DE SOEPLOODSOPROER

49e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Amsterdam heeft een lange geschiedenis van grote en kleine opstanden.De stad moest altijd zijn centjes bijeen sprokkelen door het heffen van accijnzen op meel, vlees, boter, wijn, turf, steenkool, brandhout, etcetera. Allemaal eerste levensbehoeften van de stedelingen. Daarnaast werden alle mogelijke opcenten bedacht, zoals bij verhuur en verkoop van onroerend goed en dan natuurlijk lig- en vrachtgelden voor binnenvaartschepen, marktgelden en sluis- en bruggelden. Niet verwonderlijk dat dit met enige regelmaat tot spanningen leiden. In de vorige aflevering is de Jordaanoproer (1934) beschreven, op 28 juni 1917 was er het Aardappeloproer (dat een week duurde en waarbij 9 doden en 114 gewonden vielen) en in juli 1886 vond het Palingoproer plaats, een heftig protest tegen het (verboden) volksvermaak van het trekken aan een levende paling, dat eindigde met vijfentwintig doden, veertig zwaargewonden en honderd lichtgewonden. Langer geleden vond  het Soeploodsoproer plaats, een protest tegen de Wet op de Personele Belasting uit 1833. Artikel 24 par.3 van de wet bepaalde dat de belasting van percelen met een huurwaarde van minder dan tachtig gulden per jaar door de eigenaars zelf moest worden opgebracht. De eigenaars hadden in beginsel wel de bevoegdheid het geld op de huurders te verhalen, maar als die huurders niet wilden of konden betalen, stonden ze machteloos. Ze misten het recht van parate executie ofwel hadden niet de bevoegdheid om bij huurders die in gebreke bleven zonder voorafgaand rechterlijk vonnis in het openbaar de inboedel te verkopen. Deze onroerendgoedbelasting konden huisjesmelkers in de praktijk niet doorberekenen aan hun huurders. De belasting moest daardoor door de verhuurders zelf worden opgebracht. De bewoners waren vaak gezinnen die de huur van ongeveer een gulden per week nauwelijks konden opbrengen. Ze werden dan ook in treffend Amsterdams ‘kale nakketikkers’ genoemd die in ‘dubbeltjeswoningen’ leefden. Uiteindelijk weigerden ongeveer vijfduizend verhuurders de belasting te betalen. De overheid had echter weinig medelijden met huurders noch verhuurders. Er moest betaald worden, anders zou worden overgegaan op beslaglegging. De huisjesmelkers, notabele huiseigenaren en huurders sloten de handen ineen en vormden een coalitie. Ze kwamen een weduwe en eigenares van verschillende huisjes te hulp toen er beslag werd gelegd op de inboedel van haar garen- en bandwinkel. Ook zorgden de opstandige huisjesmelkers voor grote onrust toen de in beslag genomen inboedel van een andere huiseigenaar werd geveild. De regering had echter geen compassie met bijvoorbeeld een timmerman uit de Bloemstraat en de opstandige apotheker de Jong van de Haarlemmerdijk, die in een club van huisjesmelkers zitting namen. ‘Ze kenne het lazerus krijge!, klonk het in de kroegjes. Huurders en huiseigenaren trokken gemeenschappelijk op tegen de klabakken. De burgemeester kwam persoonlijk poolshoogte nemen in de Bloemstraat, waar hem werd toegeroepen dat hij beter even naar boven kon kijken. Daar stonden de Jordaners met hun traditionele wapens (dakpannen) gereed om tot actie over te gaan. De veiling ging niet door en de inboedel werd opgeslagen in de soeploods op de Herenmarkt. Deze soeploods werd in de winter gebruikt als uitdeelplaats van eenvoudige Rumfordse soep aan de armen. Dat was een voedzame soep van runderbeenderen, erwten en gort, vernoemd naar de bedenker, de graaf van Rumford.

Op 3 juli 1835 stonden ongeveer zestig schutters om de soeploods om de door de deurwaarder opgeslagen inboedel van huisbaas Blokhoff te bewaken. De lucht betrok en een zomerse regenbui bewoog de schutters om binnen te schuilen. Even letten ze niet meer op de straten buiten, hét moment voor een boze menigte om zich rondom het gebouw te verzamelen. Ze hadden duidelijk kwaad in de zin en stonden klaar om de soeploods in brand te steken. Met behulp van de terpentijn van apotheker De Jong stond het gebouw binnen de kortste keren in vuur en vlam. De schutters moesten verrast vluchtten. De autoriteiten hadden de situatie niet meer in de hand. Omdat de garnizoenscommandant, kolonel Hodshon, niet in de stad was, hij was er even tussenuit naar Haarlem, greep het leger pas in toen alles voorbij was. Driehonderd schutters en garnizoenssoldaten werden daarbij ingezet om de orde te herstellen. De affaire leidde tot het ontslag van burgemeester jhr. Frederik van de Poll. Kolonel Hodshon kreeg een koninklijke berisping wegens ‘gebrek aan voorzorg en veerkracht’. Toen de soeploods volledig was afgebrand, rukten hulptroepen uit Den Haag uit – de commandant was er namelijk even tussenuit in Haarlem. Na de brand volgden nog twee weken vol ongeregeldheden. De regering ergerde zich eraan dat belastingmaatregelen met behulp van 1400 man infanterie, twee eskadrons cavalerie en enkele batterijen artillerie moesten worden afgedwongen en Amsterdam was verontwaardigd, omdat Den Haag de stad als onbestuurbaar bestempelde.Daar leek het ook wel erg op. Een relletje van volksjongens en knechten van huisbazen liet het coterieënbestuur in al zijn voegen kraken. Tijdens het oproer gingen de stedelijke gezagsdragers rustig naar hun buitenhuizen, ver van het geweld en het gepeupel. Het stadsbestuur ontwikkelde geen enkel beleid om oproer te voorkomen en reageerde uitsluitend op incidenten die altijd een financiële aderlating voor het volk als aanleiding hadden en als vonk in het kruitvat werkten. Uiteindelijk werden de aanstichters van het Soeploodsoproer gestraft met jaren tuchthuis en kon burgemeester Frederik van der Poll (1780-1853) een andere baan gaan zoeken. Van de Poll was lid van een voorname Amsterdamse regentenfamilie, die vanaf 1814 bestuurs- en belastingfuncties in Noord-Holland had, van 1826-1829 lid was van de Tweede Kamerlid en na na oneerval ontslag in 1839 weer rustig terugkeerdein het parlement. Hij stak later de eerste spade in de grond voor de drooglegging van de Haarlemmermeer en werd in 1840 benoemd tot Gouverneur van de provincie Utrecht. Thorbecke vond hem te conservatief en ontsloeg hem in 1850. De oproerlingen waren oorspronkelijk ook van plan het huis van burgemeester Van der Poll in de fik te steken, maar dat ging door de komst van de hulptroepen niet door. Kolonel Hodshon kreeg een koninklijke berisping wegens ‘gebrek aan voorzorg en veerkracht’. De loods werd herbouwd en deed tot 1907 dienst als verkooplokaal voor meubelen. Nu is het een vredige kinderspeelplaats op de Herenmarkt in Amsterdam.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: