MARIANNE VON WEREFKIN

Marianne von Werefkin (Toela, 10 september 1860 – Ascona, 6 februari 1938) was een Russisch expressionistische schilder; haar oorspronkelijke naam was Marianna Vladimirovna Verjovkina. Ze stamde uit een rijke adellijke familie; haar vader was de commandant van het regiment van Jekaterinenburg. Toen zij acht jaar oud was, verhuisde de familie naar een landgoed in Litouwen. Haar moeder was schilderes van iconen en moedigde haar dochter aan op het artistieke vlak. Na gedegen privé-onderwijs in tekenen en schilderen ging ze in 1883 naar de Moskouse kunstschool. In 1886 verhuisde het gezin opnieuw, ditmaal naar St. Petersburg. Daar kreeg Marianne tien jaar lang privé-lessen bij de beroemde Russische realistische kunstschilder Ilja Repin (1844 – 1930). In 1888 schoot ze zichzelf bij de jacht per ongeluk in haar rechterhand, waardoor ze die hand hand nooit meer optimaal heeft kunnen gebruiken. Bij Repin ontmoette ze in 1891 de kunstschilder Alexej von Jawlensky, juist op het moment dat ze haar eerste successen kende als kunstschilder. Vanwege haar realistische schilderijen, met veel portretten op groot formaat tegen een donkere achtergrond, kreeg ze de bijnaam ‘de Russische Rembrandt’. Marianne raakte gefascineerd door de drie jaar jongere Jawlensky. Samen met hem en de elfjarige huishoudster Helene Nesnakomoff verlaat zij in 1896 haar vaderland. Het stel vestigde zich in München, waar dan een groep Russische kunstenaars is neergestreken. Het echtpaar vond direct aansluiting bij deze kunstenaarskolonie. Jawlensky begon onder invloed van zijn Franse tijdgenoten al snel met krachtige penseelstreken en felle kleuren te schilderen, waarbij zijn omgeving een belangrijk onderwerp werd. Zijn kennismaking met de landschappen van Van Gogh vormde een langdurige bron van inspiratie. Werefkin geeft negen jaar lang haar schilderscarrière geeft op om zich volledig wijden aan die van Jawlensky. Mogelijk vond ze dat hij over meer talent beschikte dan zijzelf, maar wellicht speelde ook mee dat ze vreesde dat men haar werk als vrouwelijke kunstenaar niet op waarde zou weten te schatten. Ook kan een rol hebben gespeeld  dat haar rechterkant een tijdlang schilderen niet echt mogelijk maakte.

Ze leek er niet echt onder te lijden, want ze stortte zich helemaal op het organiseren binnen het Münchener kunstenaarsleven, waarbij zij kunstenaars onderling met elkaar in contact brengt en tussen kunstenaars en hun publiek bemiddelt. Vooral bij dat laatste was volgens haar een uitgesproken rol voor vrouwen weggelegd.  Ze stelde haar huis open voor iedereen die maar in kunst geïnteresseerd was. In haar Salon werd veelvuldig over kunstzinnige theorieën gedebatteerd. Omdat zij theoretisch uitstekend onderlegd was, deed Marianne in dat opzicht niet onder voor de mannelijke kunstenaars uit haar kring. Zo had ze veel invloed op de Münchener kunstschilder Franz Marc (1880 – 1916), die via haar ook in contact kwam met Gabriele Münter (1877-1962) en haar partner Wassily Kandinsky (1866-1944), waarmee Marc nauw bevriend en artistiek verwant zou raken. In de tussentijd stelde Jawlensky stelde haar op het artistieke en persoonlijke vlak teleur. In 1901 begon Jawlensky een verhouding met de minderjarige huishoudster, waaruit in 1902 een zoon werd geboren. Het huwelijk was daarna eigenlijk ten einde, maar het echtpaar zou pas in 1921 definitief scheiden. Jawlensky trouwde daarna als snel met de huishoudster, waarmee hij inmiddels al ruim twintig jaar een affaire had. In de tussenliggende periode bleef het echtpaar echter ondanks de gespannen privésituatie gewoon artistiek samenwerken. In 1905 ging Werefkin zelf weer artistiek aan de gang. Ze hoefde immers haar carrière niet langer op te offeren voor die van haar overspelige echtgenoot. Via een reis door Frankrijk maakte ze kennis met het werk van de futuristen en postimpressionistische kunstenaars, waaronder Edouard Vuillard (1868-1940) en Pierre Bonnard (1867-1947). In eerste instantie maakte ze slechts tekeningen, vanaf 1907 ging ze weer schilderen. Haar werk van Werefkin ademde de moderne tijdgeest door haar gebruik van expressieve, contrasterende kleuren, geabstraheerde vormen en een opmerkelijke hantering van perspectief. Ook de keuze van haar onderwerpen (onder meer scènes met bohémiens en arbeiders)- droeg bij aan een moderne uitstraling. In tegenstelling tot haar echtgenoot schilderde ze niet in kleurvlakken. Haar werk heeft ook iets mystieks en vertoont invloeden van onder andere Paul Gauguin (1848-1903), Louis Anquitin (1861-1932) en Edvard Munch (1863-1944). Belangrijk in dat proces was de kennismaking van Werefkin met het werk van Franz Lenbach (1836-1904) en Franz von Stuck (1863-1928). De eerste was een schilder van het Münchener realisme, die zijn schildersloopbaan begon met het schilderen van idyllische genrestukken en landschappen. Later schilderde hij fraaie portretten van bevriende beroemdheden. De tweede was leraar aan de kunstacademie van München, waar hij les gaf aan onder andere Kandinsky en de Zwitserse kunstenaar Paul Klee (1879-1940). Von Stuck was schilder, graficus, beeldhouwer en architect; hij ontwierp de beroemde Villa Stuck in München, waarvoor hij ook zelf de meubels ontwierp. Zijn werk is nauw verwant aan het symbolisme en de Jugendstil, maar vertoont ook kenmerken van het Impressionisme. Net als Lenbach werd hij in München op handen gedragen. In deze stad was hij één van de oprichters van de Münchense Sezession.

In 1908 schildert ze samen met Kandinsky, Münter en Jawlensky in het Zuid-Duitse stadje Murnau en omgeving. In 1909 werd door het viertal de Neue Künstlerverein München opgericht, waarvan Kandinsky de voorzitter werd. De vereniging ging snel ter ziele, waarna in december 1911 door Werefjkin, Jawlensky en bevriende kunstenaars een nieuwe vereniging werd opgericht, Die Blaue Reiter. Deze vereniging organiseerde in de jaren van haar bestaan (1911-1914) enkele tentoonstellingen, die achteraf hoorde tot de belangrijkste overzichtstentoonstellingen van moderne kunst voor de Eerste Wereldoorlog. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verliet het paar, met de al vaker genoemde huishoudster en het zoontje van Jawlensky, noodgedwongen het land. Alle Russen moesten Duitsland verlaten omdat Rusland en Duitsland met elkaar in oorlog waren. Ze vestigden zich in Zwitserland, eerst naar de omgeving van Genève en later naar Zürich. In 1918 verhuisden zij naar Ascona aan het Lago Maggiore. Het betekent het einde van Der Blaue Reiter. Nadat het paar in 1921 definitief scheidde, werd de roem van Jawlensky steeds groter, Marianne von Werefkin zou in zijn schaduw verder leven. Tevergeefs probeerde ze het kunstleven daar te vormen naar dat uit haar Münchener jaren. Daartoe richtte ze in 1924 de kunstenaarsgroep Der Grosse Bär op en organiseerde ze in 1928 met de Expressionist Karl Schmidt-Rottluff (1884-1976) en anderen een groepstentoonstelling. Haar werk raakte in de vergetelheid, haar rijkdom behoorde tot het verleden. Gedurende haar latere levensjaren voorzag zij in haar levensonderhoud met het schilderen van affiches. Vrienden behoedden haar voor grotere nood. Ze stierf in Ascona in 1938, 77 jaar oud en werd op de Russische begraafplaats van Ascona begraven.. Haar werk was een paar jaar daarvoor door de nazi’s als ‘entartet’ bestempeld. Gelukkig ging Ascona zorgvuldig met haar nalatenschap om. In 1939 werd  de Fondazione Marianne Werefkin in het Museo communale d´arte moderna Ascona opgericht, die zeventig schilderijen en 160 schetsboeken van Werefkin omvat.

Meer over Marianne von Werefkin

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: