HET GROENE PARKIETJE

‘Orakeltje,’ zei mevrouw de weduwe Popotte en tikte de kooi op het venstertafeltje aan, waarbinnen het groene parkietje op zijn stokje leek te staan, ‘het daghet in het oosten.’
Mevrouw Popotte reeds geheel gekleed, de degelijke, warme kaper om de volle wangen, zulke wangen als zelfs in verontwaardiging of gemoedsaandoening hun goelijke schijn niet gansch verliezen, had ook haar vroolijk avondlampje uitgeschakeld en daarna de gordijnen in hun dagelijksche effenheid en plooi hersteld. Ze zette nu haar stoel in de orde, haar oude, trouwe werkdoos opnieuw bij de hand en plaatste zich op haar crapaudje, vóór het venster, achter het tafeltje. Ze nam het witte verstelwerk op haar schoot terug, bevochtte onder haar lange en fijne bovenlip de top van haar naaivinger, dopte er de zilveren vingerhoed op en speelde daarmede welluidend langs de tralies van de vergulde kooi.
Achter het groene parkietje was met het ophalen van het lancaster de Februari-morgenstond binnen verschenen, door tralies en biggelig bewasemde ruiten en was gelijkvloers met het kleed in de kamer, de voetpadlooze zandvlakte buiten zichtbaar geworden, geleidelijk overgaande in wezenlooze ruigte en rommel, tot aan de verre laan die aan Zebedeus’ vertrekken zulk een hoog en schoon uitzicht verleende. Als boven de kam eener violette berg bloosde het dagen op en achter waaierige veêren als van een purperen rook, het purperst waar het licht reeds stralig was en als een haard begon te vuren, de toppen van de boomen tot schimmige bamboespluizen omschiep en tot dadelpalmen in ’t klaren eener hemeling als overschaduwd parelmoer. Het groene parkietje, bevangen nog van nacht, verroerde zich niet, terwijl zijn meesteresse haar gemoed ontlastte:
‘Orakeltje, er wordt zooveel in de boeken gezet, er wordt zooveel opgemerkt in de kemeedie en een mensch heeft een hart, maar ik vermeen in mijn recht toch te wezen, wanneer ik een ordentelijke behandeling eisch. Ik zit er voor, vrouw alleen. De termijn is allang verstreken en drie-hoog betaalde weêr niet; orakeltje, wat te doen? De noodigste kachels branden, beneden zorgen ze verder wel voor zich zelf; bij twee-voor staat gedekt; twee-achter staat niet op voor twaalven en drie-achter is Brigitta aan haar werk en warmde het oude brood in den oven. Kwaad kan ik niet veel van de menschen zeggen, niemand weet precies wat je aan het stelletje hebt, dat hebben wij tenminste gewonnen, dat er die vent niet meer over de vloer komt.’
‘Was dat me een man?’ praatte mevrouw Popotte en staakte meteen de ophaal harer naald-en-draad sturende hand met de opgekromde pink en keek naar het levensgroot crayon-portret, over het raam gehangen en boven een halve cirkel van fotografietjes, gelijk een mombaard een baardeloos gelaat zou vergezellen en die binnen hun gestreelde lijstjes, in telkens andere houding en kleeding, dezelfde herinnering bewaarde aan wijlen, den heer Popotte. De middelste beeltenis met de kraakwitte driehoekjes van een liggende boord was indertijd door een kostganger vervaardigd, die daardoor ook een ondergeschikte rol had mogen helpen vervullen in mevrouw Popotte s geschiedenis, eer zij haar huidig pensionaat geopend had en waarom zij nu haar oogen had gesloten. Zooals zij daar nu met haar huiswerk was gezeten, de handen in het morgenlicht gedoopt, de linker aan de zoom van het verstelgoed houdend, was haar geschiedenis het duidelijkst van haar handen af te lezen, ook al behandelde zij die nu elken avond met crême de serail en droeg zij in haar slaap handschoenen om ze zachthuidig te houden.
‘Het leven is een schouwtooneel,’ praatte ze, keerende tot haar beslommeringen, ‘elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel’; wat te doen?’
Het groene parkietje dook zijn snavelneusje tot een hoofdloozer vorm nog, terwijl mevrouw Popotte de draad van haar naaiwerk doorsneed met een klemmende beet van haar zijlingsche tandjes.
‘Ik voel me nog tot zooveel liefde in staat en heb nog geen enkel grijs haartje,’ praatte mevrouw Popotte en staarde of de weêrglans van het vogeltje in haar oogen scheen, ‘maar iemand die zich hier als huurder komt melden, moet toch wát in zijn mars voeren. Hoe anders heb ik mij dat alles voorgesteld. En, nieuwe menschen, och, orakeltje, wij ten minste weten wat wij aan elkander hebben…. Wat heb je nu weêr uitgevoerd?’ knorde mevrouw Popotte, haar hoofd met de kaper de kooi toewendend en met een glijende blik van zaad- naar waterbakje kijkend: ‘mijn loerepoet, stoutert, waarom dee je me dat nu weêr aan? Je vloer is vol papiertjes, zeker is de krant gisteravond wat dicht bij je huisje komen te liggen en heeft Brigitta dat weêr op haar geweten. Ik vraag maar, wáar hoort de krant en of dat rein is en of mijn beestje in verzoeking moet worden gebracht? moeten wij dan geweldmiddelen gaan gebruiken?’
Plotseling bedrijvig duwde mevrouw Popotte haar naaiwerk naast zich en tastte naar de doos op het schemeltje onder het tafeltje; ze nam er een breipen uit en begon onmiddellijk de snippers door de trailes weg te werken. De zon gelijk een krater vol van ziedende smelting leek in de wolkberg een gat te schroeien, straalde zijn overvloed door alle dampen en ’t rinkelende kooitje heen, terwijl het groene parkietje schuinoogde naar de glinsterende naald, waarmeê mevrouw Popotte, met eindelooze moeite en voorzorg de grootste flard ten leste had naar buiten geschoven en in haar vingertoppen genomen.
‘De Vraagbaak!’ riep ze, eenige vette letters lezend, luide en blijde, ‘altijd geeft dat lieve dier me antwoord.’
Mevrouw Popotte leek opstond de reiniging der kooi vergeten. Ze tastte nogmaals naar haar donkere werkdoos en en nam er haar huishoudboekje uit. Ze zette zich weêr op haar ronde zitje en staarde plechtig naar het kooitje en schreef toen ijlings met haar glinsterend potlood.
‘Dat wil ik dâlijk in een enveloppie doen,’ praatte ze dan, ‘en naar de rubriek van ons blaadje sturen.’ Na dit gezegd te hebben, bleef mevrouw Popotte rechtop zitten ook en las uit haar huishoudboekje voor:
‘Is het strijdig met de goede zeden, wanneer een weduwe, aan een der bronnen van haar bestaan, waar overigens niets op valt aan te merken, de huur opzegt, omdat hij de vorige maand is achtergebleven en ook nu geen aanstalten nog maakt van betalen?’
Het groene parkietje, goudelend, zon-overvloten, zat op zijn stokje of liever leek te staan gelijk een analphabeet pagoodje.

Uit: Jac. van Looy – De wonderlijke avonturen van Zebedeus (1925)
Een mild humoristisch, veelal absurd, ouderwets avonturenverhaal over de beer Zebedeus, die een nogal gezapig leven in zijn huisje op de heuvel leidt. Op een dag gaat hij zelf op zoek naar het einde van de wereld. Na een heleboel spannende en grappige belevenissen stapt Zebedeus, tot tranen toe bewogen zijn eigen huis weer binnen. Daar vindt hij het verjaardagscadeau van zijn Vriendin voor het Leven, een wereldbol: de aarde is dus rond, wat mooi! En zo vallen begin en einde van deze geschiedenis mooi samen. De avonturen van Zebedeus vormen het raamwerk van een grillig gecomponeerde verzameling beschouwingen, taalspelletjes, ludieke versjes, filosofische mijmeringen, verhalen en gedichten, waarin Van Looy ironisch zijn oordeel uitspreekt over tijdgenoten en eigentijdse toestanden en stromingen.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: