VOORNAMELIJK VROUWEN EN VERSJES 1

Jan Wit wordt geboren op 7 juli 1914 te Nijmegen. Zijn vader, Cornelis Wit, geboren 5 juli 1883, is leraar wiskunde aan de kweekschool De Klokkenberg. Op 12 mei 1910 is hij getrouwd met Lijntje Geertruida Kommerina de Baan, geboren 3 augustus 1882. Uit het huwelijk worden twee kinderen geboren: Nelleke, geboren 12 juli 1911 en overleden op 25 november 1973 en Jan. Het echtpaar Wit is lid van de Waalse gemeente. Al spoedig blijkt dat Jans gezichtsvermogen slecht is. In 1957 herinnert hij zich: ‘Ik weet nog dat ik last had van mijn ogen en niet graag wilde kijken. ‘k Herinner me vaag dat ze me dingen lieten zien. Al heel vroeg is al het licht uit mijn ogen verdwenen.’ Medicijnen noch operaties baten. Wit wordt al spoedig helemaal blind en gaat met twee glazen ogen door het leven. Op 27 april 1919, als Jan vier is, overlijdt zijn moeder aan de Spaanse Griep. In zijn gedicht ‘Voornamelijk vrouwen en versjes 1’ legt hij zich rekenschap af van de herinnering aan zijn moeder. Drie jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw, hertrouwt zijn vader op 18 juli 1922 met Anna Wilhelmina Götz van der Vet, geboren 25 oktober 1984. Uit dit huwelijk worden twee jongens geboren: Walt in 1924 en Hans in 1928. Aardig is de beschrijving die Jan Wit later geeft van het Nijmegen uit zijn jeugd: ‘Toen ik klein was graasden tegenover ons huis in de Jozef Israëlsstraat nog paarden en als je met de tram, dat goede oude vervoermiddel met zijn twee beugels […] naar het Hengstdal reed, dan was je echt buiten. Alleen het vrolijke hameren van een smid overtuigde je ervan dat er toch nog mensen woonden. […] In onze straat reed nauwelijks een auto en mijn zorgzame ouders hielden hun blinde zoontje in het geheel niet vast, zelfs hun hart niet’. Uitgebreide biografieën van Jan Wit zijn te vinden op Huygens Ing en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL).

.Voornamelijk vrouwen en versjes 1’

Wat weet ik nog van mijn moeder?
Zij stierf, toen ik vier jaar oud was,
aan de Spaanse griep van ’19.
Zij droeg zacht ruisende rokken
en als ze sprak dan zong ze.
Zij was altijd lief voor mij.
-Mijn vader bleef paedagogisch -.

Zij heeft mij twee versjes geleerd:
‘Op bergen en in dalen’ en
‘Een karretje op de zandweg reed’.
Dat bouwde een veilige wereld.
Het karretje reed langs berg en dal
en Berg en Dal was vlak in de buurt.
Daar kon je klimmen, je rook er de grond
en de paddestoelen en rottende blaren.
En dan ging het ook nog van ‘ogen blind’,
dat kon je nu honderd keer zeggen en zingen.
En overal was God.

Toen ging ze naar de hemel.
Ik weet niet meer of ik bedroefd ben geweest.
De hemel dat was immers heerlijk,
veel fijner dan Berg en Dal.
Trouwens daar kwamen mijn tantes aan.
Die hadden zachte lippen en schoten
en strakke zijden borsten
en haren om paadjes door te vinden.
Oom Johan zette mij op zijn schouder.
Zo kon ik de wolken bevoelen,
gevoegde planken in oma’s plafond.
Dat moest wel heel dicht bij de hemel zijn.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: