EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (6)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren, want ik ben nog zo jong; dat mijn neef Nurks mij op zaterdag de 14de Juli – gij kunt de almanak nazien of het uitkomt – weder een steen zond, die mij dan ook als zodanig op het hart viel. Hij zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en ’s avonds met den wagen van achten weer vertrekken. De uren daartussen zouden wij aan de vriendschap en het genoegen offeren. – Ondertussen had ik plan gemaakt voor een andere vriendschap en een ander genoegen. Ik had een Leidse makker bij mij gelogeerd, met wie ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, waar wij den nacht zouden doorbrengen om ’s morgens naar de Breezaap te gaan en aldaar wat te botaniseren, waarvan wij beide grote liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom verachten zal, naar de gewoonte van vele mensen, die aan de waarde en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn te beoordelen. Mijn neef Nurks behoorde tot dezulken.

Het opgemelde plan was met grote opgewondenheid en wederzijdse goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik beloofde mijnen medische student; wiens naam omdat hij bang voor recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te verzwijgen, en wie ik daarom voor ’t gemak Boerhave zal noemen; ik beloofde mijnen medische student, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis, op de weg tussen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook een verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of ’t zo niets is. Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden, en het ganse plan moest worden uitgesteld onder de voor ons verschrikkelijke gedachte, de gehele dag in Den Hout te zitten; want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.

De opoffering viel ons moeilijk, en ik verdacht de hupse Boerhave (die niet zoals ik de band des bloeds gevoelde, en daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap, die hij beoefende) van den heimelijke wens, dat mijn liefelijke Nurks, van wie hij zich half bij instinct, half door mijne kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tussen zaterdagavond en zondagochtend een kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem mocht doen besluiten tot een kort briefje op de eerste schuit enz.; maar i wenste hem op een allerliefste buitensociëteit vol ‘vermoakelijkheden’, of op een dolprettig diné aan den Berenbijt, met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander allergeestigst met het wederzijds ophemelen der beide sociëteiten plagen kon, tot grote bemoeilijking van de elfde man, die lid van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat ze de meerderheid hadden, maar de Munters niet afvallen, omdat ze de grootste heren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn vriend Nurks, die in de universaliteit van de elfde deelde, dan gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den ‘lastige dikke weerga’ (een oom van een der gasten), die altijd den Haarlemmer las als hij hem wou hebben, in de een, en ‘den onverdraglijke lange zwiep’ (een volle neef van een ander der aanwezigen), in de andere, die altijd pot maakte als hij pas begonnen was carambole te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag van den 15den Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.

onaangenaam mens 2‘Ha, hoe maakje ‘t, Rob!’ riep ik uit toen hij binnenstapte. ‘Mijn vriend, de student Boerhave, neef.’ – Was het valsheid dat ik hem hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg en de Breezaap heen en hij werkelijk dáár was, nam ik er den besten kant van; en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien.
‘Best, jongen; – mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van de Amsterdamse poort weer tegengevallen!’
‘Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn,’ merkte Boerhave aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad te tonen.
‘Ja, dat is zoo,’ zei Nurks, met een bijzondere kracht op ’t woordje is; ‘maar daarom juist, als men zo’n mal klein stadje als Haarlem de eer aandoet, wil men ’t liever niet.’
Nurks wierp een blik in den spiegel. Zijn ene halsboord had het door de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences; had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den rand van zijn strop.
‘Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde boorden.’
Boerhave en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren er mooi mee; hij verbeeldde het niet gezien te hebben.
‘Kanje nogal niet roken, Hildebrand?’
Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien aan.
‘Hebje nog altijd dat strooien soortje?’ zei hij, de punt van degene, die hij genomen had, met het ongelovigste gezicht van de wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende, daar hij nog niet genoeg van had: ‘Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet roken kan. Hij zit altijd met zijn vingers ergens aan. Ik ken nog iemand die nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld.’ Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel overlijden van die heer, denzelven in zijn hoge rang in de schatting van mijn neef op te volgen.

Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit enige informatiën naar wederzijdse kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen vriend vroeg, dien hij zeer wel kende, nodig had zijn geheugen op te scherpen met de herinnering, ‘of het die was, wiens broer die smerige affaire met de politie gehad had’, opdat Boerhave, die daartoe al den tijd had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen opvatten. Ik weet niet of hij het deed; maar kort daarop verliet hij ons een ogenblik om een knijpbriefjen af te vaardigen, welk punt destijds onmiddellijk door Nurks werd waargenomen, om mij met de aanmerking op te winden:‘Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op de hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht staat;’ – en toen ik grote ogen opzette, – ‘och ja, je weet wel, die lelijke kerel! net of hij een trap van een paard gehad heeft.’

Nu, op dat ogenblik kwam Boerhave weer binnen. Over de gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht, kon ik niet oordelen, omdat de respectieve aangezichten der respectieve schoenenjoden van Amsterdam mij niet duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in enige onvermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door den vleiende Nurks genoemd, was mij t’ eenenmale onmogelijk.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: