HET KOPJE KOFFIE

Verhaal van de schrijfster Maria Dermoût

I.
Op de suikerplantage diep in het binnenland van Java stond nog altijd het oude huis in de oude tuin, – het grote huis – zoals het genoemd werd.

Iedere familie die er woonde, de een na de ander, had aan het huis laten verbouwen, of bijbouwen. Ook de tuin was veranderd: een gemetselde vijver voor lotosbloemen was er bijgekomen, een orchideeënhuisje, een logeerpaviljoen; de paden waren verlegd tussen bloemperken en bloeiende struiken. Er was op het laatst niet veel over van het oude, behalve sommige bomen: de twee waringins links en rechts van het huis, de oprijlaan van kenaribomen. En dan nog een grote stenen tuinvaas op een voetstuk, in het midden van de moestuin, op de plaats van de vroegere rozentuin Maar links van het huis, achter de hertenkamp, in het stuk van de tuin dat glooiend naar de rivier toeliep, was niets veranderd. De tuin was daar niet meer aangelegd met grasvelden, en paden, en perken, er stonden alleen cocospalmen in rijen naast elkaar, als in een boomgaard. En in plaats van de tuinmuur was er een meer dan manshoge doornen bamboehaag. En daarachter, maar afgesloten van de grote tuin, ook weer omheind met een bamboehaag, lag een andere – een kleine tuin. – Er moest eens een huis gestaan hebben, de stenen fundamenten lagen er nog, onder het onkruid verscholen; en er stond een waringinboom. Het was de ‘verboden’ tuin.
Lang, erg lang geleden al, had in het grote huis een man gewoond met twee vrouwen. Eén in het grote huis, – zij had ook een kind; – en één in het kleine huis verstopt achter de doornen haag van de kleine tuin, bij de rivier.
Eerst ging het alles wel goed.
De vrouw in het grote huis was trots, zij hield haar kind stijf bij de hand, en zij zei geen enkel woord.
De vrouw in het kleine huis zei in het begin ook niet veel, zij was blij als de man bij haar kwam. Hij kwam veel bij haar. Soms kwam hij ’s morgens vroeg: zij zette zulke goede, erg sterke koffie, en hij dronk het altijd zo bitter en zwart mogelijk, met een beetje water, en bijna geen suiker. Zij dronk haar koffie slap met veel melk en veel suiker. Soms kwam hij ’s middags. Soms kwam hij ’s avonds in het donker bij haar, of ’s nachts. Maar de man woonde in het grote huis.
Langzaamaan begon de vrouw in het kleine huis te veranderen.
Eerst vroeg zij het zachtjes aan zijn oor fluisterend – of hij niet bij haar wonen wilde in het kleine huis? – alleen dat! – iets anders vroeg zij toch niet… Toen zei zij het hardop. Op het laatst zei zij vrijwel niets anders meer; soms werd zij woedend, stampvoette, en huilde, en dreigde dat zij zo in de rivier springen zou!
Maar de man zei altijd alleen, ‘ik woon in het grote huis.’
Toen deed de vrouw uit het kleine huis iets, dat zij nooit eerder gedaan had. Zij trok haar beste kleren aan, en liep niet zoals gewoonlijk het weggetje langs de rivier naar het dorp, naar de markt, – zij liep de tuin in van het grote huis. – Zij durfde niet door een van de twee oprijlanen naar binnen te gaan, zij kroop door de doornen bamboehaag, en liep voorzichtig door de tuin, tot dicht bij het huis. Zij kwam ook niet in het opene, maar bleef tussen het struikgewas, en onder de bomen, en wachtte bij de rozentuin. Want ’s morgens ging de andere vrouw, de vrouw uit het grote huis, altijd rozen plukken.
Na een tijd kwam zij ook.
Zij was blond, en erg bleek; in haar ene hand hield zij de bloemenschaar, aan haar arm hing een mandje. Zij had het kind bij zich; de jongen was tenger en bleek zoals zij.
Zij begon dadelijk te plukken, boog zich over de bloempotten heen, die op hun voetstukken in rijen stonden, in een vierkant, om een lege stenen tuinvaas heen, zij keek niet links of rechts. De schaar zei telkens hard knipknap, en zij legde de ene roze roos na de andere in het mandje. Soms hield zij een roos in haar hand, en rook eraan – zij waren nog nat van dauw, en geurden – en intussen riep zij telkens even naar het kind.
Maar hij wilde niet bij haar komen. Hij liep tussen de bloempotten door, en keek overal in het rond alsof hij iets zocht; eerst op de grond, toen hogerop, in de bloempotten, toen nog hoger, om zich heen, – en ineens zag hij tussen de struiken, in de schaduw der bomen de andere vrouw staan.
Zij stond onbewegelijk, en keek de jongen aldoor strak aan uit de verte.
Zij had ronde zwarte schitterende ogen.
De jongen keek haar ook aan. Toen gaf hij een gil, en holde naar zijn moeder, en verstopte zijn hoofd tegen haar aan.
– O mamma! riep hij.
De vrouw schrok van hem, – wat is er? wat is er? en keek overal rond waarvan het kind zo geschrokken kon zijn. Toen zag zij ook de andere vrouw staan – even maar – want tegelijkertijd had de vrouw zich omgekeerd, en was weer naar het kleine huis terug gelopen. Zij had een wonderlijk vlugge lenige gang; en was in een oogwenk verdwenen.
De vrouw uit het grote huis gooide haar mand en schaar, alle roze rozen op de grond neer, en nam het kind vaster in haar armen. Hij bibberde zoals iemand die het koud heeft, en zij droeg hem, die toch al zo groot was, de tuin door, het grote huis binnen, en naar haar kleedkamer; zette hem even neer, en sloot eerst alle deuren en ramen af – op slot. – Toen nam zij hem weer op en ging met hem zitten.
– Stil – stil – zei zij aldoor, nu zullen wij weggaan – stil – en wiegde hem totdat hij ophield met rillen, en in slaap viel. Toen het kind vast sliep, legde zij hem neer op de bank, haalde een laken om hem toe te dekken, maakte voorzichtig de deur open, nam de sleutel mee, sloot de deur aan de buitenkant weer af, en riep zachtjes de oudste bedienden bij elkaar, de spèn, de koetsier, de kokkin, de kindermeid, haar eigen meid, – de oudste vijf.
– Jullie begrijpen wel dat wij nu weggaan, zei zij. En zij knikten alle vijf dat zij het begrepen. Rustig en vlug besprak zij alles met hen, en regelde punt voor punt, alsof zij het al eens eerder bedacht had: Die koffers, die kleren van de jongen, die van haar, speelgoed. Dat rijtuig met die paarden. – Kokkie, denk aan dit, aan dat! De spèn kreeg de sleutels, zul je dit niet vergeten, en dat niet! In de tuin liggen nog rozen en een mand en een schaar; de rozen moeten in het water gezet worden. Zij nam het dubbelgevouwen leitje, waarop in die tijd wel briefjes geschreven werden aan de buren, en zij schreef binnenin – Nu gaan wij weg – en haar naam en die van de jongen eronder; aan de buitenkant van het leitje schreef zij het adres. – Dit moet je aan meneer geven, als meneer komt, en gaf het leitje aan de spèn.
Toen maakte zij de kleedkamer weer open, dat zij bij de kasten konden komen. Zij zelf zocht voor alle vijf bedienden een souvenir uit, geen klungel: een zilveren doosje en een horloge, die van haar vader geweest waren: een gouden armband, een ring, een broche uit haar jongemeisjestijd.
Alle kostbaarheden die de man haar gegeven had liet zij in de kast staan. De spèn sprak een korte zegewens uit… vlug… vlug…
Voordat de man thuis was, op het warmst van die ochtend, op klaarlichte dag, reed de vrouw uit het grote huis, weg in de reiskoets met vier paarden, met de koetsier en een palfrenier op de bok, met haar koffers, en een hoedendoos, met haar kind op schoot. Hij was nog half in slaap, pas later werd hij goed wakker, en keek om zich heen, verbaasd, en meteen weer angstig… waar?… waar was? De moeder trok hem overeind, zij streek zijn haren glad.
– Wij zijn weggegaan, zei zij, hoor je dat goed – weg! – nu moet je rechtop gaan zitten, want nu zijn we op reis samen. En de jongen klom van haar schoot af, en ging rechtop naast haar zitten.
Toen de man thuiskwam in het grote huis, gaf de spèn hem het leitje.
Later ging hij naar de vrouw in het kleine huis toe. Zij trok hem mee.
Hij had nooit iemand zo stralend gezien, zo brandend en teder.
– Nu… kom je nu bij mij in het kleine huis wonen?
– Neen, zei de man, ik woon in het grote huis.
En zo was voor haar eigenlijk niets veranderd. De man woonde alleen in het grote huis, de vrouw probeerde nooit daar bij hem te komen; hij vroeg het haar ook niet. Hij kwam bij haar in het kleine huis, maar hij woonde er niet.
Wat er toen gebeurd is, weet niemand meer precies:
Kort daarna, op een morgen, zij hadden samen een kopje koffie gedronken, werd de man ziek in het kleine huis bij de vrouw. Zij riep niemand, zij legde hem in haar bed, en bleef bij hem. Vóór de nacht was hij dood.
Het was choleratijd geweest, zei de een, maar een ander zei, dat de vrouw wat wit poeder in plaats van suiker in zijn bittere zwarte koffie gedaan had. Het wordt op de markt verkocht, om er het scherp van de krissen mee schoon te maken, en voor de ratten.
Zo stierf de man dus in het kleine huis, zo… alsof hij er gewoond had.
Want iemand sterft toch in het huis waarin hij woont, niet waar?
Cholera of rattenkruid, wie wist het nog? het was alles vergeten.
Het kleine huis in puin gestort, en opgeruimd.
Het grote huis telkens opnieuw verbouwd, veranderd; de tuin anders. En telkens weer andere mensen hadden er gewoond, met andere kinderen, andere bedienden, andere dieren. Alleen sommige bomen waren nog dezelfde.

II
Er woonde nu ook weer in het grote huis, zoals toen, een man, een vrouw’ en een kind.
Dit was een meisje, mager en vlug, met zwart haar, babbelziek en nieuwsgierig als een ekster. ’s Middags als zij slapen moest klom zij stilletjes uit het raam van haar kamer, en speelde in de tuin met de twee Javaanse meisjes, de nichtjes van haar kindermeid.
De hele tuin was voor hen. Er was geen plekje waar zij niet kwamen, geen boom waar zij niet inklommen, geen vrucht die zij niet geproefd hadden. Maar wanneer zij in het verre gedeelte van de tuin waren, aan de kant van de rivier onder de cocospalmen, en het meisje wilde door de bamboehaag kruipen, – kom! vooruit! bangerds! laten we nu eens naar de andere tuin gaan kijken!, zeiden de andere twee angstig, – neen, neen, dat mag toch niet, dat weet je toch, het is toch – verboden! – En zij hielden haar vast, en trokken zo hard als zij konden aan haar jurk, of zij liepen allebei tegelijk weg, en klikten; en de kindermeid, of de oude spèn kwamen haar nog altijd net op tijd terug halen, en bromden erg op haar. Zij zei wel – lelijke klikspanen – als zij de nichtjes later zag; maar die deden net alsof zij er niet om gaven.
Maar eenmaal, op een middag, dat de nichtjes er niet waren, en iedereen sliep, was het meisje toch gegaan. Op haar eentje. Zij wilde eens kijken; zij wilde altijd graag eens kijken.
Het viel haar bitter tegen… wat was er te kijken? Er was niets te kijken… Bemoste stenen fundamenten van een huis, onkruid over alles heen; en een boom.
Bomen zijn mooi, maar deze boom was niet mooi.
En anders dan andere bomen – anders dan de twee waringins, links en rechts van het grote huis, zo groot en breeduit, en weelderig groen, met alle sierlijke loshangende lichtbruine luchtwortels; zwermen kwetterende vogels streken in het groen neer, om van de dikke donkerrode bessen te snoepen, en in de schaduw uit te rusten – of de statige oude kenaribomen in de oprijlaan; hun stammen leken op hoge bemoste zuilen – anders dan de rij manggabomen naast de wagenkamer; het zonlicht scheen zo lichtgroen en geel, dwars door de jonge bladeren heen – of de brede sterke rubberbomen tegen de tuinmuur aan – of de woenggoe’s met de paarse, de lichtpaarse en de donkerpaarse – de flamboyants met de vlammend rode bloemtrossen – anders dan alle vruchtbomen in de tuin – en de tamarindebomen langs de grote Postweg, met blaadjes zo klein als lovertjes; op het zachtste zuchtje van de wind trilden al die vele bevende lichtgroene lovertjes mee – anders dan de statige palmbomen, de trotse koningspalmen, de pinangpalmen met een vuurrood schutblad om de jonge bladeren heen, de droogritselende cocospalmen – of de hoge wuivende bamboe’s die als omgekrulde veren zo fijn tegen de hemel afgetekend stonden.
Deze boom was anders: hij was erg oud; hij leefde nog wel, maar het was of hij daar krachteloos stond, zonder sappen, met een stam vol spleten en gaten, met schrale uitgedroogde luchtwortels, met gevlekte bladeren. Toch stond hij nog recht overeind, en dreigend.
Een oude boze boom.
Tussen de hooguitstekende grondwortels lagen versgeplukte bloemen, en as van verbranden wierook. Zou het een heilige boom zijn? …o! …was daarom de tuin verboden?
Het leek er zo stil te zijn. Waarom waren er geen bloemen, geen bessen, geen vruchten? geen dieren, niet één vogel, of een vlindertje maar? geen hagedisje zelfs?
Niets dat bewoog, niets dat geur of kleur had.
Het was alsof de stilte als een stolp over alles heen stond; er was geen lucht onder, hoe moest zij aan adem komen? Zij kon zich ook niet bewegen, en stond, en keek, en wachtte, en wist niet waarop zij wachtte…
Ineens hoorde zij dat iemand achter haar door de haag kroop… het was de spèn! Zij schrok van hem zij had hem nooit zo gezien. Hij die altijd zo keurig was, in een lange gesteven witte broek en witte jas, met gebatikte lendendoek en onberispelijk gevouwen hoofddoek… hij was niet eens aangekleed! Hij had een kort blauw onderbroekje aan met een wit veterbandje om zijn middel gebonden, het bovenlichaam bloot, hij droeg zelfs geen hoofddoek… zijn lange haren zomaar in een slordige knot met een kam vastgestoken, alsof hij een vrouw was. Hij moest hard gelopen hebben, hij hijgde ervan! Hij liep haar meteen een paar passen voorbij, en zette een schoteltje, dat hij in de hand hield, tussen de hoge wortels neer, waar de bloemen lagen, en de wierook gebrand was. Er zat melk in; maar het was bruin gekleurd met iets van koffie, of chocola, of Javaanse suiker misschien? Toen kwam hij naast haar staan, – sta stil! zei hij. Hij was erg kwaad; en zij stond toch al lang stil…
Zo bleven zij naast elkaar staan…
Na een tijd zag het meisje dat in een spleet van de boom, dicht bij de grond iets – langzaam en traag – bewoog, en toen naar buiten kwam… het was een slang… een gewone slang, geen zwart en witgeringde vergiftige, geen hele groene – een grote bruin met zwart getekende – een doodgewone slang…
Eerst was het alsof hij op haar af zou komen; hij schuifelde, bliksemsnel kronkelend, een eind vooruit, hief zijn platte kop op van de grond, en keek haar aan. De slang keek haar echt aan met zijn kleine glinsterende ronde ogen. En zij moest de slang ook aankijken, zij trok haar schouders op en haar hoofd in, en werd koud tot in haar binnenste.
Toen wendde de slang zich van haar af, en kroop naar het schoteltje met melk; maar hij dronk er niet van. Hij keek er alleen naar, kronkelde dicht om het schoteltje heen, en verdween meteen weer, lenig en vlug, in de spleet van de boom.
– Kom! kom gauw! de spèn boog de doornige takken van de haag voor haar open, en trok de takken daarna weer zorgvuldig naar elkaar toe. Het meisje liep stil en gehoorzaam achter hem aan, zij liep langzaam, en rilde soms even. In de grote tuin, onder de cocospalmen bleef zij staan.
– Je moest die slang doodslaan, spèn! zei zij.
Maar toen sprak de spèn, die anders nooit veel zei, en die nu niet eens behoorlijk aangekleed was, en op een vreemde oude vrouw leek met een klein blauw broekje aan en met een platte borst, haar boos en bestraffend toe:
– Wil je je mond wel eens houden! zei hij, pasop! als je dat nog eens zegt! Die slang woont daar, maar jij mag niet daarheen gaan! Je weet heel goed, dat het – verboden – is! en hij herhaalde nog eens, je mag niet meer daarheen gaan!
– Ik zal niet meer gaan, zei het meisje onderworpen, maar als de slang naar ons toekomt, naar het grote huis, wat dan?
– Deze slang komt niet in het grote huis, die gaat daar niet weg. Hij zei het zo verzekerd, dat zij hem dadelijk geloven wilde, en zij zuchtte van verlichting; maar tegelijkertijd moest zij er aan denken hoe de slang daar toch wel degelijk woonde! – vlak bij – in de spleet van de oude waringinboom, bij de rivier – met de bloemen, en de wierook, en het schoteltje melk, voor zijn hol. Zij zag het alles duidelijk voor zich.
– O spèn! riep zij, en sloeg haar handen in elkaar, nu heb je je bordje helemaal vergeten, en de slang heeft niet eens van zijn melk gedronken!
– Neen, zei de spèn kortaf, de slang wil niet drinken waar wij mensen bij zijn, dat doet de slang later, en kom nu! vooruit!
– Maar… maar… breng jij die slang dan altijd drinken… en ook bloemen, en ook wierook? vroeg zij stomverbaasd, maar waarom doe je dat?
– Dat de slang niet boos is op die in het grote huis wonen.
…Ja…ja…dat begreep zij wel.
– Breng je altijd alleen melk? zij hield zelf niet zoveel van melk.
– Melk, met wat koffie en suiker.
– Maar… waarom met koffie en suiker? vroeg het meisje, dat altijd alles zo graag precies weten wilde.
– Omdat die slang daarvan houdt, en zwijg nu maar verder! en kom!
Maar even daarna zei de spèn toch nog: – Het is beter niet over de slang te praten – met niemand – begrijp je dat? of begrijp je dat niet?
Jazeker begreep zij dat.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: