STANLEY BROUWN

Stanley Edmund Brouwn (Paramaribo, 25 juni 1935 – Amsterdam, 18 mei 2017) was een Nederlands conceptueel kunstenaar van Surinaamse afkomst. Hij woonde en werkte vanaf 1957 in Amsterdam. Brouwn ontwikkelde zich als kunstenaar als autodidact en werkte vooral op het gebied van performance en conceptuele kunst. Zijn conceptuele werken werden vaak in boekvorm gepresenteerd. Het centrale thema in Brouwns werk is het overbruggen en opmeten van afstanden. In zijn vroege werk is hij sterk gericht op de interactie met het publiek. Hij laat passanten een route uitleggen of voetafdrukken achterlaten op vellen papier. Deze werken visualiseren voor Brouwn de begrippen afstand en richting. Sinds het begin van de jaren zeventig maakt hij werken die ontstaan door het tellen van voetstappen die hij binnen een bepaald tijdsbestek op een bepaalde plaats of in een bepaalde richting zet. Hij legt de verhoudingen tussen tijd, ruimte, afstand en richting met precisie vast. De alledaagsheid van het lopen wordt door hem benadrukt. ‘Het is niet uitgesloten’, schrijft hij in 1971, het is zelfs zeer waarschijnlijk, dat ik alle projecten, welke ik gedurende mijn leven zal realiseren, zal kunnen samenvatten onder één titel, namelijk de volgende: Man loopt op de planeet aarde.’ Voor zijn project ‘this way brouwn’ spreekt hij willekeurige voorbijgangers aan op straat en vraagt hen een bepaalde route te beschrijven en te schetsen. Er zijn verschillende versies van ‘this way brouwn’. Ze verschillen sterk van elkaar omdat ze door verschillende mensen zijn getekend. Vaak bestaat een werk uit niet meer dan een wit velletje papier, niet groter dan 35 x 33 cm., met daarop wat zwarte lijnen. Soms met een enkele staatnaam of belangrijk gebouw. Onder aan het papier zijn de woorden THIS WAY BROUWN met behulp van een stempel op het papier gedrukt. Er is door Brouwn geen selectie gemaakt, elke tekening is even goed. Hij heeft het uitgangspunt bedacht en iemand anders heeft het uitgevoerd. Het idee dat aan het kunstwerk ten grondslag ligt, is dus belangrijker dan de uitvoering ervan. Door deze werkwijze wordt Brouwns werk gerekend tot de conceptuele kunst.

Stanley Brouwn cijferde zich graag af van de buitenwereld. Er zijn een paar foto’s van hem, aan interviews deed hij niet en hij vernietigde het vroege werk grotendeels. Eind jaren zestig, de hoogtijdagen van de conceptuele kunst, begon de kunstenaar met het aankopen van een vierkante meter grond in ieder land op aarde. Stanley Brouwn koos ‘afstand’ en ‘maat’ als zijn materiaal. In de loop der tijd zou hij een geheel eigen maatsysteem ontwikkelen, dat gebaseerd was op zijn eigen lichaam en beweging: de sb-voet, de sb-el en de sb-stap. Hij zette deze af tegen het normale metrieke stelsel. In de jaren zestig en zeventig inventariseerde hij deze afstanden in een uitdijend archief. Later begon hij de afstanden in verschillende maten te reproduceren als stukken opgerold touw, in boeken of in metalen kubussen. Ook deed hij onderzoek naar in onbruik geraakte maatsystemen. Bij een grote overzichtstentoonstelling in het Van Abbemuseum in 2005 konden bezoekers bij de lokale ijzerwarenhandel een stukje touw ter lengte van een ‘Eindhovense voet’ laten afknippen: een forse schoenmaat. Het consequent nadenken over- en werken met afstanden kreeg in de loop van de tijd steeds meer gewicht.

Stanley Brouwn werd uitgenodigd voor diverse internationale tentoonstellingen, waaronder enkele malen de documenta in Kassel en de Biennale van Venetië. In 1984-1985 maakte hij een project voor het beeldenpark van het Kröller-Müller Museum, bestaande uit tien tekstborden als markering bij de tien beginpunten van door hem gelopen afstanden in de beeldentuin. Het Kröller-Müller Museum bezit voorts een uitgebreide collectie werken van Brouwn. In 980 was hij de winnaar van de David Roëll Prijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds, in 1987bvan de Sandbergprijs en in 2000 van de Oeuvreprijs van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. In 2018 was gepland dat hij opnieuw (postuum) meedoen aan de Biënnale van Venetië, samen met twee andere kunstenaars van Surinaamse origine, Iris Kensmil (1970) en Remy Jungerman (1959). Omdat de weduwe Brouwn bezwaar had werden de minimalistische tekeningen van Brouwn teruggetrokken. Het bezwaar was gebaseerd op op de manier waarop Brouwn zijn hele leven had geleefd: geen interviews, zijn naam moest in kleine letters worden gespeld, zijn kunstwerken mochten niet op foto’s worden gereproduceerd en het werk en niet de persoon moest centraal staan. Bij de Biënnalewerd het werk wel opgehangen aan zijn persoon, iets wat de kunstenaar zelfwaarschijnlijk niet zou hebben gewild. Bovendien stelde de weduwe dat Brouwn zijn werk altijd via solotentoonstellingen wilde presenteren en eigenlijk nooit groepstentoonstellingen wilde doen. Hij vond het belangrijk dat zijn werk zo direct mogelijk gezien kon worden. Dat er niks tussen staat en in een groepstentoonstelling verandert de waarneming.

 

 

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: