ODALISKEN – 024

De Franse schilder en beeldhouwer Jean-Léon Gérôme (Vesoul, 11 mei 1824 – Parijs, 10 januari 1904) is in deze serie al enige malen langsgekomen. In Odalisken 16 ging het over een schilderij dat hij in 1876 maakte van een bad in een Turkse harem. In Odalisken 17 stond La grande piscine à Bursa (70 x 100 cm) centraal dat hij in 1885 schilderde en dat in datzelfde jaar in de Salon de Paris werd tentoongesteld en in Odalisken 21 het beroemde/beruchte Phryne voor de Areaophagus, dat bij de presentatie nogal wat opzien baarde. Het schilderij geldt met enkele andere schilderijen van Gérôme als één van de grote iconen van de negentiende eeuwse oriëntalistische schilderkunst. Gérôme is dan ook wel de erkende meester in de oriëntalistische schilderijen, die eind 19e eeuw zeer populair waren. Tegenwoordig wordt er sceptisch tegen het geschilderde aangekeken en een enkele keer wordt er zelfs misbruik van gemaakt om een verderfelijke politieke boodschap uit te dragen. Wat ook bij het schilderij De Slavenmarkt het geval is. De schilderijen van Gérôme en anderen weerspiegelen perfect met welke gekleurde bril door hen en hun tijdgenoten naar het Midden-Oosten werd aangekeken. Daarbij zaten behoorlijk wat vooroordelen, maar ook tegelijkertijd waren de schilders ook bewonderaars van de nog steeds grotendeels onbekende wereld. Velen hadden langdurig door de landen gereisd en veel kennis opgedaan over deze samenlevingen.
Jean-Léon Gérôme schilderde De Slavenmarkt in 1866. Het is onduidelijk waar het tafereel het best gesitueerd moet worden, waardoor meestal wordt aangeven dat het een setting in het Midden-Oosten of Noord-Afrika is. Een enkeling specificeert echter dat de scene zich in Egypte, meer specifiek de slavenmarkt van Caïro, moet afspelen. Het laat een naakte, blanke slavin zien waarvan door de man wordt gecontroleerd of ze goede tanden heeft. De Franse fotograaf Maxime du Camp, die vele reizen had gemaakt en daarover enkele reisboeken had gepubliceerd, zei ervan overtuigd te zijn dat de schilder ter plaatse in Caïro de (waarschijnlijk Abyssijnse en erg kostbare) slavin moet hebben geschilderd. Hij schreef verder: ‘She is nude and being displayed by the djellab, who has the fine head of a brigand accustomed to every sort of abduction and violence; the idea of the eternal soul must not very often have tormented such a bandit. The poor girl is standing, submissive, humble, resigned, with a fatalistic passivity that the painter has very skillfully rendered.’ Het schilderij heeft als centrale gedachte dat vrouwen in de islamitische wereld amper enige bewegingsruimte hadden. De vrouwen werd slechts een passieve sexualiteit toegeschreven. Mannen kwamen in dit soort schilderijen slechts voor met een gewelddadige uitstraling en/of met seksuele bedoelingen.
Het schilderij werd op 23 augustus 1866 gekocht door Adolphe Goupil, die het een jaar later liet tentoonstellen in de Salon de Paris. Daarna werd het schilderij enkele malen verkocht tot het in 1930 door Robert Sterling Clark werd gekocht. Die maakte het in 1955 een deel van zijn collectie in het Clark Art Institute. Dit instituut nam dit jaar nog fel stelling tegen het optreden van de neo-nazipartij AdD uit Duitsland, die in haar campagne voor de Europese verkiezingen het schilderij gebruikte om haar racistische en anti-islamitische boodschap te uiten.
.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: