ALEXANDER IDENBURG

46e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Alexander Willem Frederik Idenburg (Rotterdam, 23 juli 1861 – Den Haag, 28 februari 1935) was de zoon van een scheeps- en huisarts. Hij bezocht in Utrecht de lagere school en HBS en werd als zestienjarige naar Breda gestuurd om daar aan de Koninklijke Militaire Academie een opleiding te volgen tot officier bij het wapen der genie van het Indische leger. In 1881 werd de twintigjarige Idenburg benoemd tot tweede luitenant; eind 1882 vertrok hij naar Indië, waar hij aanvankelijk diende in het korps genietroepen. In 1883 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en in 1885 volgde overplaatsing naar de gewestelijke geniedienst te Soerabaja. Van 1886 tot 1889 was hij adjudant van de commandant van het korps genietroepen. In 1889 werd Idenburg overgeplaatst naar de gewestelijke geniedienst in Atjeh. In 1892 volgde de bevordering tot kapitein. In de periode 1883-1892 nam hij deel aan militaire campagnes in van Borneo (1884) en Atjeh (1889-1890) zonder rechtstreeks bij gevechtshandelingen betrokken te zijn. In 1894 ging hij voor een periode van twee jaar met verlof naar Nederland, maar in 1896 was hij weer terug in Indië terug. Hij werd eerst te werk gesteld bij het Departement van Oorlog te Weltevreden en werd kort daarna benoemd tot lid van de generale staf. Vanaf 1896 tot 1901 was Idenburg adjudant van verschillende commandanten van het Indische leger. In 1901 werd hij eervol uit de militaire dienst ontslagen. Afkomstig uit een orthodox-protestants milieu trad Idenburg spoedig na zijn aankomst in Indië tot de Gereformeerde kerk toe. Zijn streng christelijke levensovertuiging baarde in de Indische samenleving van die dagen wel enig opzien. Zo weigerde hij als jong officier de zondagse recepties van meerderen bij te wonen. Te Batavia was hij ouderling en ging hij bij afwezigheid van de predikant in 1899 gedurende een aantal maanden voor bij godsdienstoefeningen in de Kwitang-kerk.

Idenburg heeft bijna een kwarteeuw lang, van 1901 tot 1924, het koloniale beleid van Nederland mede bepaald. Na terugkeer in Nederland in 1901 werd hij direct namens het kiesdistrict Gouda afgevaardigde naar de Tweede Kamer. Daar presenteerde hij zich daar als iemand met een grondige kennis van de situatie in Indië. Al een jaar later volgde hij de overleden Minister van Koloniën op in het Kabinet-Kuyper. Die functie bekleedde hij tot 1905, toen het Kabinet-De Meester aan de regering kwam. Idenburg was de eerste Nederlandse minister die actief de zogenaamde ethische politiek ten uitvoer bracht. Via deze nieuwe politiek werd er onderzoek gedaan naar de slechte sociale positie van de Javaanse bevolking en er kwam meer aandacht voor het onderwijzen van inlandse kinderen. Niet verbazingwekkend is dat Idenburg daarbij speciale aandacht had voor het christelijk onderwijs. Hij wilde ook op westerse leest geschoeide wetgeving voor de inlandse bevolking, die reeds het eigen adatrecht had. In een vergadering in de Tweede Kamer op 26 november 1902 over het ‘inlands’ onderwijs had Henri van Kol van de SDAP een pleidooi gehouden om een studiebeurs te geven aan Raden Adjeng Kartini en haar zus Raden Adjeng Roekmini, zodat beide in Nederland een opleiding zouden kunnen volgen. Minister Idenburg stemde in met dat verzoek, omdat dit aansluit bij zijn persoonlijke opvattingen over de ontwikkeling binnen Nederlands-Indië.

In 1905 werd hij benoemd tot gouverneur van Suriname; deze functie bekleedde hij tot 1908 toen hem werd gevraagd opnieuw Minister van Koloniën te worden in het Kabinet-Heemskerk. Ditmaal duurde zijn ministerschap maar een jaar, omdat hij in 1909 tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië werd benoemd. Hij zou deze functie tot 1916 bekleden. Zijn bewind in zowel Nederlands-Indië als Suriname kenmerkte zich door de bevordering van de economische ontwikkeling en maatregelen tot verhoging der welvaart van deze bevolking. Voor zijn ambtenaren voerde hij een zondagsregeling in en hij trad op tegen het houden van een de zondagse pasar (markt). Belangrijker nog was zijn opvallende houding ten aanzien van massabewegingen als de Sarekat Islam en Muhhamediyah. Ondanks felle protesten in de Europese pers en het Nederlandse parlement stond hij deze partijen toe omdat hij ze zag als het logische resultaat van ‘zijn’ ethische politiek. Deze uitingen van zelfbewustzijn en emancipatie diende volgens hem toegejuicht worden in plaats van tegengewerkt. Hij bewonderde de islam, waartoe steeds meer Indonesiërs zich bekeerde, om de geloofskracht die ervan uitging, hoewel de religie lijnrecht tegenover zijn persoonlijke christelijke geloofsovertuiging stond. Hij was ook van mening dat de islam niet te verenigen was met de fundamenten van het westers onderwijs en westerse democratie. Daarentegen stond hij voor een politiek van associatie, waarbij de inlanders via westers onderwijs toegroeiden naar moderniteit, welvaart en beschaving, met behoud van de eigen cultuur. Hij stond op zeer goede voet met de islamitische elite in Indië, maar ook met Christiaan Snouck Hurgronje. Dat betekende voor hem een scheiding tussen de islam als persoonlijke religie en de islam als politieke doctrine, waarvan de laatste fel bestreden moest worden. Eind 19e eeuw was juist het panislamisme in opkomst, uitgeroepen door de Turkse kalief, Abdülhamit II. Deze stelde dat alle moslims ter wereld zich politiek moesten verenigen en moesten streven naar omverwerping van het westerse gezag. In 1914 riep de kalief zelfs een jihad uit om de moslims in de westerse koloniën op te zetten tegen de overheden waarmee Turkije en Duitsland op dat moment in oorlog waren. Veel politici en ambtenaren in Nederland vreesde dat het kon leiden tot radicale islamitische uitingen. Idenburg besloot tot een eenmalig verbod van de jaarlijkse hadj naar Mekka om te voorkomen dat de Indische moslims daar in aanraking kwamen met de ideologie van het panislamisme en de jihadgedachte. In de daarop volgende jaren stapte Idenburg steeds meer af van zijn eerdere associatie-gedachte omdat hij tot de conclusie was gekomen dat de Westerse en Oosters cultuur niet met elkaar te verenigen zouden zijn. Wat dan vervolgens wel de vraag opriep hoe binnen het Nederlandse koninkrijk dan toch ook Oosterse culturen konden leven. Idenburg pleitte daarop voor een model van culturele synthese, uitgewerkt door A.A.A. de Kat Angelo in 1929 in het document Bestuur en Beleid werd uitgewerkt.

Alexander Idenburg stond welwillend tegenover partijen als Sarekat Islam en Muhhamediyah, maar was beducht voor de Indische Partij, de die sterk anarchistisch-nationalistische politiek voorstond. Hij was een kalm bestuurder, een man van behoedzame koers en een realpolitiker die eerste alle zaken goed in kaart bracht voordat hij een beslissing nam. De Indische Partij werd door hem verboden en verbannen, omdat hij deze als ondermijnend inschatte en niet bereid mee te gaan in de door hem verlangde koers.Voor alle andere partijen gold echter dat hij er steeds in slaagde vriend en vijand aan zich te binden.

In 1918 werd hij voor de derde keer Minister van Koloniën, ditmaal in het Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck. In 1919 moest hij echter om gezondheidsredenen aftreden. Wat hem echter niet belette daarna nog een behoorlijke verdere politieke loopbaan te hebben. In 1920 werd Idenburg door de Provinciale Staten van Zuid-Holland benoemd tot lid van de Eerste Kamer, waarin hij vijf jaar zitting had. In 1924 werd hij benoemd tot lid van de Raad van State en in 1925 werd hij benoemd tot Minister van Staat. Idenburg was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, werd tijdenszijn verblijf in Suriname benoemd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en kreeg het Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw bij zijn aftreden als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Daarnaast waren er de nodige buitenlandse onderscheidingen. Alexander Idenburg huwde op 24 augustus 1882 met zijn nicht Elise Duetz. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan slechts twee dochter en een zoon niet jong zouden overlijden.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: