HUMORISTEN

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (6)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het legher treckt vast in met duizenden, een macht
Zoo groot als Waterlant noch oit te velde bracht,
En Kennemer, en Vries en Zeeu en Hollant t’ zaemen.
Gysbrecht van Aemstel

(Uit een brief van Melchior)

Beste Hildebrand!

Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets van u gedrukt wordt; met een zeker genoegen, zeg ik; want wij hebben nog samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er wat in u zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn vader zegt evenwel dat hij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij niets van herinner, maar wel weet ik dat ik driemaal een hekel aan u gehad heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppassen nam, en ik wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deed, Hildje! Denk maar eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle morgens om halftien en iedere namiddag om drie uren werd opengetrokken dat de bel rammelde, een kwartier lang, als het Franse gebed al lang op school was voorgelezen. – Maar dat daargelaten, vriend; ik hoor dat gij weer iets op de pers hebt, en gij zult mij, op grond van heel goede kennis, wel vergunnen willen, u enige raadgevingen mede te delen. Ik ken mensen, die dat veel liever doen bij wijze van recensiën; daar zijn er, die de kopij onberispelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden; maar ik hou van die methode niet, en kom liever met mijn raad voorop.

Eerst echter wilde ik u vragen, ronduit vragen, of gij een humorist zijt? Ik denk het half, omdat het tegenwoordig zoo ijselijk aan de orde is. Kijk Hildebrand, als gij een humorist waart, dat zou me lelijk spijten; ik zou haast zeggen, schoon mijn hart er bij breekt: – als gij een humorist zijt, Hildebrand, leg drie stuivers uit, koop een touw, en… Maar gij zijt immers geen humorist, mijn waarde! o Zeg, dat gij het niet zijt.

humoristenDaar is tegenwoordig zulk een ontzettende consumptie van humor, mijn vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn en dan ook bij gevolg akelig wordt vervalst. Ik ben overtuigd dat er in iedere kerk, de dominé meegerekend, meer dan honderd humoristen bijeenzijn. Men komt in geen koffiehuis, men rijdt in geen diligence, ja wat meer is, men zit in geen ‘bijwagen’ zonder een humorist. Het hele land is er van vergiftigd: humoristen op rijm; humoristen in proza; geleerde humoristen; huiselijke humoristen; hoge humoristen; lage humoristen; hybridische humoristen; bloempjes-humoristen; tekst-humoristen; sprookjes-humoristen; vrouwenhatende en vrouwenflemende humoristen; sentimentele humoristen; ongelikte humoristen; gedachten denkende humoristen; boek-, recensie-, mengelwerk-, brief-, voorrede-, titelblad-humoristen; humoristen, die op de grote lui schelden en verklaren dat die geen greintje gevoel hebben, omdat zij een knecht hebben met galons aan den rok, en een spelende pendule; humoristen, die het met de bedelaars houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen sturen in de Maatschappij van Weldadigheid; reizende humoristen; huiszittende humoristen; tuin- en prieeltje-humoristen, wier vrouwen aan iets anders bezig zijn, terwijl zij humoriseren; en dan eindelijk de hele simpele plattelands-humoristen, schoon ze allegaar wel een deel van simpelheid weg hebben, in deze manier: ‘je zoudt wel denken dat ik helemaal onnozel was, maar ’t is allemaal lievigheid!’ Ik spreek niet van de hele grappige, de zeer onfeilbare, en de zeer onduidelijke humoristen… Och lieve Hildebrand, honderd soorten zijn er daar ik niet van spreek, want ze komen uit den grond op, en ik weet evenmin als in de kennis der kruiden of men veiliger doet ze te rangschikken naar partes essentiales of naar habitus, naar een systema naturale of naar een systema artificiale; wat eigenlijk, waar het de stijl geldt, tegenwoordig het vraagstuk naar de mode is, waarover gij in ’t Latijn en in ’t Hollands, in ’t beleefd en in ’t scherp, heel veel stichtelijks en afdoends lezen kunt.

Ik kan mij ondertussen niet verklaren hoe ’t bij zoo veel humor mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van het ding in de wereld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft adem om te zeggen wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan haast geloven moeten dat wij er in verdrinken. In dat geval, kan men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap voor de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste een matigheidsmaatschappij onder de zinspreuk: ‘Laat staan uw humor.’ Jean Paul pakt het verhevene bij de benen, keert het met Rapponische krachten om en zegt: ‘Ziedaar het humoristische: ’t is niet anders dan het verhevene met de voeten in de lucht.’ (1) Ik heb allen eerbied voor die kunstbewerking, maar Jean Paul was somtijds een zeer onduidelijk humorist. Bilderdijk zegt ergens, en zo niet in zijn boeken, dan heb ik het uit zijn mond, dat het precies het Hooftiaanse neskheit is; maar Hooft en neskheit zijn, wat de ‘Tesselschade’ er ook tegen doen moge, zulke oude humoristen, dat ik vrees dat die aanhaling de zaak voor ’t algemeen niet veel opheldert. En après tout: wat heeft het algemeen er mee te maken? De humoristen zijn er, zijn er in grote getale, en vermenigvuldigen met de dag. Eerstdaags zien wij een koninklijke humoristen-stoeterij. Wat weet ik waar ’t op uit zal komen? Eerstdaags een humoristische revolutie, een op end’ op humoristische orde van zaken, met een hartroerende oude vrijster op den troon, met een kring van sentimentele dagloners tot ministerie. Daar zullen in de vergaderzaal de eenvoudige, de onschuldige kindertjes zitten; het leger zal bestaan uit duivenhartige bloodaards onder den hoogdravende naam van medelijdende zielen; het rechterambt zal bekleed worden door mensen die tegen àlle straf zijn; niemand dan een grijsaard zal er schrijver, dichter of geleerde zijn mogen of tot de hoop des vaderlands worden gerekend, uitgenomen de humoristen zelve; ieder hunner zal een goelijke oom en een onnozele neef hebben, maar, met uitzondering van deze lieve kinderen, zullen de jongelingen als een schadelijke uitvinding buiten ’s lands gezonden worden. Geen adel meer, geen rijkdom, geen livereibedienden, geen pâté de foie gras, geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames; maar een aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloffen, pijpjes, tuinstokken, kinderboekjes, Moeder-de-Ganzen… Wat ik u bidden mag, Hildebrand, ga niet onder de humoristen!
Ten tweede, enz. enz.

(1) ‘Humor ist das Romantisch-Komische, das umgekehrte Erhabene, worin das Endliche auf das Unendliche, der Verstand auf die Idee angewand wird.’

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: