EEN UITSTAPJE NAAR IJ-MUIDEN

In De Gids, jaargang 12(1848), pag 667-683 verscheen het verhaal Een uitstapje naar Y-Muiden van Simon Vissering over een denkbeeldige reis over een al even denkbeeldige Noordzeekanaal. Pas in 1876 zou er daadwerkelijk een kanaal zijn. De nieuwe havenplaats die ontstond kreeg als eerbetoon aan Vissering de door hem bedachte naam, met een kleine aanpassing.

Het was in Augustus. De zon had reeds langer dan eene week dag aan dag aan den blaauwen hemel gebrand, zonder dat een enkel mededoogend wolkje een oogenblik zich tot een sluijer voor zijnen gloed had gehangen, zonder dat eene enkele onweêrsbui lafenis had geschonken. Ongelukkig hij, die op zulk eenen dag om den middag de Vijzelstraat, of tegen drie uren de Leydsche-straat af moet loopen, op welke uren hij in die straten tusschen de hooge huizen noch ter regter noch ter slinker zijde eenige schaduw vindt, al tracht hij ook elken voorbijganger door eene welberekende wending van de kleine steentjes te dringen. De straatmodder op den Dam, tot pulver verdroogd, dwarrelde bij elk zuchtje van den oostewind omhoog, en stoof den beursgangers, die uit de Kalverstraat of tusschen het Stadhuis en de Huizen (die leelijke trechter, waar het altijd tocht, hoe de wind ook zijn moge) kwamen aanstroomen, in mond, neus en oogen. Op de Beurs was het benaauwd warm, en enkelen der beursgangers, die zich den goeden ouden tijd herinnerden, hadden er nu wel spijt van, dat men het middenvak met een misselijk dak had overtogen. De fondsen waren er flaauw op, want in zulk eene benaauwdheid elkaâr om een zestientje plat te dringen, ging de natuur te buiten. Ieder maakte, dat hij weder wegkwam, zoodra hij mogt. Kwart voor vieren was de Beurs nagenoeg ledig.
– ‘Wij moesten de gloeijende, benaauwde stad voor heden maar ontvlugten,’ zeide ik tot mijnen Thüringschen vriend, die voor een paar dagen bij mij was komen logeren om ‘het groote Amsterdam’ te zien, en met wien ik den halven morgen had rondgedoold door de zalen van het Stadhuis en zelfs den hoogen koepeltoren had beklommen. ‘Hebt ge nog iets op de Beurs te doen of te zien? – niet? zoo laat ons een droschke nemen, naar den Hollandschen Spoorweg rijden, naar Y-Muiden stoomen, daar dineren en den schoonen avond aan den oever der zee doorbrengen. Wij kunnen met de boot langs het kanaal terugkeeren.’
Zoo gezegd, zoo gedaan. Een smaakvol open wagentje, zoo als er altijd eenigen op den Dam staan, met den voerman in elegante liverij op den bok achter ons, zoodat de leidsels over ons hoofd loopen, nam ons op, en bragt ons spoedig buiten de Willemspoort, die thans tusschen het hooge en digte groen een bekoorlijk effect maakt, naar den Hollandschen Spoorweg.
Wij namen onze plaatsbriefjes. ‘Wacht even,’ zeide ik, toen wij de wachtkamer zouden intreden.
– ‘Wat wilt ge?’
– ‘Even naar het kantoortje van de telegraaf, ons eten bestellen.’
– ‘Hoe, daar? Ik dacht wij zouden buiten eten.’
– ‘Juist; maar hier bestellen wij het. Dat doet men gewoonlijk, omdat het Badhuis in dezen tijd na beurs nog al veel onverwachte gasten krijgt. Ga maar even mede.’ En nu seinde ik door den telegrafist als volgt: ‘Opgepast Y-muiden.’ Antwoord: ‘Y-muiden alles in order.’ Sein van onzen kant: ‘Badhuis. Diner 5 uren: twee personen: gekookte tong met pieterselie: biefstuk: aardappelen: groente: dessert.’ Zie zoo, nu wordt, terwijl we stoomen, ons diner gereed gemaakt en wij vinden bij onze aankomst de tafel gedekt.
– ‘Dat is toch gemakkelijk, met die telegraaf!’
– ‘Natuurlijk. Doch ’t zou wat erg zijn, zoo dit haar eenig nut ware.’
– ‘Hoe zoo?’
– Wij, Hollanders zijn praktische menschen, en wij hebben die telegraaf niet voor ons pleizier aangelegd. Haar voornaamste bestemming is ten dienste van handel en zeevaart. Sedert, nu een jaar of twaalf geleden, het kanaal van het Y naar de Noordzee afgemaakt is, is Y-Muiden Amsterdams zeehaven geworden. Alle schepen, die uit zee naar onze hoofdstad of naar Noord-Holland wilden, moesten vroeger of langs de ondiepe, bogtige, Zuiderzee een wijden omweg maken, of met groote kosten van tijd en geld zich tragelijk door het lange Noord-Hollandsche kanaal laten slepen. Natuurlijk heeft de handel nu den weg gekozen, die korter en veiliger te gelijk is, den weg door het Y-kanaal, of laat ik zeggen den Y-stroom, want sedert zijne verbinding met de Noordzee, is het Y werkelijk een stroom geworden. Nu is Amsterdam met zijne zeehaven verbonden door een kanaal, een’ spoorweg en eene telegraaf. Het eerste brengt de goederen en schepen, de tweede de personen en brieven, de laatste de dringende tijdingen over. Er kan geen schip uit zee aankomen, geen schip uitzeilen, zonder dat de verklappende telegraaf het binnen eene sekonde tijds naar Amsterdam berigt. In de stad zelve is de dienst behoorlijk georganiseerd, zóó, dat elk belanghebbende er dadelijk kennis van draagt. En menigmalen gebeurt het nu, dat ’s middags eene welbehoudene lading ter beurze verkocht wordt, die ’s ochtends nog niet in ’t gezigt was. Zelfs is het niet zeldzaam, dat de schipper, die de touwen los maakt om uit te zeilen, nog vóór hij de haven uit is, de laatste orders van zijnen reeder heeft gevraagd en ontvangen.
– ‘Dat is heerlij!’
– Ja, en toch, wilt ge wel gelooven, dat het eerst moeite, veel moeite gekost heeft om het zoo ver te brengen? Kunt ge wel begrijpen, dat het vroeger, toen nog de vaart over Texel en het Nieuwe Diep liep, eene onmogelijkheid is geweest, om eene telegraaf van Amsterdam derwaarts te bekomen? – Toen was er althans nog meer behoefte aan dan nu. Maar ‘wat kan ’t mij schelen!’ riep de een, ‘ik heb het altijd zoo gedaan,’ en ‘wat zou ik voor mijn concurrent zoo iets aanleggen, en daarvoor nog mijn goede guldens uitgegeven?’ morde de ander. En zoo had de een dit, de ander dat! Niemand stak de hand uit de mouw, en wie iets uitdacht of voorstelde, wat maar eenigzins buiten den gewonen sleur ging, werd aangekeken als een wild dier. Men ging naar de Beurs – ja, waarom? menigeen zou ’t u niet hebben kunnen zeggen. Handel was er toch niet. Men stak zijn geld in effecten, liefst in die, waarvan de rente door een of ander rijk man geguarandeerd was; of men gaf het op prolongatie – eene sekure belegging, naar men toen zeî, – totdat tien, twintigmalen eene onbeduidende crisis had aangetoond, dat ze de minst secure van allen was, en slechts een middel om het spel van eenige windbuidels aan te moedigen.
– ‘Maar nu maakt ge het toch wat al te erg. Ge hadt toch ook uwe koloniën even als nu, en uwen trans-Atlantischen handel, waarop wij Duitschers zoo jaloersch waren, en nog wel eens zijn, en uwe grossartige Handelmaatschappij…..’ ‘Spreek er niet van. Die koloniën en Handelmaatschappij, dat was juist de weg naar den kelder. Het Gouvernement produceerde in de Indiën alles – alles wat maar te produceren viel. Het verkocht en leverde zelf wat het produceerde, en om te zorgen dat geen particulier handelaar van elders een dergelijk product beter en goedkooper aanvoerde, had het zijne tarieven en beperkende regten. Zoo was dan ook de trans-Atlantische handel reeds lang in uwe Duitsche steden, Hamburg en Bremen, gevestigd. De Handelmaatschappij was de commissionair, of makelaar, of beunhaas, of hoe ge ’t noemen wilt, van het Gouvernement. Zij sleet die ontzettende hoeveelheden van allerlei voortbrengselen bij kleine partijtjes aan de consumtie uit, en om het deze gemakkelijker te maken, had zij daartoe op gezette tijden hare vaste veilingen, waarvoor zij dan maanden lang oppotte. Natuurlijk! ’t was haar maar te doen om eene goede provisie te maken.’
– ‘Maar dat gaf toch leven, vertier, drukte, verdienste.’
– ‘Ja, als ge ’t zoo nemen wilt. Het goed moest aangevoerd, verpakt, opgeslagen en weêr afgeleverd worden, dat gaf een duizendtal sjouwers werk. Nu echter hebben ze van dezelfde hoeveelheid waren eens zoo veel te doen, omdat er speculatie bij den handel is, vóór dat de goederen aan de consumtie overgaan. Voor ’t overige, ’t is waar, elk kreeg zijn aandeel in de buit; zóó veel reeders, die bevrachting genoten, naar zij aan de beurt waren: zóó veel assuradeurs, die hun vast quantum jaar in jaar uit verzekerden; zóó veel makelaars, wien de courtage werd toegelegd pondspondsgewijze, naarmato ze wat veel of weinig te zeggen hadden. Zoo ging ’t al zijn gangetje, man; het was als een uurwerk. maar dat was het juist; een uurwerk, eene doode machine: alle leven was er uit, alle ambitie was verdoofd, alle ondernemingszucht verschrompeld. Wie eenmaal in den kooltuin zat, zegende zich en kreeg evenveel, of hij hard werkte of zoetjes; waarom zou hij dan hard werken? ’t werd hem immers thuis bezorgd? En zoo er iemand lust en ijver had en vooruit wilde – ’t mogt hem wat baten! Als hij niet in de gunst was kreeg hij toch niets, of hij ook draafde en sloofde. – Dat was de groothandel van Amsterdam voor 25 of 30 jaren. Voor ’t overige voorziening in de dagelijksche behoefte der stad of hoogstens der provincie. – Ook de oude graanhandel was al niet veel meer geworden; doch daarin althans heeft men nog bij tijds voorzien, zoodat die zich weder zeer spoedig heeft kunnen verheffen.’
Zoo keuvelden wij al voort, stoomende door Hollands vette weiden en waterrijke dreven. Mijn vreemdeling had geene oogen genoeg om de eindelooze groene vergezigten te bewonderen, welke hem, zoon der bergen als hij was, nog nooit waren voorgekomen. Natuurlijk, dat hij een blik van bewondering veil had voor ons heerlijk rundvee, en met een eenigzins spottenden glimlach terug zag op de trekschuit, die we aan gene zijde van Sloterdijk voorbij stoomden, – de laatstovergeblevene, helaas! van die trotsche vloot, die vroeger telken ure van den dag den bengel deed kleppen, de eenige die er thans op een geheelen dag vaart tusschen Amsterdam en Haarlem.
– ‘Hola! wat beteekent dat!’ riep plotseling mijn vriend, ‘hoe gaan we hier zoo omhoog?’
– ‘Omdat we den dijk opgaan. Wij zijn hier bij Halfweg.’
– ‘Maar waartoe die dijk? Waartoe met zoo enorme kosten hier zoo veel aarde opgehoopt, zonder nut, ja, tot schade voor den spoorweg?’
– ‘Die dijk moet dienen om twee groote wateren van elkander gescheiden te houden.’
– ‘Nu nog dwazer! Ik zie geen water, zoo ver mijn oog reikt, regts en links, behalve een paar kanalen, die bovendien nog tusschen hare eigene dijken loopen.’
– ‘Toch is het zoo. Zie! hier links hebt ge het Haarlemmermeer, eene oppervlakte van 18000 bunders, en daar regts den zeeboezem het Y, bevattende meer dan 8000 bunders. Ziet ge? Het verschil is maar, dat dit alles water geweest is, en land geworden is. Toen deze spoorweg werd aangelegd, was die dijk wel noodig, of geheel Holland ware in weinige uren een prooi der golven geweest.’
– ‘En is dat nu de Haarlemmermeer!’ riep de eerlijke mof in verrukking uit, starende op die heerlijke landouwen, die u allen bekend zijn, hoe ze, afdalende tot eene aanmerkelijke diepte, een allerbekoorlijkst panorama aanbieden: hier vette teellanden voor koolzaad en granen, elders grazige weiden of vruchtbare moesgronden; bezaaid met tallooze boeren-hofsteden, die allen u in hunne nieuwheid en frischheid te gemoet blinken; doorsneden met net beschulpte wegen als kolfbanen, met sloten en molenvaarten als met de liniaal getrokken; opgesierd door liefelijke groepjes jeugdig kreupelgewas en slank opschietende jonge populieren, terwijl reeds hier en daar in de verte een kerktorentje verrijst, – eene nieuwe schepping, een Hollandsch landschap, als het ware met Hollandsche netheid onder een stolpje bewaard! ‘En is dat nu de Haarlemmermeer?’ en hij nam zijnen hoed van het hoofd, om zijnen eerbied te betuigen voor het grootsche werk en voor het nijvere, volhardende volk, ’t welk dat werk had ondernomen en voltooid.
‘En hoe gaat het er mee? Voldoet het aan de verwachting?’
Voor ik kon antwoorden, bliezen de conducteurs, gilde het fluitje en stoomden wij verder, den ouden Sparendammer dijk langs, over het Sparen, waar dit zich met een zijtak in het Y-kanaal werpt, en de duinen van Zandvoort en Velzen te gemoet.
– ‘Die weg, die daar links van den onzen afwijkt, gaat naar Haarlem,’ sprak een heer, die over ons zat, en reeds lang, blijkbaar met zich zelven verlegen en met zijne eigene gedachten opgescheept, deel had willen nemen in onze gesprekken.
– ‘Ah zoo,’ sprak mijn gast. ‘Daar moet ik morgen heen, al ware ’t maar om het nieuwe standbeeld te zien van den waarachtigen uitvinder der drukpers. Mijn broeder, die verleden jaar het feest der oprigting van dat beeld, uit Duitsche en Hollandsche bijdragen gevestigd, heeft bijgewoond, heeft mij daar al te veel van verteld. Dat moet een echt verbroederingsfeest tusschen de twee verwante stammen geweest zijn.’
En nu liep het gesprek over allerlei onderwerpen, literatuur, kunst, wetenschap, ook over de vrije drukpers. Onze vreemde indringer opperde den twijfel, of die volle vrijheid van drukpers, die thans in alle staten van Europa triomfantelijk gevestigd is, toch niet ook in de laatste jaren hare schaduwzijde had laten zien. Blijkbaar echter sprak hij zoo, meer om het gesprek leven bij te zetten, dan uit overtuiging.
– ‘Men heeft er eerst bij ons raar meê omgesprongen,’ zeide mijn Duitscher, ‘en menig eerlijk man heeft jaren lang gewanhoopt, of er iets goeds van komen zou. Doch wij waren ook vóór een twintig jaar als jongens, die voor ’t eerst van de kostschool in de vrije wereld waren uitgeloopen en door eigen schade wijs moesten worden. Doch alles komt te regt. Jammer maar, dat dit in de wereldgeschiedenis niet gaat zonder menig bloedig en smartelijk offer.’
Wij waren nu aan het kanaal gekomen, dat, gelijk ge weet, van het punt af, waar de straatweg naar Beverwijk de ijzerbaan kruist, tot Y-Muiden toe, vlak naast den spoorweg loopt. Het gezigt, dat zich hier aanbiedt, is altijd nieuw, altijd grootsch, altijd rijk en vol afwisseling, hoe menigmalen men ook dezen togt gedaan hebbe; stel u voor, hoe opgetogen mijn gast was, die dat alles voor het eerst zag. Regts van ons, bijna onder ons, stroomde het breede kanaal, vol leven en beweging. Hier dreef eene kof, in ballast naar de Oostzee bestemd, voor de eb af. Iets verder kwam een zware Oostindievaarder opzeilen, die eene rijke uitvracht naar Java inhad, van meerendeels Duitsche, gedeeltelijk ook inlandsche manufacturen. Zonder moeite schoot eene stoomboot het zeekasteel voorbij, die tegen wind en stoom op een Surinaamsvaarder en twee schoeners, waarschijnlijk uit de Middellandsche Zee, stadwaarts boegseerde. Nog sneller schoot de slanke spitsgebouwde kanaalboot voort, in sierlijke en vlugge wendingen alle aanraking vermijdende, welke telken twee uren tusschen Amsterdam en Y-Muiden beurtvaart. – Overigens was de breede watervlakte bezaaid met ligters, kagen, tjalken, pinken, sompen, vletten, jollen en sloepen; de een bragt levensmiddelen naar de stad, de ander provisie naar de schepen; hier en daar zag men een sierlijk jagtje laveeren, of eenige liefhebbers van roeijen, die met lange slagen op maatgeluid hun ligt vaartuigje voortdreven. Aan de overzijde van het kanaal kronkelde langs den voet der afgegraven duinen de straatweg, naauwelijks minder bevolkt dan de waterweg zelf. Hortende boerenwagens, zware vrachtkarren met goederen voor de Wijk of Alkmaar bestemd, schulp-rijders; daartusschen menig elegant zomerwagentje, of eene groote familiebak met een lustig gezelschap, te huis behoorende op een der vele buitens van de buurt; ezelwagens met kinderen; enkele ruiters: voorts talrijke voetgangers, waarvan sommigen met den haastigen stap, die een doel van hunnen gang aantoonde, anderen met den tragen, onachtzamen tred, die den wandelaar kenmerkt. En dit tooneel werd regts en links – als in den schouwburg door de schermen – begrensd door het opklimmende duin, tegen welks helling menige sierlijke lusthof leunde; hier en daar een enkele, die reeds van vroegere tijden dagteekent en met eene deftige, ouderwetsche huizinge en zwaar geboomte pronkt; maar de meesten blijkbaar eerst voor weinig jaren aangelegd, en wel lief en frisch en vrolijk; maar toch nog wat heel zonnig.
De mensch is altijd gezind te vergelijken, vooral wanneer hij in den vreemde een of ander ontmoet, dat hem, al is het ook nog zoo flaauwtjens, een huisselijken of vaderlandschen toestand vertegenwoordigt: ‘Het heeft hier wel iets van de Elbe beneden Hamburg,’ sprak mijn vriend, doch voegde er dadelijk met eene opregte verloochening van zijn patriotismus bij: ‘maar het hier toch nog schooner en grootscher.’
– ‘Y-Muiden, Heeren!’ – riep de conducteur, en de deuren van onzen char-à-bancs vlogen open, en wij stapten af aan het ruime, deftige stationsgebouw, welks eenige fout is, dat het er wat heel Grieksch uitziet voor een bouwstuk, dat aan het strand van de Noordzee – in het Ultima Thule – stormen en winterbuijen moet trotseren.
Het getij was niet gunstig voor ons plan, om nog vóór den maaltijd een zeebad te nemen. Wij begaven ons dus regtstreeks naar de eetzaal van het Badhuis. Mijn vriend vergat geheel en al, dat hij hier gekomen was om te eten, toen hij de zee in het oog kreeg: de zee, de heerlijke, groote, oneindige zee, het zinnebeeld der oneindige toekomst met hare ondoorgrondelijke diepten en onbegrijpelijke geheimenissen, uit wier schoot dag na dag ons gelijk de ligte opkrullende golfjes te gemoet wentelt. Mij, natuurlijk, was het gezigt minder nieuw, en mijne stemming minder poëtisch. Ik onderzocht dus, hoe het met onze tong met pieterselie, biefstuk met aardappelen, enz., enz., stond. – ‘Over zeven minuten zou het diner gereed zijn,’ zeide de hupsche opper-bediende, ‘de trein is buitengewoon vroeg aan. Intusschen moet ik de heeren vergiffenis verzoeken, dat wij de couverts niet in een afzonderlijk salon hebben kunnen geven. Sedert twee dagen is het Hôtel overgevuld met vreemdelingen, vooral met Engelschen, die na de sluiting van het Parlement, in de laatste week, bij zwermen zijn overgestoomd, om hun trip on the continent te maken.’
‘Zonderling,’ dacht ik, ‘hoe toch het een met het ander zamenhangt! Sedert wij het geregelde dagelijksche stoombooten-veer tusschen Y-Muiden en Yarmouth hebben, denkt geen Britsche tourist of fashion er meer aan, om dat akelige nest van een Ostende te bezoeken; en Holland is den Brit weder het continent par excellence geworden, nu de groote route naar Triëst en naar Petersburg over onzen Duitschen spoorweg loopt.’
Wij aten smakelijk, gelijk gij begrijpen kunt, ofschoon wel wat haastig naar mijnen zin. Mijn vriend had geen geduld: daar was iets in zijn binnenste, dat hem naar het strand dreef. Aan den frischen zeevisch wijdde hij, als Duitscher, eene verdiende aandacht; evenwel, hij kwam er gul voor uit, dat hij ze wel wat heel vast vond. Maar toen het eerste geregt was afgedragen, was hij naauwelijks meer te houden. Van het dessert at hij niets, maar stopte zooveel te meer pruimen en peeren in den zak. ‘En nu, gaat ge mee!’ riep hij, opspringende, ‘of ik ga alleen.’
Ik troostte mij met het oude adagium: Post coenam stabis, Aut mille passus meabis, en arm in arm drentelden wij langs de breede kaaijen en over de ontzachgelijke sluizen, die geheel eene zee keeren, en op het forsche havenhoofd heen en weder.
– ‘Ihr Holländer seydt doch ein prächtiges Volk!’ barstte eindelijk mijn vriend uit, ‘een waardige tak van den Duitschen stam! Reuzenwerken hebt gij gesticht, waarop nog volgende eeuwen met bewondering zullen staren! Tooveraars zijt ge; of hebt ge de lamp van Aladdin wedergevonden, die in éénen nacht een paleis stichtte?’ En zoo babbelde hij al voort, half jokkende, half aangedaan. – ‘Maar in ernst,’ riep hij eindelijk, ‘hoe hebt ge dat alles toch zoo spoedig tot stand gebragt? Vóór 25 jaren was hier immers nog niets dan duin en zand?’
– ‘Ja, dat is een lange historie, waartoe ik eenen geheelen avond noodig zou hebben. Gods zegen in de eerste plaats, die ons door menige groote en kleine gebeurtenis, welke wij menschen toevallige omstandigheden noemen, daartoe geleid; Gods zegen, nog eens, die onzen ijver bekroond heeft! En dan ook een weinig lofs daarvoor aan de ontwaakte energie onzer natie! – Gij kent die groote crisis der nieuwe geschiedenis, de omwentelingen en omkeeringen van 1848 en 1849, die aan geheel Europa in zoo velerlei opzigt eene nieuwe gedaante hebben gegeven, ofschoon zij ook in vele oorden, na menigen fellen schok, na duizende bloedige offers, alles toch bij het oude hebben gelaten. Wat zij voor andere natiën geweest mogen zijn, ons waren zij ten zegen! Gij weet, ons vloeit het bloed wat traag door de aderen, en wij zijn ligt geneigd tot indommelen, wanneer wij niet wakker gehouden worden. En zoo waren wij ook ingedommeld in de eerste helft dezer eeuw, omdat onze geheele staatsinrigting er op was berekend, onze natuurlijke slaapzucht te bevorderen. Daar kwam de groote schok in het midden der eeuw. Die wekte ons op en riep ons toe, rondom ons te zien, en dwong ons de handen uit te steken. Vrijheid! klonk de leuze, en vrijheid werd den volke gegeven, om zich met al zijne vermogens in alle rigtingen te bewegen. Wel gaf dit eerst aanleiding tot velerlei strijd en stribbeling, en menigeen zag toen de toekomst donker te gemoet. Maar de bezadigdheid en het gezond verstand, onzer natie eigen, beveiligden ons voor gevaren, waar menig ander volk zich blindelings in geworpen heeft. Wakkere deelneming aan algemeene belangen was een regt des burgers geworden; en het besef van pligt, de zin voor stipte pligtsvervulling, die zoo sterk is bij ons, dwong meer dan iets anders den burger, zijn regt te handhaven, en ten nutte des vaderlands te gebruiken. Die wakkerheid en burgerzin, op het staatkundig terrein geplant, vatte wortel, en breidde zich naar alle zijden uit op elk ander gebied van het openbare leven, in wetenschap en kunst, in handel en nijverheid. De besten uit de lande werden gekozen tot de vertegenwoordiging des volks, om de Regering ter zijde te staan, niet als een achterdochtige toeziende voogd, maar als een welmeenend raadsman en helper. Het volk hield de oogen geopend, en kennis van zaken, door openbaarheid verkregen, lokte tot waarachtig vertrouwen en gewillige medewerking. Menig zwaar offer van bijzondere belangen werd gaarne gebragt ten behoeve des vaderlands. De zware druk der financiëele lasten van den staat werd door loijale medewerking van allen verminderd; een beter belastingstelsel, dat den arbeid vrij maakte, opende de wegen tot algemeene welvaart. Oude hinderpalen werden weggeruimd, misbruiken afgebroken. Menige instelling, met goede bedoeling opgerigt, maar allengs ontaard in een loutere onderneming van speculatie, werd aan hare oorspronkelijke bestemming terug gegeven, en vele groote kapitalen, die daardoor loskwamen, werden in allerlei bedrijf van handel en nijverheid gestoken, gaven werk en brood aan duizende nijvere ingezetenen, en goede renten aan hunne bezitters. Zoo openbaarde zich alom leven en ontwikkeling in het groote en in het kleine. En van daar dan ook de oorsprong van de wonderen, die ge hier aanschouwt. Reeds lang was geklaagd, dat Amsterdams handel jaar aan jaar terugging, en ten achteren raakte bij dien van Rotterdam, maar vooral van Hamburg en Antwerpen. Daartoe werkten onderscheidene oorzaken mede; moreele en materiëele. Onder de laatsten was vooral de gebrekkige en tijd en geld kostende gemeenschap, met de zee zoowel als met het binnen land. Dit laatste nu was spoedig verholpen, zoodra namelijk de doortrekking van onze spoorwegen naar Dusseldorf aan den eenen, naar Munster aan den anderen kant door de energie van het Bestuur tot stand gebragt was. Maar het andere bezwaar bleef nog bestaan en het was moeijelijker daarin te verhelpen. Toen won het denkbeeld veld van een kanaal te graven, van het Y naar de Noordzee. Het kostte moeite, groote moeite, om dat denkbeeld ingang te doen vinden: wij schrikten zelven terug voor den omvang onzer plannen, en aanvankelijk was de bekrompene vrees, of men wel rente zou trekken van zijn geld, nog al te krachtig bij onze vermogenden. Maar een gelukkig toeval kwam gunstig tusschenbeiden. Onder de hervormingen, die langzamerhand werden ingevoerd, was ook eene betere regeling van onzen kolonialen handel, die allengs aan de vrije mededinging onzer kooplieden werd overgegeven. Daardoor werd het groote kapitaal der Handelmaatschappij, vroeger de eenige factor van dezen handel, te groot. En ofschoon dit ligchaam nu met wijsheid en overleg zijne kapitalen op andere wijze besteedde, tot ontwikkeling van onzen wereldhandel, het kapitaal bleef toch te groot, vooral door de jaarlijksche toeneming van het reserve-fonds, en nadat de Schatkist, ten gevolge eener gelukkig geslaagde conversie in de eerste jaren van 50, ook hare laatste schuld aan de Maatschappij had afgedaan. Hoe nu de beschikbaar gewordene millioenen te verdeelen of te besteden? De aandeelhouders hadden gezond verstand genoeg, om in te zien, dat zij nog een ander belang hadden, dan dat van aandeelhouder in eene anonyme societeit, een belang als burger van den staat, als ingezeten der hoofdstad, een duizendvoudig belang bij den bloei van Amsterdams handel. En zoo besloot dan de Handelmaatschappij, met haar reusachtig vermogen zich aan het hoofd te stellen der reusachtige onderneming en de verbinding van het Y met de Noordzee, door een kanaal tusschen Zandooort en Velzen werd besloten. Haar crediet gaf crediet aan de zaak. Eens begonnen, werd het werk met kracht doorgezet; God gaf er zijnen zegen op, en ziedaar de vrucht, Y-Muiden, de haven van Amsterdam aan de Noordzee!’
– ‘En heeft de uitkomst aan de verwachting beantwoord?’
– ‘Meer dan dat! Amsterdams handel bloeit schooner dan ooit, en Hamburg en Antwerpen moeten het met spijt aanzien, dat én naar het Noorden, én naar het Zuiden van Europa’s vaste land, de groote handelsweg over deze plek loopt. Verleden jaar zijn hier ruim 6500 schepen binnengekomen, en dit jaar zal het getal welligt meer dan 7000 bedragen.’
– ‘En de Maatschappij? ’t Is toch edel, dat zij zoo groot eene opoffering voor Amsterdam heeft gedaan.’
– ‘Zeker, dat is het; maar hare aandeelhouders hebben gelukkig nog eene andere, meer tastbare belooning genoten, dan het bewustzijn alleen van eene goede daad. De kanaaltol, hoe matig ook gesteld, brengt heerlijke inkomsten op, ten gevolge van een verkeer, zoo druk als men vroeger zelfs niet had kunnen droomen; bovendien geniet de Maatschappij als aanzienlijk handelsligchaam zelve, dag aan dag, uur aan uur, bijna onmerkbaar bij iedere transactie, maar deugdelijk merkbaar bij de opmaking der jaarlijksche onkosten-rekening, mede al de voordeelen, welke de goedkoopere en gemakkelijkere waterweg aanbiedt. Dat heeft de laatste winter nog getoond. Ofschoon het ijs vijf maanden lang alle wateren bezet hield, het kanaal bleef steeds bruikbaar, even als de spoorwegen, en terwijl alom de handel stilstond, hield die van Amsterdam zijnen geregelden loop, als midden in den zomer. Eindelijk: gij hebt, toen wij straks aan Halfweg waren, aan uwe linkerhand de vruchtbare Haarlemmermeer gezien en aan uwe regter een uitgestrekte streek half gecultiveerden grond. Dit was de Y-polder, 8 a 9000 bunders groot, die leeggemalen is in verband met den aanleg van het kanaal. En binnen weinige jaren zal de Y-polder den Meer-polder in vruchtbaarheid en rijkdom van opbrengsten den loef afsteken.’
– En wat zal de Maatschappij met die gronden doen?
– ‘Zij heeft plan ze allengs te verkoopen.’
– ‘En wat zal ze dan met het kapitaal doen, dat er van komt?’
– ‘Ja, dat kan ik u niet zeggen. – Wie weet het? Misschien wel de Zuiderzee droogmaken! Daar denkt men althans ernstig over.’
Hier werden wij in ons gesprek gestoord door een geroep van ‘Hei! Holla hei!’, dat blijkbaar tot ons gerigt was. Men heeft er altijd een zeker, onverklaarbaar, bewustzijn van, of het ons geldt of niet, wanneer men op de straat wordt achterna-geroepen, -gehemd of -gekucht. Het geroep kwam van een Oost-Indie-vaarder, die aan het havenhoofd zeilree lag. Een jong mensch liep driftig de loopplank af en op mij aan.
– ‘He! gij hier?’ riep ik, hem herkennende, tot mijn ouden schoolvriend van Kammen.
– ‘Gelijk ge ziet!’ antwoordde de vrolijke jongen, ‘als de fortuin, met één been op het land en met het andere op den oceaan. Ik ben passagier op de Thorbecke. Morgen zeilen wij uit. Ik ga naar Java!’
– ‘Voor pleizier?’
– ‘Ook al. Maar dat minder. Ik ga er een kantoor opzetten.’
– ‘Gij ook een fortuinzoeker?’
– ‘Wat zal ik u zeggen. Dat is nu eenmaal eene rage onder onze jongelui. Ik heb er lang over gestaan, of ik met een troep landverhuizers naar Suriname zou trekken. Maar daar is het al overvol. Ware ik schoolmeester, of dominé, of advocaat, of architect, dan ging ik dáárheen. Toen heb ik gedacht aan de vrijhaven Curaçao, om te gaan smokkelen met alle staten van de Golf. Maar mijn goede oom heeft mij altijd gezegd: smokkelen is gemeen! – Dus, nu ga ik maar naar Soerabaija. Daar valt nog wat te verdienen.’
– ‘En hebt ge aanbevelingen mee?’
– ‘Neen, beter dan dat: relatiën. Ik heb een broêr, die een kantoor heeft te Canton; een ander is planter in het binnenland te … te …, nu, wie kan ook die Javaansche namen onthouden? – Genoeg: ik heb goeden moed; de handel is levendig op Java, en wie daar werken wil, kan er werken, en vooruitkomen. Er zijn al velen heen, maar er is nog plaats voor meerderen. Bovendien, het leven is er allerprettigst, naar men zegt.’
– ‘En wanneer denkt ge terug te komen?’
– ‘Vooreerst niet, en misschien nooit, of het moest zijn als afgevaardigde der kolonie voor de Staten-Generaal. Doch dat heeft nog tijd. Maar komaan, wat staan we hier; ga mee aan boord een glas grog drinken.’
– ‘Dank je wel! ’t is hier veel te pleizierig om achter de verschansing weg te kruipen. Ik weet er wat beters op. Wij zullen ons een uurtje laten roeijen. Dan kunt ge uw proeftogt op den oceaan doen.’
– ‘Ba! de zee is effen als een spiegel.’
Een oude varensgast had ons spoedig in zijne jol opgenomen, en met een lekkeren sigaar in den mond lieten wij ons langs het strand voortdrijven; het was nu dood tij: met een goed half uur moest de vloed opkomen.
Met mijnen schoolmakker verdiepte ik mij allengs geheel in een gesprek over al zulke dingen, waarover twee vrienden spreken als zij elkander in lang niet gezien hebben of elkaêr voor langen tijd gaan vaarwel zeggen. Zoete oogenblikken, waarin wij ons geheele leven weder voor onze oogen zien ontrollen, en werkelijkheid en luchtkasteelen in de bontste vormen afwisselen. – Mijnen Duitscher had ik daarbij schier geheel vergeten. Maar hij wist zich te redden: met den onderzoekingsgeest, allen touristen eigen, had hij in onzen roeijer een voorwerp van zijne nasporingen ontdekt, en in gebroken Hollandsch deed hij den man duizende vragen, waarvan deze de eene helft niet kon beantwoorden omdat hij hem niet verstond, en de andere helft omdat hij het niet wist. Daarentegen was de man mededeelzaam genoeg met het verhaal zijner eigene lotgevallen, en de naïve toon zijner vertellingen lokte ook ons beiden eindelijk tot luisteren. Jaren geleden, misschien wel dertig, veertig jaren, was hij als matroos derde klasse op een van ’s lands schepen van oorlog naar de Oost gegaan. Hij had deel genomen aan de drie expeditiën naar Bali, waarvan de laatste met de geheele verovering van het eiland was geëindigd. Toen had hij gediend op het eskader, dat na menige geïsoleerde en verijdelde poging, eindelijk in gemeenschap met eene Engelsche flotille, de nesten der zeeroovers van den Archipel had uitgeroeid, en voor goed den handel aldaar van die plaag had verlost. Daarna had hij eenige jaren gevaren op een paar der Zuidzeevaarders, die van Java worden uitgerust, en een geheelen winter op Nieuw-Smeerenburg bij de traankokerij gewerkt. Toen was hij met zijn opgegaarde spaarpenningen naar het vaderland teruggekeerd, doch had schipbreuk geleden op de Engelsche kust en niets dan het lijf geborgen. Rijk aan ervaringen, maar overigens even arm als hij was uitgegaan, kwam hij terug in zijne geboorteplaats: daar was hij een vreemdeling geworden, en half uit verdriet, half uit land-ziekigheid, had hij als bootsmans-maat weder dienst genomen op een fregat, dat gedesigneerd was voor de statie in de Stille Zuidzee, om daar de Nederlandsche vlag te beschermen. Vier jaren lang had hij alzoo op de kusten van Peru en Chili omgezworven, tot zijn bodem vervangen werd en huiswaarts keerde. Op de tehuisreis had de Prins Maurits – zoo heette het fregat – eenen slavenhaalder opgevangen. Zijn aandeel in de prijs, die te St. Helena verkocht werd, bedroeg nog al een aardig sommetje, maar bij het enteren had hij een houw in het been bekomen, die hem voor alle verdere dienst onbekwaam maakte en aanspraak gaf op pensioen. ‘En,’ – zoo besloot hij – ‘ziet uwé, nu woon ik daar als een prins, in dat groote gebouw, welks torentje de Heeren tusschen de twee masten van het wachtschip zien, het nieuwgebouwde Zeemanshospitaal; daar vind ik alle dagen logies en de bak, en ik verdien nu en dan een tabaks-stuivertje met de Heeren in mijn jol om te roeijen, want dat kan ik nog doen met mijn stijven poot, en een aardig stuivertje ook, want de Heeren van Amsterdam kennen den ouden dries wel.’
De zon dook naar de kimmen en schoot stroomen vuurs, schitterende en tintelende over de watervlakte. ‘Naar wal, mijne Heeren!? straks zal de bengel van de laatste boot luiden,’ sprak plotseling onze bootsman, met eene zonderlinge mengeling van gezag en beleefdheid. En zoo gingen we naar wal, en eenige minuten later was ik met mijnen Duitscher op de ‘Zephir’ en stoomden wij het Kanaal langs naar de Hoofdstad, en wij stonden naast elkander op het dek, en leunden over de verschansing en staarden in het wiegelende, woelende, kronkelende, draaijende, schuimende, bruischende water, dat achter den raderslag kookte, en spraken over Nederlands verleden en toekomst, en schepten ons allerlei fantazijën, en……
– ‘Hola, eeuwige droomer!’ klonk mij plotseling eene forsche stem in het oor. ‘Ge hebt nu al een half uur daar alleen liggen mijmeren, met uw hoofd buiten boord. Praat nu ook eens wat met de menschen!’
Ter opheldering van dezen uitroep diene, dat ik mij, den 20sten Augustus 1848, bevond op de Zaandammer boot, de Mercurius; dat ik ’s morgens van Alkmaar was vertrokken, waar ik zaken had gehad; dat ik mij op de binnenboot den tijd had gekort met lezen, en op de Mercurius een paar kennissen had ontmoet, en dat een van deze mij aldus toesprak.
– ‘In wat voor poëzij hebt ge heden gelezen, dat uwe zinnen zoo op hol zijn?’ vroeg de ander schertsende.
– ‘Daar,’ antwoordde ik, ‘zie zelf, ik kan u het boekje wel aanbevelen.’ En ik reikte hem mijnen tijdkorter van den morgen over.
– ‘Laat zien!’ en hij las met kluchtige emphase den titel: ‘de Indijking en droogmaking van de Zuiderzee en het Y, met kanalen van af den Yssel bij Arnhem langs Amsterdam tot in de Noordzee, als een krachtig middel tot verheffing van Handel, Scheepvaart en Landbouw in Nederland……’
– ‘Bah!’ zeî bram, ‘ook al een van die projectenmakers!’
– ‘Ik wou dat ik het al zag zeî de blinde!’ lachte koo, mij het boek weder toewerpende, dat op bladzijde 64 openviel.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: