DE FAMILIE STASTOK (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (15)
EERDERE AFLEVERINGEN

De ontvangst (1)

Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voorhuis de aankomst van een bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk de aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, daarna de bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervolgens haar rode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te slaan, en de langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij de barometer twintig, en van de barometer tot de mat, zes stappen vergde. In de tussentijd bekeek ik de voorgevel van de woning.
Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en ofschoon het huis ouder was, was ook deze, zowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in het lood. Het had slechts één zijkamer, met twee schuiframen met middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op brede koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht vriendelijk uit te nodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf op te luisteren òf te verbleken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in ’t voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.

De ontvangst was recht hartelijk, en de goede mensen die mij nog nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eerste enigszins scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer ‘gedaan werd’, zodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het wel zo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een hele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield; waarop oom zei, dat hij er, al zei hij ’t zelf, niet van hield, en tante het met neef eens was dat zij er wèl van hield, waarop oom wat bijkwam met te zeggen, dat hij er ’s avonds nogal van hield; waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook ’s avonds het meest van hielden; zodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd, dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeligst is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de gehele redewisseling op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd, terwijl oom zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht, en tante de kopjes van ’t koffiegoed met een minzaam lachje en een bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in orde op het blad, toen zij vroeg: ‘Wel heeremijntijd, Hildebrand, had je nou niet nog koffie willen hebben?’

Nu was er op dit ogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoedig, en zei dat ik straks met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam. Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard, waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in gestookt werd vóór de eerste November en er dus ook nu geen vuur aanlag, en begon met naar mijn neef Pieter te vragen. Mijn neef Pieter studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef Pieter Stastok ook kenden, had ik daarop te genen tijde een voldoend antwoord ontvangen, zodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk begonnen was met niet meer naar mijn neef Pieter Stastok, maar naar een zekeren student Stastok navraag te doen.

‘Gij moest hem al gezien hebben, neef Hildebrand,’ zei de oudere Stastok, ‘want hij is uitgegaan om u op te wachten.’
‘Om u op te wachten,’ herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar schoot latende vallen en over haar bril heen ziende: ‘hij moet u zeker misgelopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is tegenwoordig zo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij te veel werkt; hij is zo vlug, weet u!’
En nog nauwelijks had ik de tijd mijn vurig verlangen te uiten om die zeldzame vereniging van vlugheid en arbeidzaamheid, de jongere Stastok, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen van de keukenmeid sloften, en de stap van de Utrechtse student werd gehoord.

Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad, zoras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn gehele voorkomen sprak collegehouden uit; zijn gehele lichaam dicteerde dictaten. De bleke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel, de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige kwastjes – alles deed den student zien, die van het academieleven niets kent dan de collegekamers en de thé’s der professoren; van de studenten, geen andere dan zijn stadgenoten en de senatoren, die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita; de student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; de student, die er over klaagt dat er zo weinig studenten-broederschap is, en niet weet dat er studentenvreugd bestaat; de student, die een dispuut zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van de kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vlees, één, ingemaakte postelein, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels, en één, rijst met bessennat, omdat hij de moed niet heeft zich aan een tafel te doen voorstellen; de student, die in de sociëteit duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor ’t eerst horen, als zij toevallig op ’t college zijn daar hij afgeroepen wordt om te responderen. Zulk een student was zonder twijfel mijn onbekende neef Pieter Stastok.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: