28 JULI – COEN VAN VEENHUIJSEN

Coen van Veenhuijsen (Deventer, 28 juli 1886 – Haarlemmermeer, 8 december 1977) was een Nederlandse polsstokhoogspringer, lid van het Deventer U.D., die deel uitmaakte van de Nederlandse afvaardiging naar de Olympische Spelen van 1908 in Londen. Van Veenhuijsen wist zich op de Spelen niet te plaatsen voor de finale van het polsstokhoogspringen, omdat hij in zijn poule niet verder kwam dan een sprong van 2,89 meter. De 21-jarige Van Veenhuijsen eindigde daarmee in de eindrangschikking op de veertiende plaats, net voor landgenoot Bram Evers die 2,82 meter sprong. Enkele jaren later verhuisde hij naar het westen van het land en werd lid van A.A.C. De Spartaan in Amsterdam. Hij was één van de eerste officiële recordhouders van Nederland. In 1911 verbeterde hij het toenmalige record van 3,08 tot 3,12 meter. Dit record hield drie jaar lang stand. In 1913 werd hij met een sprong van 3,07 meter Nederlands kampioen. Uit de beginperiode van de Nederlandse atletiek staat van Coen van Veenhuijsen een betere polshoogprestatie in de boeken. In 1908 sprong hij 3,30 meter, maar in die tijd werd in Nederland nog vanaf een plank gesprongen en werd de hoogte nog niet aangegeven met een lat maar door een touw. Nadat de Nederlandse ploeg bij de Olympische Spelen in Londen bij alle atletieknummers hardhandig met de neus op de feiten was gedrukt, werden in Nederland nieuwe wedstrijdbepalingen ingevoerd. Bij het polsstokhoogspringen werden plank en touw verbannen.

Historisch en atletisch hebben polsstokhoogspringen en polsstokverspringen (ook bekend als fierljeppen) veel gemeen. Beide hebben hun oorsprong in de noodzaak die er in gebieden van weilanden met veel sloten was, om makkelijk over deze sloten heen te kunnen springen. Echter, het polsstokverspringen ontwikkelde zich slechts lokaal als sportieve activiteit met voornamelijk beoefenaars in de Nederlandse provincies Friesland, Groningen, Utrecht en Zuid-Holland. Het polsstokhoogspringen daarentegen heeft zich ontwikkeld op internationaal niveau. Al in 1812 vinden in Engeland (waar anders dan in deze bakermat van allerlei sporten) de eerste wedstrijden plaats. Op 6 oktober 1849 vestigde ene Francis Temple met 3.15 meter het eerste officieel geregistreerde record. Het zou nog ruim zestig jaar duren eer deze hoogte in Nederland werd gereikt. Op dat moment hadden de Engelsen springers de grens van vier meter al overschreden. Vanaf 1857 maakte de sport deel uit van de universiteitskampioenschappen van Cambridge en tot eind van de eeuw zal de sport dan ook helemaal gedomineerd worden door de Engelse springers. Daar komt verandering nadat het in 1896 een Olympische discipline is geworden. Vanaf 4 juli 1891 heeft de Engelsman Richard Dickinson met een spong over 3.58 meter het wereldrecord in handen, een record dat zeven jaar stand zal houden. Om duistere reden hebben de Engelsen atleten geen zin aan de Spelen deelt te nemen. Bij het polsstokhoogspringen zijn er slechts vijf deelnemers. Het eerste goud gaat naar de Amerikaan Welles Hoyt, die over 3.30 meter sprong, de zilveren medaille is voor zijn landgenoot Albert Tyler die over 3.20 reikte. De drie Griekse deelnemers kwamen niet verder dan een bescheiden 2,60 meter. In 1898 maakt de Amerikaan Raymond Clapp definitief een eind aan de hegemonie van de Engelsen door over een hoogte van 3.62 te springen. Zes jaar later doet landgenoot Norman Dole daar in een klap zeven centimeter bovenop, maar twee maanden later evenaart de Fransman Fernand Gonder dat record. Die zal al weer snel onttroond worden doordat vanaf 1906 uitsluitend nog met de bamboestok zal worden gesprongen. Het traditionele materiaal waarmee Gonder en voorganger sprongen, voldoet niet langer. De klautertechniek, waarmee de atleet zich omhoog trekt door zijn beide handen meerdere malen over de stok te verplaatsen, is ook niet langer toegestaan. Vanaf de eeuwwisseling is de discipline vooral een Amerikaanse aangelegenheid, met korte onderbrekingen van de Noord Charles Hoff (1922-1925) en de Fin Pentii Nikula (1962). Vanaf 1969 domineren de Russen en Fransen het nummer. Er is inmiddels een bescheiden club (23 personen), die de grens van zes meter bedwongen. De legendarische Sergej Boekba is inmiddels onttroond door de Fransman Renaud Lavillenie. In Nederland staan de record op 5,85 meter van Menno Vloon (outdoor) en 5,75 meter van Rens Blom (indoor); bij de vrouwen zijn de records in handen van Femke Pluin met 4,55 meter (outdoor) en 4,50 meter (indoor). Hoogtes waar onze Van Veenhuijsen niet eens durfde te dromen.

Polsstokhoogspringen tijdens de Tweede Nationale Sportdagen van de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding van 26 september tot en met 4 oktober 1909 in Park Zorgvliet, Den Haag.

Advertenties
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: