PIET MONDRIAAN 1872-1914

Piet Mondriaan (Amersfoort, 7 maart 1872 – New York, 1 februari 1944) is een van de grote pioniers van de abstracte en non-figuratieve kunst. Vooral zijn latere geometrisch-abstracte werk met de kenmerkende horizontale en verticale zwarte lijnen en primaire kleuren is wereldberoemd. Hij werkte mee aan het tijdschrift De Stijl en ontwikkelde een eigen kunsttheorie, die hij Nieuwe Beelding of Neoplasticisme noemde. Mondriaan had in mei-juni 1890 in Den Haag al een eerste tentoonstelling gehad, die goed werd ontvangen en hem een studiebeurs opleverde. In oktober 1892 schreef hij zich in aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten voor de dagopleiding schilderkunst. In de daaropvolgende tijd nam hij allerlei baantjes aan om in zijn levensonderhoud te voorzien: bacteriologische tekeningen maken, schilderijen kopiëren in musea, les geven, landschapjes schilderen, tegels beschilderen, ex librissen ontwerpen en portretten tekenen.

In 1894 werd hij lid van Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, waarmee hij toegang kreeg tot het officiële expositiecircuit. In de jaren 1895 en 1896 bekwaamde hij zich in het maken vaan etsen. In 1897 werd hij lid van Kunstenaarsvereniging Sint Lucas om zijn expositiemogelijkheden te vergroten. Via studiegenoten kwam hij in contact met een groep kunstenaars en vrijgevochten types, die samenkwamen in de ‘molen zonder wieken’ aan de Tolstraat, aan de rand van de stad. Van daaruit maakte hij zijn eerste tochtjes door het omliggende rivier- en polderlandschap. Mondriaans eerste Nederlandse periode, die eindigde met zijn verhuizing in 1912 naar Parijs, werd gekarakteriseerd door hard werken om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Sinds zijn aankomst in 1892 in Amsterdam verhuisde hij tien keer binnen Amsterdam en verbleef hij ook een tijdlang in Uden (1904) en Oele, Twente (1907). Daarnaast was hij in de zomermaanden vaak op pad, naar zijn ouders in Winterswijk (zomer 1893, 1898, 1899), maakte hij reizen naar Cornwall (1900), Spanje (1901), Uden (1903), Spanje en Frankrijk (1903), Otterloo (1907, 1908), Domburg (1908, 1909, 1910) en Veere (1911). De vraagprijs voor zijn schilderijen nam in deze periode gestaag toe. Zo vroeg hij in 1893 voor een olieverfschilderij, een stilleven met twee vissen, slechts vijftig gulden, maar moest in 1910 een schilderij van hem al duizend gulden opbrengen. Toch moest hij nog nevenopdrachten aannemen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Zo beschilderde hij in september 1898 vier houten reliëfpanelen voor de preekstoel in de Engelse Kerk in Amsterdam, gaf hij vanaf 1898 privélessen aan vrouwen uit de betere, gereformeerde kringen en maakte in opdracht een grote plafondschildering met een allegorische figuur en putti, die de vier jaargetijden symboliseerden. Zijn vrije werk uit deze periode bestond uit religieuze en geïdealiseerde scènes uit het platteland en enkele (zelf)portretten. Van lieverlee kwam Mondriaan in de chiquere avant-garde kunstkringen terecht, waartoe ook de Amsterdamse Joffers behoorden.

Het onderdeel anatomie was niet zijn sterkste punt (hij werd om die reden tot twee keer afgewezen voor de prestigieuze Prix de Rome) en vanaf 1901 ging hij daarom zich steeds meer toeleggen op het schilderen van landschappen. In zijn Udense periode schilderde hij veel van wat hij in zijn directe omgeving aantrof: landschappen met koeien, boerderijen, zonsondergangen, molens, een stalinterieur, bloemstillevens. In Uden ging hij zich echter ook steeds meer interesseren voor abstracte compositieprincipes. In de jaren 1905–1907 schilderde hij veel landschappen rond Amsterdam.

Hij ging in de loop der jaren steeds meer gestileerde landschappen schilderen, waarbij hij de werkelijkheid (het realisme) steeds meer losliet. Mondriaan concludeerde uiteindelijk het dat de beleving van het schilderij belangrijker was dan de techniek waarmee het gemaakt is. Vanaf 1908, toen hij in Domburg woonde, ging hij steeds meer ‘luministisch’ en expressief schilderen en begon hij weer portretten te schilderen. Ook schilderde hij bloemen in verschillende stadia van verval, een verwijzing naar de evolutie van het leven. Dat jaar trad hij toe tot de ‘ingewijden’ van de Theosofische Vereniging en leerde hij yoga. In Domburg schilderde hij nieuwe thema’s, zoals duinen, zeegezichten en kerktorens. Hij schilderde dan korte tijd in pointillistische stijl, maar raakte ook onder de invloed van het Franse neo-impressionisme en fauvisme. Dat leidde tot opvallend kleurrijke, bijna agressieve doeken, zoals Molen bij zonlicht. Dit werk maakte hem in 1909 in één klap beroemd in Nederland, waar hij hét symbool van de avant-garde werd.

Ook in 1909 bracht hij de zomer door in Domburg en maakte er veel schilderijen in zijn nieuwe stijl. Hij wist ook een groot aantal schilderijen te verkopen, maar nadat onverwachts zijn moeder overleed raakte hij in een depressie met zelfdestructief gedrag. Zijn werk uit de daarop volgende twee jaar zat enerzijds vol theosofische symboliek en anderzijds was er werk dat deed denken aan dat van de Haagse School en de Amsterdamse impressionisten, maar met een mystiek-symbolistische inslag.

Op 28 november 1910 richtte hij met Spoor, Toorop en Kickert de Moderne Kunstkring op, een kunstenaars-vereniging voor progressieve Nederlandse kunstenaars. Een half jaar later (juni 1911) maakte hij tijdens een verblijf in Parijs kennis het kubisme. In oktober 1911 vond in het Stedelijk Museum de eerste tentoonstelling van de Moderne Kunstkring plaats, waar Mondriaan met zes schilderijen aan deelnam. De critici waren bepaald niet enthousiast over zijn werk. Aan de tentoonstelling was ook werk te zien van Franse en Nederlandse expressionistische en pre-kubistische kunstenaar. Mogelijk was dit weerzien van zijn pas ontdekte Franse voorbeelden voor Mondriaan aanleiding om op 20 december 1911 naar Parijs te vertrekken. Vlak voor zijn vertrek schildert hij het indrukwekkende doek De Grijze Boom (zie hierboven).

In Parijs veranderde hij vrijwel onmiddellijk zijn achternaam in Piet Mondrian (met het toepasselijke anagram ‘I paint modern’), onder welke naam hij in het buitenland nog steeds bekend is. Braque en Picasso fragmenteerden in hun werk de zichtbare werkelijkheid en vonden de tekening belangrijker was dan kleur. Mondriaan volgde hen door te schilderen met zwarte lijnen, vrijwel zonder kleur en vooral in bruin en grijs. Ook Mondriaan ging geheel kubistisch schilderen, maar onderscheidde zich van de beide grootmeesters doordat hij de gefragmenteerde ‘werkelijkheid’ verbond aan zijn theosofische opvattingen. Hij schilderde in Parijs vooral bomen en boomgaarden, maar steeds minder naturalistisch. Hij gaf zijn schilderijen titels als Compositie 9. Nog steeds echter liet Mondriaan zich door de werkelijkheid inspireren, bijvoorbeeld door een blinde muur vlak bij zijn atelier of door de zee. Ook later, toen hij in zijn neoplasticistische stijl schilderde, bleef hij zichzelf zien als een ‘abstract-realist’ ofwel iemand die zich door de realiteit liet inspireren. In 1914 schreef hij vanuit Parijs de invloedrijke kunstpedagoog H.P. Bremmer een verhelderende brief: ‘Ik construeer op een plat vlak lijnen en kleurcombinaties met ’t doel algemeene schoonheid zoo bewust mogelijk uit te beelden. […] ik wil de waarheid zoo dicht mogelijk benaderen en daarom alles abstraheeren tot ik kom tot het fundament […] der dingen. […] Ik vermeen dat ’t mogelijk is door horizontale en verticale lijnen, geconstrueerd bewust maar niet berekenend […] zoonodig aangevuld door andere richtingslijnen of gebogen lijnen, desnoods, te komen tot een kunstwerk even sterk als waar’.


Twee werken uit 1911 en 1912 in Parijs, stillevens met gemberpot

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: