EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (10)
EERDERE AFLEVERINGEN

In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan rukt de voorhoede der Haarlemse wandelaars er in. Zij bestaat voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange roksmouwen; de boekhouders met watten in de oren; ambachtsbazen met hoge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hun vrouwen één, en met hun dochters drie graden boven haar stand gekleed, en alleen in dit bijzondere geval met hun zonen, wanneer deze het niet zó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen; want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men reeds nu een enkel jong mens uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij geen schepsel wist te verzinnen, aan wie hij na kerktijd een bezoek schuldig was, nu maar naar Stoffels stapt en, verbaasd van daar nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met de hond van den kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst dat mijnheer habitué is.

Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldse kinderen van den geestelijke, zonder hun ouders. Ook komen nu de bloemisten van den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleziergeld betaalt, alreeds tegenkomt; voorts de demi-fortune van de kleine rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelde makelaar, en het rijpaard van de kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbijgereden van Amsterdamse char-à-bancs voor twaalf personen, daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer laatsten in de stad uitspannen.

Het gebeurde alzo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwamen de kleine winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten, de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz., en als ware ’t aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten, der boekverkopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten, der zusters en broers enz., die nog achter ons waren.
‘Wat zien uw stadgenoten er over ’t algemeen peu fashionable uit!’ zei Nurks, met dien bijzondere lach, dien de Engelsen a sneer noemen, een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en ogenblikkelijk weer opvattende, om mij het antwoorden te beletten.
Een boom of wat verder pleegde hij mij hetzelfde boevestuk met de uitroep: ‘Ik dacht dat er zoveel beau-monde in je menniste Haarlem was!’ en weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen, dat de gehele deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur later, eerst door de hogere ambtenaars, en daarna door de haute volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trouwens even goed als ik.
Wij namen plaats bij Stoffels. De onbeleefdheden, die tot nog toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen Nurks al uitriep, zodat al de belendende gezelschappen het horen konden:
‘Lieve hemel, Hild, wat heb je een mooi vest aan; dat had ik nog niet van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is.’
De lelijkerd had duidelijk bemerkt, dat ik het voor ’t eerst aanhad en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak onmiddellijk mijn benen onder de tafel; want het was mij op zijn minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij met een opgetrokken neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afgevraagd: ‘Waar laat je die turftrappers maken?’

onaangenaam mens 4Van een goedige krulhond, die met veel liefde door een oud man gestreeld werd, heette het ‘Wat een mormel!’ Van een paar schimmeltjes, die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot zelfbehagen pronkte: ‘Lelijke koppen!’ Van het kindje in beugels, dat al van half elf gewandeld had en er schrikkelijk verhit uitzag: ‘Als ik er zó eentje had, deed ik het een steen om den hals.’ Alles luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van het mormel, de lelijke koppen, en de jongen heer. Er zat een statig man, wiens geluk half weg was, omdat hij in de morgen bloemen gezien hebbende in het ‘Cieraad van Flora’, bij het inkruipen van een enge broeikas, enigszins aan een spijker was blijven haken. Hij had daar toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in Den Hout een sigaar zittende te roken ontdekt hij te midden zijner overpeinzingen een kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had dien zo haast niet gezien of hij wierp er met veel handigheid zijn zijden zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van Nurks te ontgaan, die juist op dit zelfde ogenblik tot ons zei: ‘Ik mag wel zo’n maneschijntje.’ De bloem liefhebber kreeg een kleur als een Cactus Speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek greep om zijn neus te snuiten, zodat de maan weer plotseling door de wolken brak, tot grote vrolijkheid van een gezelschap Amsterdamse juffrouwen en heren uit een manufactuurwinkel, die zich op dien merkwaardige dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheren van Z.M. den koning wilden gehouden hebben.

‘Is dat een rok van je vader?’ vroeg Nurks grappig aan den jongen, die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in dat kledingstuk bewoog.
‘Ik heb geen vader,’ zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.
De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en kleuren; met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones, koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad Nurks te voorspellen, dat hij een brilante nieuwe equipage zou zien. Hij kreeg die zodra niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig: ‘Wanneer komt nu die mooie equipage, waar je van gesproken hebt?’

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: