CHARLES WELTER

48e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Charles Welter (Den Haag, 6 april 1880 – Den Haag, 28 maart 1972) was een Nederlands politicus met een indrukwekkende staat van dienst, waaronder vijf maal minister van het ministerie van Koloniën. Het ministerschap voor Koloniën vloeide eigenlijk logisch voort uit zijn opleidingen en vroegere functies. Na de HBS schreef Welter zich in 1898 in bij het Indisch Instituut te Delft voor een driejarige opleiding voor het grootambtenaarsexamen voor de Indische dienst. Na afronding startte hij zijn ambtelijke loopbaan bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar in het najaar 1902 vertrok bij naar Nederlands-Indië. Zes jaar lang werkte hij op Java als (aspirant-)controleur in de residenties Kedoe en Pekalongan, waarmee hij veel ervaring opdeed over de Indische plattelandssamenleving. In 1908 volgde Welters overplaatsing naar de Algemene Secretarie te Batavia. In 1911 ging hij met ziekteverlof naar Nederland en werd daar gedetacheerd op het ministerie van Koloniën. In 1915 keerde hij terug naar Indië, als ambtenaar van het Algemeen Secretariaat belast met speciale opdrachten. Zo moest hij onderzoek doen naar de wenselijkheid om op Java regentschapsraden in te voeren en was hij betrokken bij de herziening van de grondslagen van de staatsinrichting van Nederlandsch-Indië. De commissie waarin Welter zitting had stelde voor de Volksraad te promoveren van adviserend naar medewetgevend orgaan en deze Volksraad bijna geheel te laten bestaan uit gekozen personen vanuit de inlandse bevolking gekozen. In een minderheidsnota pleitte Welter voor terughoudendheid omdat gewaarborgd moest blijven dat de niet-inheemse inwoners ‘een passende vertegenwoordiging’ moesten behouden. Welter had inmiddels snel carrière gemaakt, resulterend in de benoeming op 17 april 1921 tot Algemeen Secretaris, waardoor de 41-jarige Welter aan het hoofd kwam te staan van het gehele administratieve bestuur in Indië. In 1924 werd hij benoemd tot lid van de Raad van Nederlandsch-Indië.

Per 26 september werd hij voor de eerste maal minister van Koloniën, in het eerste kabinet-Colijn. Dat ging nog niet echt van harte; slechts na stevig aandringen van W.H. Nolens, leider van de RKSP waarvan Welter lid was, had hij het verzoek van Colijn aanvaard. Waarschijnlijk had hij daar al snel spijt van, want al op 11 november 1925 werd het kabinet demissionair, nadat men in de Kamer gestruikeld was over de discussie over het gezantschap bij de paus. Welter nam per direct zijn plaats in de Raad van Nederlandsch-Indië weer in, vanaf 1929 als vice-president. Daar zette hij zijn reactionaire standpunt steeds uiteen. Welter zag weliswaar de noodzaak in om tegemoet te komen aan de politieke en nationale aspiraties van de Indonesiërs, maar het behoud van de vooraanstaande Nederlandse positie stond voor hem steeds voorop. Van de Volksraad, die al steeds meer inheemse inbreng had gekregen, vreesde hij een polarisatie tussen inheemsen en niet-inheemse bevolking. Hij pleitte voor krachtiger regionale bestuurseenheden door middel van de regentschapsraden om daarmee de politieke verlangens van de inlandse bevolking van het centrum naar de periferie om te buigen. In maart 1931 nam Welter ontslag als lid van de Raad van Indië, omdat hij besloten had zijn langdurige en inspannende carrière in de tropen te beëindigen en definitief terug te keren naar Nederland.

14 mei 1932: Opening van de Indische tentoonstelling in het Westbroekpark door prinses Juliana. Links de oud-minister van Koloniën Charles Welter en rechts de burgemeester van Den Haag, Lodewijk Bosch van Rosenthal.

Het ambteloos bestaan stond hem al snel tegen en binnen de kortste keren was hij ambtelijk actief. Zo werd hij voorzitter van de staatscommissie die met voorstellen moest komen tot verlagen van de rijksuitgaven. In november 1929 was namelijk de beurs van New York gecrasht en al een jaar later was de werkloosheid in Nederland dramatisch opgelopen. Voor de rijksbegroting voor 1932 werd een tekort van 75 miljoen geraamd. Het betekende dat niet langer kon worden volstaan met begroting ‘aangepast aan de verminderde welvaart’, maar dat conform de toenmalige begrotingswijsheid drastisch moest worden bezuinigd op de overheidsuitgaven. Het kabinet nam, vooruitlopend op het advies van de commissie: een flinke belastingverhoging op de benzineprijzen, salarisverlaging voor alle ambtenaren, een verhoging van de invoerrechten. In het voorjaar van 1932 kwam de commissie Welter met haar rapport van niet minder dan 450 pagina’s. Er werd voorgesteld de rijksbegroting, die 590 miljoen bedroeg, met maar liefst eenzesde te verlagen, als ‘eerste schrede op de moeilijke weg der budgetverlaging’, die snel door een tweede en niet minder vergaande stap zou moeten worden gevolgd. Met dat rapport in handen zette het kabinet een begroting in elkaar waarin werd bezuinigd op ambtenarensalarissen, verzekeringsfondsen, de vloot en het onderwijs. Verder werden de belastingen en (opnieuw) de invoerrechten verhoogd. De communistische Kamerleden scholden tijdens de Troonrede op ’de hongerregering van Ruys’. Op straat scandeerden demonstrerende sociaal-democraten: ’Wie brengt honger in ons huis? Dat is Ruys, Ruys, Ruys! Wie maakt onze centen zoek? Dat is Ruys de Beerenbrouck!’. In 1933 en 1934 volgde onrustige jaren, met onder meer de muiterij op de Zeven Provinciën (1933) en het Jordaanoproer (1934). De crisis hield in Nederland lang aan, met name door de extreem lang volgehouden weigering van het kabinet om de gulden los te koppelen van de goudvoorraad.

Welter ondervond geen nadelige gevolgen van zijn voor de bevolking fatale advies. In 1933 werd hij benoemd tot voorzitter van de Ondernemersraad voor Nederlands-Indië. In de jaren 1936 en 1937 maakt hij deel uit van een economische missie naar Zuid-Amerika onder leiding van oud-minister H.A. van Karnebeek. Daarna leidde hij een tweede bezuinigingscommissie en in 1937 werd hij voor de tweede maal minister van Koloniën in het kabinet Colijn IV. Consequent handelend volgens zijn eerdere besluiten wees hij een dominion-status van Nederlands-Indië af af. In de jaren 1939-1941 was hij drie opeenvolgende maar minister van het geliefde ministerie, in elkaar snel opvolgende kabinet. In november 1941 trad hij af als minister van het in Londen zetelende oorlogskabinet Gerbrandy vanwege een conflict met de minister-president. Daarbij zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld dat Welter niet onsympathiek stond tegen het met de Duitsers collaborerende bewind van Pétain in Frankrijk. Van februari 1942 tot augustus 1943 verbleef Welter in Brits-Indië als Nederlands vertegenwoordiger in de Eastern Group Supply Council, de economische oorlogsraad ter voorziening in de behoeften van de geallieerden in het Verre Oosten. In 1944-1945 maakte hij in opdracht van de regering een economische oriëntatiereis naar Zuid-Amerika.

1937: kabinet Colijn IV, met derde van rechts Charles Welter.

In 1945 teruggekeerd in Nederland werd Welter benoemd tot lid van de Eerste Kamer voor de Katholieke Volkspartij. In maart 1946 maakte hij deel uit van de parlementaire commissie van onderzoek naar het beleid van de Nederlandsch-Indische regering. De door Van Mook gevoerde politiek werd door hem voor de Nederlandse positie in Indië rampzalig geacht; dat de KVP met de Partij van de Arbeid samenwerkte in een regering die Van Mooks beleid in grote lijnen steunde, ondervond bij hem dan ook steeds krachtiger tegenstand. Vanaf begin 1947 ageerde binnen de KVP het Voorlopig Katholiek Comité van Actie tegen het Indonesië-beleid van de ‘rooms-rode coalitie’. In 1948 nam dit comité met een aparte lijst-Welter deel aan de Tweede Kamerverkiezingen, die één zetel opleverden, op 11 december 1948 gevolgd door de oprichting van een aparte partij, de Katholiek Nationale Partij. Welter, die de enige Kamerzetel bezette, werd ook de eerste algemeen voorzitter van de KNP. Nauwe banden heeft hij in de jaren 1946 tot 1950 ook onderhouden met het Nationaal Comité ‘Handhaving Rijkseenheid’, waarin hij met P.S. Gerbrandy, F.C. Gerretson en J.W. Meyer Ranneft tot de kopstukken behoorde. Aanvankelijk had Welters partij nog enig electorale winst, waarbij hun afzetten tegen samenwerking met de sociaal-democraten het belangrijkste punt van onvrede was met de KVP, de ‘moederpartij’. Nadat het kabinet Drees was gevallen en er geen nieuwe samenwerking met de socialisten kwam, stond niets een terugkeer naar de KVP in de weg. Van 1956 tot 1963 optredend als Kamerlid voor de KVP heeft Welter dan ook weinig moeite gehad zich binnen de partijlijn te schikken. In 1963 nam Welter, inmiddels 83 jaar, definitief afscheid van de politiek.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: