EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (6)
EERDERE AFLEVERINGEN

Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel beweerde hij de nadeligheid van de eerste zonder melk te drinken, waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij ’t altijd aan iemands teint zien kon ‘want het teint werd er lelijk van’; maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood, op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht geschikt om een medicinae candidatum in zijn studiën aan te moedigen, terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring ‘dat er niet één medicus in de wereld was, wien hij, Robertus Nurks, wat hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde’.

Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede dingen hebben hun gestelde tijd. De nachtegalen komen in ’t voorjaar, de vinken en lijsters in ’t najaar; de zon schijnt bij dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met de mensensoorten. Al wie met de duizend en een species van het genus Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar verschillenden wandeltijd hebben; iets, ’t welk zeer natuurlijk wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in ’t oog houdt dat er veel mensen naar de middagkerk gaan, terwijl een groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze speciës rangschikt, en men tevens acht slaat op de vreemde vogelen, die uit andere luchten op een zonnige zondag komen aanwaaien, dan zal men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der elkander, naar de schone vergelijking van Homerus, als boombladeren wegstotende geslachten in het bestaan van het mensdom, of aan die der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.

Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk verzuimt of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil) en om tien uren, half elf, in Den Hout komt, op het Plein of bij den Koekamp (de naam is niet welluidend), enige zwermen feestvierende vogels van de Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit Amsterdam vertrok ken. De mannetjes zijn blauw of zwart getekend en hebben sliknatte, fijn-gekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van lange Goudse pijpen, waaruit ze òf roken, òf die ze losjes bij den kop tussen de vingers houden en zo, met den steel naar beneden, onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zo dikwijls ze over een droppel water stappen, en dragen ’t geheel opgespeld als er wezenlijk plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gestadig uit haar zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken ’s middags, onder een kruik bier en een bosje scharren, aan de Groene Valk of in de Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit naar Amsterdam te vertrekken, terwijl intussen de toegeknoopte kinderluur van knapzak tot een korfje is omgeschapen, om ‘blommen’ in thuis te brengen, die drie wekenlang in een aarden melkkan zonder oor, in een klein winkeltje, of op de] bovenste trap van een kelder, hier zonder licht, en daar onder den frisse adem van een stinkend riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en hout slijt en tegelijk uit werken gaat.

Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in ’t voorbijgaan eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu’s, om zich te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de spijlen van het hek vastklemmen, zich bij geen mogelijkheid kunnende verklaren wat voor aardigheid of vrolijkheid er wezen mag in de groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in de frontispice ‘Wullem’ beduidt.

onaangenaam mens 3Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten, om in de verrukking van deze vreemdelingen te delen, maar gaat nu door een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door ’t hoog geboomte speelt, op de ‘logementen’ af. Hij wandelt een gele barouchette en een blauwe char-à-bancs voorbij, die hij onder ’t geboomte uitgespannen ziet, als ware ’t om menigeen van huns gelijken derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil. ’t Is een liefelijke morgen. Een enkel heer met een grijze paardenharen Saksen-Weimar, bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelse spikkelkousen, lage schoenen en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten marmeren tafeltjes van het ‘Wapen van Amsterdam’ voor de deur, zeer op zijn gemak een boek te lezen. Een dikachtig heer met rode wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in ’t kort, leest er steunende op zijn stok een courant, zonder tafeltje op een stoel neergevallen. Een jonge vrouw, eerst onlangs uit het kraambed hersteld en nog een weinigje bleek, zit aan een ander tafeltje, waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsje met lichtblauw Zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar kindermeid, die met een Amsterdamse kornet op ’t hoofd, of liever ààn ’t hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de een gehandschoende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje met rozerode strikjes en, aan de andere, een van drie, in beugeltjes; welke kinderen zij, zoo dikwijls als zij iemand tegenkomt, aan wie zij een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil, met het plechtige ‘uwé’ toespreekt: ‘Spreekt uwé niet tegen meheer, Sorsetje? – Foei Franswatje, wat maakt uwé uwees handjes vuil met die schullepies.’ – Aan de Hertebaan vertonen zich hier en daar een paar jonge dames, in ’t blote hoofd, en in een costuum, dat zij ‘zoo geheel buiten’ noemen, en ’t welk voornamelijk gekenmerkt wordt door sterk gekleurde zijden schortjes, bezig met ‘aan de lieve beestjes eten te geven’. – Dit nu zijn de gelukkigen, die bij Stoffels logeren. – In de Sociëteit is nog niemand, maar een tweetal knechts, een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den rug het talent van Zocher te bewonderen, dat de heren van ’Trou moet blijcken’ in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te zien, die door ’t Sparen gaan. – In ’t logement op den hoek zit een Zaandamse familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang, en in een volmaakt pak blauwe klederen uitgedost, met zwarte dassen en witte onderdassen; de vrouwen met de nationale kap, en zwarte tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein, die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en altijd even beschadigd, daar gezien hebben. Sommigen verdenken hem van een stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hij het is, dan is hij het zeker alleen maar om de kindskinderen te verklikken op wat wijze hun grootvaders in Den Hout hun geld verteerden.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: