EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (6)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (6)
EERDERE AFLEVERINGEN

‘Ba; wat is ze lelijk als ze zingt,’ klonk het, dwars door de aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuse mond van Robertus, wie het zeker nooit in ’t hoofd was gekomen dat ook een arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.
Het lied liep verder zonder stoornis af; zodat de reticule geopend kon worden, om het bekende roodverlakte flessebakje met blinkende rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen, indien de zangeres Nurks niets gevraagd had. Maar er was geen houden aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot Nurks.
‘Hoeveel octaven kan jij wel zingen?’ vroeg hij werkelijk grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op ’t blaadje leggende; want zoo was hij.
Men moet in de handel ook het vuile geld aannemen.
‘Merci, monsieur,’ zei de harpspeelster, met neergeslagen ogen, en was reeds bij den man met den gescheurde pantalon. De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd, en zat nu toevallig aan een tafeltje, ’t welk de virtuoze alreeds was voorbijgegaan.
De violen hadden ondertussen lustig doorgespeeld; ik weet niet of men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de ogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thans zag een eenlopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook zijne talenten te doen horen.
‘Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek,’ merkte Nurks aan.
‘Och, ik vind het nog al vrolijk,’ zei ik bemiddelend.
‘Ja maar,’ zei hij, mij strak in de ogen ziende, en een lange teug limonade nemende – ‘ja maar – ik geloof, om je de waarheid te zeggen, niet dat je heel muzikaal bent.’

Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft men geen Robertus Nurks te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en enige, en in het een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou, indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers gekend, die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin kan leggen en de ogen toeknijpen met diep gevoel, om ze niet dan bij een point d’orgue schielijk en geheel verward, en als kwam men uit een andere wereld (uit de wereld der inbeelding bij voorbeeld) open te doen; of al slaat men er zelfs maar met zekere wijsheid de maat met het opgevouwen affiche of met den geglaceerde wijsvinger; – of al heeft men maar even den slag om, bij het wederkeren van het thema in een groot muziekstuk, een lachje, liefst een zenuwachtig lachje, voort te brengen, dat met telegrafische duidelijkheid zegt: ‘We zijn weer thuis!’ – of al heeft men maar alleen de vereiste bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen bevallen heeft, met een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en allerbedenkelijkst hoofdschudden te decreteren: ‘Weinig methode;’ – of de tact om klassieke van romantieke muziek te onderscheiden en te zeggen: ‘Ik hoorde toch liever Lafont of Beriot dan de Eichhorns of Ernst;’ – ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een blad muziek gecopiëerd; met een van alle deze muzikale verdiensten toegerust, heeft men eens vooral de bevoegdheid op de rest van ’t heelal met verachting neer te zien en alle verdere creaturen, zodra ze zich iets omtrent de goddelijke toonkunst verstouten, in haar aangezicht te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die onbeschaamdheid hebben de speelmannen, horenblazers, doedelaars, tokkelaars, en trommelslagers op de kunstenaars van andere vakken vooruit. Geen schilder, wanneer gij in zijn atelier komt en gij zegt iets van zijne of eens anders schilderij, hetzij juist of minder juist, zou de onbeleefdheid hebben van te zeggen: ‘Ik geloof niet dat mijnheer veel oog op de kunst heeft.’ Geen auteur, voor wie een fatsoenlijk mens zijn gedachten uitbrengt over een roman, een gedicht, of een vertoog, zal hem durven vragen: ‘of hij eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft’. Maar de muzikanten! Zij hebben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde onheusheid aangewend, die mijn neef Nurks was aangeboren, en ik heb jongelieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, ‘every inch gentlemen’, die op dit punt volstrekt onverdraaglijk waren.

onaangenaam mens 6Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als ik het indenk, weet ik nauwelijks van waar mij de vermetelheid is aangewaaid om hem u voortestellen. Ik vertel u nu maar niet, hoe wij in het ‘Wapen van Amsterdam’ aan de table d’hôte dineerden. Hoe hij halfluid fluisterde over de economie van een paar eenvoudige, die tegen ’t reglement van den kastelein aan, een halve fles voor hun beiden bestelden, en daarna dreigden zich een indigestie te eten aan den bouilli, die na de soep werd rondgediend, in de stellige overtuiging dat er geen ander vlees komen zou; hoe zijn blikken later den arm verlamden van een deftig heer met gepoeierd hoofd, die een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel handig, voorsneed; hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld gezien had en vlak tegenover hem gezeten was, tussenbeide zoo ironisch aanzag, dat zij eerst in ’t denkbeeld geraakte dat zij onbehoorlijk veel at, en derhalve begon voor alles te bedanken, en vervolgens tot de stellige overtuiging kwam dat zij gemorst moest hebben, en al haar best deed om een lonk in den spiegel te krijgen om te weten te komen waar ’t zat; hoe ik, toen wij na den eten de Hertebaan nog eens omwandelden, in duizend angsten leefde dat hij een streek met de paraplu zou krijgen van een of ander der met blauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden, die met beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm (uitgedost met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken) met grote stappen voortschreden, op welker heren toilet hij niet nalaten kon de namen van ‘twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker’, of ‘sleepjurk’ toe te passen.

Na al dergelijke jammeren kregen wij den goeden, besten, liefdekwekende en vriendhoudende Robertus Nurks aan ‘de Bel’ in de diligence. Nog even stak hij het hoofd uit het portier om ons toe te roepen: ‘Niet veel zaaks!’ ’t welk het reisgezelschap, op goede gronden, op zich kon toepassen. Daar reed hij heen. Wij wandelden tezamen nog even de poort uit; want ik noem het hek met alle Haarlemmers, die de poort gekend hebben, nog altijd met dien naam. En toen wij, over het Hazepatersveld heenblikkende, de zon zagen, die bloedrood onderging en hare schone tint mededeelde aan de witte schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven, durfde ik Boerhave een mooie Maandag voorspellen, en vergat hij in ’t vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende wijngaardslakken, spoedig geheel en al den beminnelijke bloedverwant, waarmee ik hem had in kennis gebracht.

1839

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: