LA GRANDE BOUCLE 29

Aloïs Catteau werd op 11 augustus 1877 geboren in het Noord-Franse grensplaatsje Tourcoing. De industriestad maakt deel uit van een stedelijke agglomeratie met de plaatsen Lille en Roubaix in Frankrijk en Moeskroen en Kortrijk aan de andere kant van de grens. In die tijd zal de plaats door de Vlamingen nog vooral worden aangeduid met de oorspronkelijk naam, Toerkonje. In Kortrijk geeft de Torkonjestraat nog steeds de weg naar Tourcoing aan. Hij maakt deel uit van het kleine groepje Belgische renners, die deelnemen aan de allereerste Tour de France in 1903. Behalve Catteau zijn dat de al 37-jarige Marcel Kerff (1866-1914), Julien Lootens (1876-1942) en Jules Sales (1876-?).

Herman Chrevolet merkt in zijn boek ‘De Flandriens: opkomst en ondergang van een wielersoort’ op dat rond de eeuwwisseling alle Belgische renners aan het euvel leden dat ze blijkbaar buiten hun vertrouwde omgeving alle kracht waren verloren. Ze konden in de eigen streek allemaal goed overweg met slechte wegen, die voor hen platgereden veldwegen zonder kuilen en gevaarlijke stenen randen leken. Allemaal goede renners met een gezonde eerzucht, maar het lukte maar niet. Renners die ze op de Vlaamse steenwegen schouderophalend achter zich lieten, konden ze op de Franse wegen niet klein krijgen. Hij merkt op dat er voor de Vlaamse renners blijkbaar veel moed voor nodig was om vanuit een verloren hoek in het Vlaamse land op eigen gelegenheid, zonder verzekerd te zijn van logies en eten, naar het zuiden af te reizen. Door die provinciale mentaliteit zou het Vlaamse wielrennen een zekere dood zijn gestorven als niet een paar enkelingen zich aan dat provinciale milieu hadden ontworteld om in het waagstuk dat Tour de France heette hun geluk te beproeven. Hier was alles goed geregeld. Fietsenfabrikanten rustten wielerploegen uit met fietsen van eigen merk, er waren auto’s ter begeleiding van de coureurs met een heuse sportbestuurders aan het stuur, er waren bevoorradingsposten, mecaniciens en verzorgers, plus waren de hotelkamers geboekt. De Vlaamse renners die het aandurfden, die niet bang waren voor zweet, vernedering en pijn, waren welkom, mits ze uiteraard zichzelf wel uit de naad reden voor hun Franse koopman.

Er stonden op 1 juli 1903 bij herberg Au Reveil Matin in Montgeron, een voorstad van Parijs, zestig renners aan de start voor zes monsterachtige ritten van de Tour 1903 over in totaal 2.428 kilometer. Uiteindelijk zullen 21 renners bij de laatste etappe op 18 juli over de streep komen. Daarbij van de Belgen Kerff, Lootens en Catteau, die als respectievelijk als zesde (op 5.52.24), zevende (op 8.31.08) en tiende (op 12.44.57) eindigen van winnaar Maurice Garin. Jules Sales hoort bij de 23 renners die al in de eerste etappe (467 kilometer van Montgeron naar Lyon) moeten opgeven. Catteau reed een niet onverdienstelijk Tour, met enkele top-tienklasseringen. Hij maakte deel uit van het team La Française, waarvan ook Maurice Garin deel uitmaakte. De ploeg wist vier van de zes etappes te winnen en had maar liefst zes renners in de top tien van het eindklassement. Overigens moet de koers voor Catteau buitengewoon zwaar zijn geweest. Peter Cousins merkt in ‘Butcher, Blacksmith, Acrobat, Sweep: The Tale of the First Tour de France’ op dat veel renners de rustdagen tussen twee etappes vaak feestend doorbrachten, maar ‘not al of the racers were quit so full of vim, though, after their exertions of the opening five stages. Belgian Aloïs Catteau passed out due to exhaustion in his bath and was only saved from drowning by his returning roommates’.

Het jaar daarop was voor de ploeg La Française minder succesvol, maar dat gold niet voor Catteau. Hij eindigde op het podium met een fraaie derde plaats (op 8.07.20 van winnaar Henri Cornet). Het was overigens een tumultueuze Tour. In Parijs stond Maurice Garin opnieuw eerste in het eindklassement, maar hij en een handvol andere renners bleek behoorlijk geknoeid te hebben onderweg, bijvoorbeeld door delen van het parcours per openbaar vervoer af te leggen. De Franse wielerbond verwijderd een hele groep renners uit de uitslag, waaronder de nummers één tot met vier van het eindklassement. Cornet, die als nummer vijf met bijna drie uur achterstand op Garin geklasseerd stond, promoveerde naar de eindzege. Catteau maakte dus een sprong vanaf de zevende plaats.

Aloïs Catteau zou in 1904 bovendien als zesde eindigen in Parijs-Roubaix, waar hij in zijn eerste profjaar (1903) als dertiende finishen. In 1904 zou hij nog een keer zevende worden. Aloïs Catteau zou nog vijf keer van start gaan in de Tour de France, maar nooit meer op het podium. Wel waren er behoorlijke ereplaatsen: elfde in 1905, zesde in 1906 en negende in 1907. Misschien wat overmoedig geworden door zijn succes in het voorgaande jaar, besloot Catteau in 1905 met een eigen ploeg van start te gaan, Catteau Cycles, waarin hij het enige lid was. In 1906 keerde hij toch weer terug naar een Franse ploeg (Alcyon – Dunlop), waarvoor hij ook in 1908 in dienst van Hippolyte Aucouturier werken. In 1908 was hem de 21e plaats toebedeeld, in 1909 en 1910 mocht hij niet aan de start verschijnen (hij reed toen als individueel de kermiskoers en België en Frankrijk. Bij zijn laatste deelname in 1911 moest hij opgeven. Na in de eerste vier etappes steeds op grote achterstand te zijn gefinished, gaf hij er in de vijfde etappe de brui aan. Iets later stopte hij als wielrenner. Wat hij na zijn 34e jaar heeft gedaan, is onbekend. Hij stierf op 1 november 1939 in Menen (bij Ieper), toch pas 62 jaar oud.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: