme belangstelling voor het socialisme in Europa. Hij onderhield een intensieve correspondentie met Nederlandse en Belgische socialisten, onder wie F. Domela Nieuwenhuis, die hij via S.E.W. Roorda van Eysinga had leren kennen. Zijn Delftse leermeester, professor B.H. Pekelharing, zond hem alle literatuur over het socialisme. Van zijn kant stuurde Van Kol talrijke artikelen die in de Belgische socialistische pers gepubliceerd werden. In 1884 werd hij medewerker van Domela’s weekblad Recht voor Allen. Hier komt hij naar voren als een fel humanitair strijder, waarbij leerstelligheid niet zijn sterkste punt was. J.E. Stokvis zou hem later typeren als de ‘eenzame uitloper van de utopische school’. Om geld te verdienen voor de goede zaak leende hij een bedrag van 25.000,- van Domela en kocht hij op de hellingen van het Idjen-gebergte op Oost-Java een koffietuin. Deze werd geleid door T. Ottolander, die een belangrijke invloed had uitgeoefend op de ontwikkeling van A. Kuypers’ opvattingen over de koloniale verhoudingen in de jaren ’70 van de 19e eeuw. Van Kol verdedigde de ‘uitbuiting’ van de Javaan in de strijd tegen de ‘uitgebuite’ Europese arbeider door te verwijzen naar de goede behandeling die de Javanen bij zijn bedrijf kregen, waardoor zij het veel beter hadden dan zij het anders ooit zouden krijgen.

Verlof in Europa (1884-1886) bracht voor Van Kols socialisme nieuwe teleurstellingen: hij vond dat de socialistische politiek, vooral in Nederland, beheerst werd door persoonlijke conflicten en dat de inhoudelijke discussie werd vermeden. Zijn verhouding tot de toenmalige Belgische en Nederlandse socialisten verslechterde. Na een lastercampagne in Recht voor Allen kwam het zelfs tot een breuk met Domela Nieuwenhuis, die tot dan toe zozeer een lichtend voorbeeld was geweest dat zelfs een zoon van de Van Kols naar Domela vernoemd was. De gedwongen definitieve terugkeer naar Europa in 1892 om gezondheidsredenen was dan ook voor de Van Kols geen gemakkelijke. Zijn vrouw Nellie had inmiddels in Indië een reputatie opgebouwd als schrijfster van kinderboeken en Van Kol trof in Nederland een intern verdeeld en ruziënd socialisme aan. Aanvankelijk voelden zij er zelfs weinig voor zich in Nederland te vestigen, maar er werd al dadelijk zoveel beroep gedaan op zijn hulp en steun dat zij ten slotte toch in het land bleven. Als propagandist was Van Kol spoedig actief bij spreekbeurten en niet tevergeefs werd hem vaak financiële hulp gevraagd voor socialistische instellingen of persoonlijke problemen van medepartijgangers. Het was niet verwonderlijk dat Van Kol ook betrokken raakte bij de oprichting van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in 1894. Tegen zijn zin moest hij zich in 1897 kandidaat stellen voor de Tweede Kamer en werd hij bij herstemming voor het district Enschede gekozen, waar hij samen met Troelstra aanvankelijk een tweemansfractie vormde. Van Kol ging zich in de Tweede Kamer vooral bezighouden met koloniale kwesties. In 1896 had hij onder zijn pseudoniem Rienzi het boekje Land en volk van Java gepubliceerd, waarin hij stelde dat Java door het koloniale bewind veel schade was berokkend, maar herstel niettemin mogelijk was: ‘De Javaan draagt zijn wrok in stilte en gunt ons den tijd om door een rechtvaardig bestuur zijne liefde te winnen.’ Men kan Van Kol, met de journalist en letterkundige P. Brooshooft en C.Th. van Deventer, publicist over Ned.-Indië, rekenen tot de belangrijkste theoretici van de ‘ethische politiek’, een politiek die ten slotte in de troonrede van 1901 werd aangekondigd als een nieuw regeringsbeleid.

Als socialistisch ‘ethicus’ was Van Kol aanvankelijk een fel criticus van de oorlog in Atjeh, maar geen stelselmatig bestrijder van de pacificatiepolitiek in Indië als zodanig. Na een studiereis in 1902 door de gehele Archipel schreef hij in zijn uitvoerige verslag Uit onze koloniën dat de pacificatie, ook van Atjeh, in het belang van de inheemse bevolking zo gauw mogelijk voltooid moest worden. In de Kamer zelf kon hij aanvankelijk weinig gehoor vinden voor zijn kritiek en voorstellen, mede omdat de socialistische fractie parlementair nog niet geaccepteerd was en Van Kol zich meer als prediker dan als politicus gedroeg. Met een vermoeiende welsprekendheid richtte hij zich met luide stem tot de geachte afgevaardigden. Traag en verlaat vonden zijn plannen erkenning: voorstellen tot verbetering van de arbeidstoestanden op de plantages in Deli, tot uitbreiding en modernisering van de irrigatie, tot afschaffing van het batig slot – dat weliswaar reëel niet meer bereikt werd maar nog wel in principe gehandhaafd was – werden, na aanvankelijk weggehoond te zijn, later doorgevoerd. Zijn pleidooi voor staatsexploitatie van de mijnen en verkoop van een groot deel van het koloniaal bezit (buiten Java) vonden ook op langere termijn weinig weerklank. Van Kol was geen principieel tegenstander van het kolonialisme, dat hij als langdurige overgangsfase voor de overzeese volken onvermijdelijk vond, maar hij wilde de vele excessen door toezicht en socialisatie wegnemen. Zo trok hij in 1907 in de Tweede Kamer fel van leer over gouverneur-generaal Frits van Daalen, die tijdens de Atjeh-oorlog ware slachtingen onder de bevolking van Nederlands-Indië had aangericht. De katholieke afgevaardigde Victor de Suers sprak van ‘een moordgeschiedenis, waarmee een heel volk tot wanhoop was gedreven en vanaf dat moment met de bitterste haat tegen ons gezag was vervuld’ en Van Kol trok een vergelijking met Alva in de Tachtigjarige Oorlog. 

Ook in zijn eigen partij nam Van Kol een eenzame positie in, omdat hier nu eenmaal weinig belangstelling bestond voor koloniale vraagstukken. In de internationale socialistische organisatie was deze weliswaar groter – op het congres van de Tweede Internationale in Stuttgart in 1907 was Van Kol een van de belangrijkste woordvoerders namens de behoudende vleugel – maar juist deze organisatie sprak zich op het congres van 1907 in meerderheid uit tegen elke vorm van koloniaal beheer en was daarmee radicaler dan Van Kol ooit kon zijn. Onder deze omstandigheden was het begrijpelijk dat hij in 1909 niet meer voor de Kamer herkozen werd. Als expert in koloniale kring begon hij nu echter erkenning te krijgen. Op verzoek van de Franse regering maakte hij in 1911 een studie van enkele Franse koloniale stelsels, en in 1915 reisde hij in opdracht van de Nederlandse regering naar Japan om na te gaan of er uit de Japanse industriële ontwikkeling lessen voor Indië getrokken konden worden. De SDAP maakte van haar kant ook nog enig gebruik van Van Kols bekwaamheden: in 1913 kwam hij door de stemmen uit de Friese Provinciale Staten in de Eerste Kamer. Het leek er nu zelfs even op dat hij bij de kabinetsformatie minister van Koloniën zou kunnen worden, maar uiteindelijk zag de SDAP van regeringsverantwoordelijkheid af. Zo had Van Kol jarenlang zitting in de Eerste Kamer, totdat hij zich in 1924 vrijwillig terugtrok. Binnen de partij behoorde hij steeds duidelijker tot de gematigd-reformistische vleugel; bij de revolutiepoging in november 1918 was hij een van de felste opposanten van Troelstra. Intussen taande zijn invloed in de koloniale politiek, zoals bij alle ouder wordende ‘ethici’ het geval was, vooral door de veranderende omstandigheden in Indië.

Al in een eerdere fase van zijn leven had Van Kol getoond belangstelling te hebben voor andere problemen dan die van politiek of waterstaat. Met de bekende Indonesische schrijfster Kartini had hij vroeger reeds spiritistische séances gehouden. In 1920 was hij een van de oprichters geweest van de Vereeniging ‘De Wichelroede’, die dit instrument voor het vinden van waterbronnen en aardstralen wilde propageren. Hij begon zich ook aangetrokken te voelen tot de theosofie. Van Kol overleed na bij een reis in Frankrijk van de treeplank van een auto te zijn gevallen, waarbij hij zijn rib kneusde. Een splinter van die rib veroorzaakte later een inwendige bloeding, die hem fataal werd. Enkele dagen na de valpartij overleed hij in zijn buitenhuis te Aywaille in de Ardennen. Op 26 augustus 1925 vond zijn crematie plaats op begraafplaats Driehuis-Westerveld.

Dit artikel is grotendeels overgenomen uit Huygens Ing, dat het op haar beurt overnam uit: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989); het is aangevuld met een artikel ‘Friedrich Engels groet Henri van Kol’ van Jan Gielkens (Huygens ING) van Textualscholarship (een site die niet meer wordt bijgehouden). Een andere biografie van Van Kol is te lezen in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1932, pag. 193-138, J.E. Stokvis.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: