KINDERRAMPEN (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (3)
EERDERE AFLEVERINGEN

Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een brave jongen, zo braaf, zo zoet, zo gehoorzaam, zo knap en zo goedleers, dat gij hem met plezier een paar blauwe ogen zoudt slaan, als gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wie na te volgen u pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk een samenspraak is heen gevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij ook al geen de minste sympathie gevoelt, al ‘staan zij ook waarlijk verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man’, daar vader Eelhart of Braafmoed van verhaalt. Het volgende uur hebt gij geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zo gij groot schrijft, het woord wederwaardigheid opmerkelijk door twee moeilijke W’s, zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tussen de lijn: Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid; bij welke gelegenheid gij in twee regels het lidwoord der hebt overgeslagen, wat ten gevolge van de laatste lettergreep van het woord moeder zeer licht gebeuren kon, en eenmaal voorwijzigheid in plaats van voorzichtigheid hebt gezet, welke omstandigheden, zo ieder op zichzelf als in onderling verband, u enigszins angstig doen denken aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen doen. Om niet te spreken, dat gij gekweld zijt geweest met een linkse pen, ontelbare haren in de inkt, een klad of drie, met kunstenaars achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet, dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken door een ondermeester, die even zo ver is in die kunst als gij in ’t schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten, lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zo dikwijls te vroeg is gekomen. Nu komt het rekenboek. Merk op, dat gij in den loop van de morgen tweemaal op ’t bord zijt geschreven: eens, omdat gij met uw rechter buurman een verdacht gefluister hebt aangevangen, dat evenwel over niets liep dan over goedkope ballen in de Wijde Appelaarsteeg, en eens, omdat gij aan uw linker dito een albasten knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder een enig rood aartje, van welk delict het corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke onzekerheid of gij het ooit terug zult zien. Vat dit alles tezamen, en sla dan uw rekenboek op, dat u sart met de 13de som, waarin u, om u of ’t ware te tantaliseren, met de grootste koelbloedigheid een mooie voorstelling gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf, die tezamen zouden knikkeren, en waarvan de ene bij den aanvang van ’t spel bezat 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50, de vierde – neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u bij in de ogen; maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan nog wel te cijferen. Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste rekenboekmakers afstammelingen van koning Herodes zijn!

Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonneklaar blijken, dat de school de plaats niet is om het kinderlijk gemoed te doen overstromen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet, dat het denkbeeld daarvan ooit onder enig blond of bruin kinderhaar is opgekomen. Neen, neen! de school is zo goed als zij zijn kan. De school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zo aangenaam en dragelijk mogelijk gemaakt. Maar haar genoegens zijn ten hoogste negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisachtige, en de meester, met en benevens al de ondermeesters, iets van het vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van Van Alphen: Mijn leren is spelen wil er bij niet één kind in, zelfs niet bij het vlijtigste. Ik verbeeld mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben; maar toch, wanneer mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en tantes te vertellen, dat ik altijd blij was als de vacantie uit was, kwam mijn ganse gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertussen vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren nodig gehad, om zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te leren overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leerwijze, nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de blohartigste, als electriseeren.

kinderrampen 2Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters en soldaatjespelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze verwaande hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine evenredigheden van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwellen en schokken, en die niet zelden een grote en hevige invloed hebben op de vorming van het karakter. De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof van Pestalozzi en Prinsen, de school. Dat is een kanker; een dagelijks weerkerend verdriet. Een man met schuldeisers geplaagd ondervindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu, onze goede Hölty zelf kan niet nalaten aan ’t eind van zijn versje daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met het lot van uw telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot van uw kinderen. Zij moeten allen schoolgaan; dat is een natuurwet, zo zeker als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moeten; maar even gelijk wij, naar den gewone loop der dingen, niet sterven moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet, dat hun de school overviel vóór hun achtste, ’t Is wel aardig, en wij hebben het aan de veranderde uitspraak van de namen der medeklinkers te danken, dat zij op hun vijfde jaar met kleine Piet zeggen kunnen: ‘Nu kan ik al lezen’; maar ik weet niet of kleine Piet op zijn tiende jaar, in massa, zo veel meer geprofiteerd zal hebben dan een ander, die op zijn zevende of achtste begonnen is ‘met de spa’ te werken. Ik geef dit alleen in bedenking aan alle kinderminnende harten, en waag het niet, met zo weinig ondervinding als Hildebrand (de baardeloze Hildebrand, zullen de recensenten zeggen) in zo weinig jaren heeft kunnen opdoen, mijne mening te staven.

Om het onderwerp een wending te geven, en van een andere ramp uit het tranendal der kinderen te spreken, noem ik het wisselen der tanden. Waarlijk, lieve dame, die de wereld zoo trouweloos en de mannen zoo wuft vindt! la perte des illusions kan op uw jaren nauwelijks zo zwaar wegen als la perte des dents op de hunne. Herinnert ge ’t u nog wel? Gij voelde – neen, gij voelde toch niet; – ja, helaas, gij voelde maar al te zeker – dat gij een dubbele tand had. En de voorste zat zo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt gij uw leed; somtijds vergat gij het; maar zesmaal daags, midden onder uw spel, bij het genot van de lekkerste krakeling, onder ’t bewerken van de zoetste ulevel – daar stond weer eensklaps voor uw oog, die akelige, allerakeligste dubbelheid! – Uw enige troost was, dat de voorman vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze hoop aan de hand. De ondervinding leert het echter meestal anders. Op den zevende dag; het was een zondag; uw kleine theegoedje stond klaar op uw kleine tafeltje; en uwe stoeltjes stonden er bij klaar met twee poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje Keetje, die bij u te spelen kwam; en ’s avonds zoudt ge een tulbandje bakken van gestampte beschuit en melk; en een boterham met aardbeien zou alles bekronen. Met een grote schreeuw gaf gij uwe vreugde over het laatste artikel te kennen. ‘Laat ik je mond reis effen zien,’ zei mama; ‘wat? een dubbele tand?’ en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij op een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder uw kwelling nestig en kribbig zijn tegen Keetje, het tulbandje zou geen bekoorlijkheden voor u hebben, de aardbeien geen smaak; en ge zoudt naar bed gaan en dromen van den tandmeester! Vergeefs beproefdet gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen met den vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om eventuele pijn te vermijden, in een gans andere hoek van uw mond inbracht; aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch niet durfdet trekken. De tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij had voor u de verschrikkingen eens scherprechters. Hij veinsde maar effen naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk uit. Ondertussen was deze slinkse streek voor u een weldaad, die voor alle volgende keren verkeken was. Spreek mij niet van grote-mensen-jammeren! Zij halen niet bij deze. Geen koopman, die ‘op springen staat’, ziet met meer angst den dag tegemoet waarop hij zal worden ‘omvergegooid’, dan een blijde jongen of vrolijk meisje den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand!

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: